Taal-anorexia

Heb ik De eenzaamheid van priemgetallen al gelezen? Dat vragen allerlei mensen me de laatste tijd op allerlei gelegenheden en telkens blijft dat ene woordje even haken: al.
De vraag of ik het al gelezen heb, impliceert dat dit onherroepelijk vroeg of laat gaat gebeuren, en ik me daar maar beter niet tegen kan verzetten, zoals in ‘Heb je al een afspraak bij de tandarts gemaakt?’
‘Nee, nog niet’, reageerde ik de eerste keer. Meteen begreep ik dat ik reflexmatig vol op die taalkundige bermbom was gestapt – nóg niet, maar vroeg of laat gaan we er allemaal aan. Zat er misschien een gehaaide pr-afdeling achter die ‘al’-vraag? Voortaan was ik dus op m’n hoede, en beantwoordde ik het priemgetallen-instinkertje met onnodig grote verbijstering: ‘Huh? Maar dat ben ik helemaal niet van plan!’
Het gevolg daarvan is dat ik nu een hele zooi lovende orale recensies over dat boek te horen heb gekregen. Over één daarvan gaat deze column, en als u vindt dat ik daar dan wel een verdomd lange aanloop voor genomen heb alsof u waarachtig niks beters te doen heeft, kan die jongen nu eens eindelijk een beetje to the point komen dan moet u vooral doorlezen.
‘Het mooie aan Priemgetallen is dat het zo bondig geschreven is. Terwijl die Italianen gewoonlijk altijd van die lange zinnen maken, met veel bijzinnen, tussenzinnen…’
Het bondige noorden versus het langdradige zuiden: daar zou eens een literatuurwetenschapper onderzoek naar moeten doen. Ik vermoed dat er inderdaad een verband bestaat tussen zinslengte en breedtegraad. Waar schaduwen slinken, groeien de zinnen. Om het ook maar eens bondig te zeggen. Want daar houden we in Holland van. Korte zinnetjes. Zonder poespas. Gewoon is al gek genoeg. Ja toch niet dan.
O, hoe háát ik de soberheidsdoctrine van ons verkavelde vlakland, waar geknepen billen elk ritme uitbannen en iedere gedachte gesmoord wordt in de anorexia van flinterdun geschilde zinnetjes.
‘Geen wóórd te veel. Dus het leest echt als een…’
O nee, sta mij bij, machtige goden, en help me mijn oren te bedekken, help mij om niet te horen wat ik nu hoe ik mijn vuisten ook bal tegen mijn oorschelpen, en hoe ik mijn ogen ook dichtknijp tegen onvrijwillig liplezen toch hoor: ‘… als een trein.’
Een trein! Terwijl het enige wat daarop te lezen valt bijna even slaapverwekkend is als die vijf-woorden-per-zin-boekjes: 2 2 2 1 1 2 2 2 2 1 1. Een trein! Kan het lulliger? Je zou zo iemand de kop van de romp willen rukken opdat hij nooit meer zulke kolder uitkraamt.
‘Ah, oké’, mompel ik. En dan iets enthousiaster: ‘Een trein zeg je? Juist. Nou eh… ik ben heel benieuwd.’
Kijk: ik plaag u maar een beetje, en u moet natuurlijk maar mooi vinden wat u mooi vindt, maar toch zou ik het fijn vinden wanneer het misverstand uit de wereld verdwijnt dat een boek met korte zinnen dat wil zeggen: een boek waarin de auteur de boel in stukken hakt door willekeurig wat punten en returns te hameren ook automatisch tempo en vaart heeft. Voor mij lijkt zo’n boek eerder op een file.
Haar vader zou woest zijn. Ze moest een leugen bedenken. Een goed verhaal zonder hiaten of tegenstrijdigheden. Ze peinsde er niet over om te vertellen wat er echt gebeurd was. De mist, natuurlijk, het kwam door de mist.
Bij elke punt is het alsof ik rem en koppeling moet intrappen. Pas bij de vierde zin mag ik naar de tweede versnelling doorschakelen, maar eer ik op gang ben, zit ik alweer op de bumper van de auto vóór me (‘De mist’). Met slippende koppeling ploeter ik me door de eerste pagina’s van De eenzaamheid van priemgetallen.
Juist in een wat langere zin, met een bijzinnetje waarin je het toerental wat voelt oplopen, en daarna nog eens een terzijde, alsof je de versnellingspook van drie omlaag trekt naar vier, voelt het alsof je de bebouwde kom verlaat en een tachtigkilometerweg voor je ziet liggen even leeg als kaarsrecht waarop je naar hartelust los mag gaan, terwijl je verderop al de verlokking voelt van een invoegstrook, en de lastig te beschrijven voorpret van het schakelen naar de vijfde versnelling.
De Hollandse taal-anorexia zit diep in onze cultuur. Boeken moeten to the point zijn. Vroeger op school al, luidde de standaardvraag bij literaire teksten: ‘Wat probeert de auteur hier te zeggen?’
Probéért. Alsof de schrijver een gemankeerde malloot was die het vermogen miste om ‘gewoon te zeggen waar het op staat’, wat elke puber zelf beter kon doen, waarna het boek als overbodig geleuter terzijde kan worden geschoven.
Wie De eenzaamheid van priemgetallen ‘Italiaans, maar godzijdank toch bondig’ vindt, moet bij zijn Ferrari-dealer maar eens informeren naar een exemplaar dat prettig in files rijdt.