Taal des tijds

Onlangs overleed de laatste spreekster van het Bo, een van de tien Groot-Andamanse talen wier verleden teruggaat tot de Nieuwe Steentijd. Zo'n lang leven is het Nederlands (Wachtendonck, circa 950 n.C.) waarschijnlijk niet beschoren, al zal het in het zicht van de dood wellicht iets harder tegenspartelen. Evenmin zal het in de herinnering voortleven zoals Sanskriet of Latijn, talen die ooit continenten in hun ban hielden.

Vandaag is de rol van wereldwijde voertaal voorbehouden aan het Engels en morgen wellicht aan het Chinees. Het Nederlands komt er hoe dan ook niet aan te pas. Dat geldt ook voor onze minderheidstalen zoals Tamazight, Maleisisch en Turks die in het buitenland veel meer worden gesproken dan hier. Het Fries hoort daar niet bij, zoals Ronald Plasterk ooit in een tv-column constateerde: het is geen taal maar een grappig dialect dat fonetisch wordt geschreven zodat vijftigers met een ringbaardje er subsidie voor kunnen aanvragen. Hetgeen zij desgewenst in keurig Nederlands doen, want Friezen zijn wel goed maar niet gek.

Wie op school de meerderheidstaal leerde - en dat is in Nederland in beginsel iedereen - kon doorgaans normaal in dit land functioneren. Dat verandert nu de bovenlaag steeds meer Engels moet en dus leert spreken, terwijl op ‘zwarte’ scholen nog vaak Sranan of Arabisch klinkt en de spraakverwarring in de randstedelijke buitenwijken, horeca of taxiwereld compleet is. Vooruitziend moeten we constateren dat de beste manier om nieuwe conflicten en ongelijkheden te voorkomen erin bestaat dat we voorrang geven aan het leren van goed Engels op alle scholen. We moeten erkennen dat het Nederlands op termijn net als Duits of Frans een facultatieve tweede taal gaat worden. Wie thuis en in de kroeg liever Tiếng Việt, Limburgs of desnoods Klingon spreekt, blijft daarin natuurlijk vrij.

Helaas kiest het kabinet voor symboolpolitiek. Het wil als bepaling in de Grondwet laten opnemen ‘dat het Nederlands de officiële taal van ons land is en dat de overheid het gebruik ervan bevordert’. Er zou bovendien ‘een bepaling over het Fries’ bij moeten. Zulke formalistische geluiden zijn altijd een aankondiging van krampachtige taalpolitiek, beginnend met musealisering en in het ergste geval eindigend in taalfascisme zoals we dat kennen uit Québec of de landen van voormalig Joegoslavië. Napoléon Bonaparte wist het al: een goede grondwet is summier en vaag. Gelukkig worden wetten en maatregelen in Nederland niet grondwettelijk getoetst. Verder verdient het aanbeveling om beschermende maatregelen voor het Fries ook maar geheel in het Fries op te stellen. Ten eerste kan toch iedereen het lezen en ten tweede zijn documenten in het Fries in dit land niet wettelijk bindend. Ook een wetgever hoort goed maar niet gek te zijn.