Pam Emmerik

Taal doet leven

Pam Emmerik, Het bottenpaleis

Uitg. Querido, 184 blz., ƒ34,90

In haar eerste roman Het bottenpaleis — haar debuut was de verhalenbundel Soms feest, die werd bekroond met de Betje Wolffprijs — tovert schrijver en beeldend kunstenaar Pam Emmerik (1964) twee meisjes tot leven, die door verhalen te vertellen hun leven (re)construeren. Het is niet een exacte inventarisatie van hun verleden, maar veeleer een herschepping: ze creëren zichzelf opnieuw. Hun leven krijgt gestalte, betekenis en inhoud wanneer het tot een verhaal wordt gemaakt. Door te vertellen jezelf (opnieuw) uitvinden, jezelf een identiteit geven, en de bekende, ingesleten «werkelijke» identiteit afleggen.

Het is alsof de vertelsters naar een punt willen terugkeren waarop hun leven nog kneedbaar was. En door dan een andere weg in te slaan dan ze in de realiteit zijn gegaan, ontdekken hoe zij zich ook anders hadden kunnen ontwikkelen.

Frances en Isabel groeien op in een prettige omgeving: een landhuis in de bossen, voorheen een kuuroord. Welvarend en zorgeloos is het leven van de twee gezinnen die daar wonen, een leven vol spijs en drank en soms feest. Elk gezin heeft een dochter. Als zij elf jaar oud zijn wordt met een verschrikkelijke klap hun paradijs opgeblazen: de twee gezinnen krijgen een auto-ongeluk. «Een hert stak over. Bennie stond bovenop zijn remmen. Geert had net een grapje gemaakt en keek achterom of Jack en Laura er ook om moesten lachen. Het hert stierf stuiptrekkend op Bennies motorkap, Jack en Laura op die van Geerts auto. Glasscherven staken uit hun hoofd, een glimlach speelde om hun lippen. Het moet een goeie grap geweest zijn die Geert hun had verteld.»

Het leven van de meisjes breekt. Zoals voor het ongeluk was, zal het niet meer worden. Wie zij waren, zullen ze nooit meer zijn.

Het is meer dan tien jaar later, en Frances en Isabel zijn volwassen geworden. Ze blikken terug, vanuit een volgend breekpunt in hun bestaan: Isabel maakt een einde aan haar leven en Frances verstrooit bij het huis van haar jeugd haar as.

De verhalen over hun leven worden door Pam Emmerik om en om gepresenteerd, zodat we het verloop van de meisjeslevens van twee kanten kunnen bekijken. Nu en dan vertellen Frances en Isabel over dezelfde gebeurtenissen, maar op hun eigen manier. In hun eigen woorden, die soms dezelfde zijn als de woorden van de ander. Beiden hebben ze een enorme obsessie voor taal: «Taal is wat mensen levend maakt, taal drijft ons lichaam voort. Is dat niet precies wat leven is? Je voortdurend van de ene naar de andere plek spoeden om je verhaal te doen in de hoop dat iemand naar je zal luisteren?»

Zoals de meisjes gefascineerd zijn door de woorden en hun mogelijkheden betekenis te geven aan de wereld – of juist geen betekenis, of een geheel andere dan men verwacht –, zo geniet Pam Emmerik overduidelijk van de taal die ze schrijft; ze laat zien dat zij als kunstenaar én respect heeft voor het materiaal waarmee zij haar eigen wereld schept, én juist de vrijheid neemt om dat naar believen te manipuleren. Het is de terechte arrogantie van de grote schrijver: zoals een criticus zich niet dient te bemoeien met de auteur («Wellicht was het een sterker boek geworden als ze de eerste zestien hoofdstukken had weggelaten…»), zo moet de lezer niet bemoeien met het verhaal dat de auteur vertelt. Soms zijn de verhalen niet «af». Er zouden lezers kunnen zijn die dat vervelend vinden, die zouden klagen dat ze het boek niet «in» kunnen, dat het «gesloten» is, dat het verbeelde universum «ontoegankelijk» is. Het is maar hoe je het bekijkt, het is maar hoe je het leest. Emmerik heeft dat natuurlijk niet per ongeluk zo gedaan. Verhalen zijn misschien wel nooit af. «Een verhaal, dat is nooit het hele verhaal, alleen een poging iets te laten zien dat te kwetsbaar, te ingewikkeld is om rechtstreeks te tonen.»

Tegenover de onhandelbare en onbetrouwbare chaos van de realiteit staan de verhalen. Door die te vertellen wordt een wereld geschapen waarin het wél goed toeven is, die wel gekend kan worden, die wél van jou is. «De wereld als geheel was volkomen ongrijpbaar. Systeemloos. Van alles was te veel, alles was weer anders en viel nergens mee te vergelijken. Elke indeling was een laffe leugen.»

Tegenover die ongrijpbare wereld plaatst Pam Emmerik een «eindeloze opsomming van woorden om de veelheid van de wereld even aan te kunnen raken». Want: «De mens is een verteldier dat verzinsels najaagt. Luister naar mijn woorden.»

Niets liever. De wonderlijke en wonderschone vertellingen van Frances en Isabel, samengetoverd in Het bottenpaleis, vormen een overrompelende, ogenknipperend mooie roman.