‘t woordje de

De tocht der tochten, Mmmm. Maar de moet een zijn, denkt de jongen. LE:

Hij wilde ergens anders wonen en heeft samen met zijn vriendin een huis gevonden in Noordlaren, op tweehonderd meter lopen van het enige Groninger hunebed. Tot voor kort woonde hij in Amsterdam. Vervelende stad, als iemand het hem zou vragen. In Noordlaren zit de bakker, in Midlaren zit de slager, en de rest is wel ongeveer te koop in Zuidlaren. Of in Haren, op de heenweg of op de terugweg. De jongen studeert filosofie in Groningen. De moet een zijn… Hij heeft les van North, Nauta, Van Benthem, Barth en nog een paar, terwijl zijn huisbaas aardappels haalt in Pieterburen en de vrouw van zijn huisbaas formulieren ontvangt die betrekking hebben op de trein ter hoogte van De Punt, waarin haar zoon, met een verrekijker haast te zien, gegijzeld was. De huisbaas is lange tijd buschauffeur geweest en eet bij de koffie graag paardeworst. Bonbons horen meer bij bier. Later is de huisbaas tijdens zijn werk voor een broodfabriek omvergereden door een bus. Hij zit bij voorkeur in de keuken en heeft engelengeduld met elke vlieg. De moet een zijn… De jongen fietst van maandag tot en met vrijdag naar Groningen, meestal door het bos, een enkele keer via Onnen. Een minuut of vijfendertig naar de Kraneweg. Hij maakt een paper over menselijke waardigheid en krijgt te horen: ‘Goed geschreven. Jammer dat je ophoudt waar het interessant wordt.’ De jongen koopt een Mars in Haren. Koopt er even later nog een bij de wagen van de SRV, met meneer Huttinga aan boord. De moet een zijn… Er is een viswedstrijd. Er is een feestavond met Ronnie Tober. Er is melk bij de boer. Er is een naaikrans in het café. De winter is bar en boos, maar bijzonder mooi zijn de hoge muren van sneeuw, die door de wind bij elkaar zijn geblazen. Er is paling, er is sherry, er zijn diverse soorten pap. De jongen leest nu en dan dikke boeken, nu en dan dictaten. Grieken, Engelsen, Fransen, Duitsers, Poolse logica en Noorse argumentatietheorie. De jongen begrijpt niet alles. De moet een zijn… Else Barth is gepromoveerd op het woordje de. Dit spreekt tot de verbeelding van de jongen. Hij loopt graag hard, naar het hunebed, om het Noordlaarder bos heen en weer naar huis. Zijn huisbaas gebruikt diezelfde route om zijn pony voor de wagen het nodige avontuur te gunnen. De jongen weet niet zeker of Else Barth het zo zei of dat hij het verzonnen heeft: 'De moet een zijn.’ De jongen loopt niet steeds in één tempo, hij trekt ook sprintjes en maakt Steigerungen. Daarnaast neemt hij de tijd voor hinken, burpee en schaatsbewegingen. Aan de rand van het bos woont een mevrouw die secretaresse van de Vegetarische Bond is. De jongen eet elke dag vlees. Het valt hem op dat een prettige cadans tijdens de schaatsbewegingen ruimte biedt voor woorden. Hij is er inmiddels van overtuigd dat hij van zijn studie één zin heeft opgestoken, en het bevalt hem goed om die ene zin op zijn oefentochten te herhalen. De moet… een zijn… de moet… een zijn… de moet… een zijn…