Taal noch teken

Een schrijver die een envelop in de brievenbus vindt met het adres van zijn uitgeverij erop, door een medewerker netjes doorgestreept en doorgestuurd, moet altijd een beetje op zijn hoede zijn.
Het overkomt me gelukkig niet al te vaak, maar laatst was het weer raak. Een getypt velletje. Postpapier met watermerk. Postzegel en antwoordenvelop bijgesloten. De afzender meende een spelfout in mijn laatste boek ontdekt te hebben. En hij had geen antwoord gekregen op zijn laatste brief. ‘Taal noch teken!’ Ik zag dat het uitroepteken met een grotere spierkracht dan de overige letters in het papier was gehamerd.
Op iedere krantenredactie weten ze dat handgeschreven of getypte brieven weinig goeds voorspellen. Meestal zijn het vinnige betogen van vierduizend woorden, naar aanleiding van een kort berichtje, en anders zijn het wel die dichtbeschreven pagina’s waarin het geheim van de piramides eindelijk ontrafeld wordt, de aanwezigheid van buitenaardse wezens wordt aangetoond met duizelingwekkende diagrammen, en soortgelijke ontdekkingen die de afzender graag wereldkundig gemaakt ziet.
Ook wetenschappers worden ermee geplaagd.
Ik ken het geval van een wiskundige die volgens een hardnekkige briefschrijver geen recht zou hebben gehad op de hem toegekende Spinoza-premie. Of die wiskundige het geld even wilde overschrijven op de rekening van de briefschrijver, de wérkelijke ontdekker van de premie winnende wiskundige stelling. En elke maand een herinnering: ‘Je tijd is om!’
Ronald Giphart zou gedragen slipjes van tienermeisjes opgestuurd krijgen, Tommy Wieringa kreeg stapels foto’s opgestuurd van dames die poseerden met een sinaasappel tussen schouder en kin geklemd (zoals op het omslag van Joe Speedboot), en hoewel ik toch een naakte vrouw op het omslag van mijn debuut had staan, is mij nog nooit iets in die sferen toegestuurd.
Omdat dit boek over stalking ging, triggerde het een heel specifieke groep brievenschrijvers. Van een enkeling kreeg ik het complete strafdossier toegestuurd, alsof ik hun advocaat was.
Laatst na een openbare discussie – die zoals vaker over een mysterie als ‘de taak van de roman’ ging – kwam een oudere man me bij het signeren opzoeken. ‘U heeft niks gezegd over herkenning. Mensen lezen boeken omdat ze iets herkennen.’
‘Dat is inderdaad ook een interessant aspect. Daar hadden we het ook over kunnen hebben’, mompelde ik, gevolgd door iets verontschuldigends over de ‘altijd beperkte tijd’.
‘Nee’, sprak de man krachtig (ook hij leek me het type dat brieven schreef met nijdig ingehamerde uitroeptekens), ‘daar had je het over moeten hebben!’
Herkenning is inderdaad de crux. Je leest een boek, hebt het idee dat het speciaal voor jou is geschreven en ervaart daardoor onmiddellijk een hechte band met de schrijver, waardoor het vanzelfsprekend is dat je hem brieven schrijft. Je kent elkaar immers.
De langste handgeschreven brief kreeg ik voorafgaand aan een optreden overhandigd in een Belgisch plaatsje (Knokke of Dilbeek). De strekking: de man had mijn boek gelezen en bezwoer me ernstig: ‘Ik kan u helpen.’
Ik las de brief backstage, samen met Gerrit Komrij, die me leerde dat zulke brieven altijd in drie fasen komen. 1. Ik ben een groot bewonderaar van uw werk, et cetera et cetera. 2. Mag ik zo vriendelijk zijn eraan te herinneren dat u mijn laatste brief nog niet beantwoord hebt? ‘En fase 3 is dan: meneer Komrij, u bent een ploert! En uw werk heb ik ook altijd ploerterig gevonden!’
Ik borg het postpapier met watermerk op. Vaag herinnerde ik me de eerdere brief waarop ik ‘taal noch teken’ liet horen. Die brief kwam vlak vóór de betreffende roman verscheen, waarvan de briefschrijver wilde weten: ‘Hoe verdedigbaar is de keuze van Venetië als locatie? Uw oratio pro domo zie ik gaarne tegemoet.’ Dit omdat de afzender meende dat Gerard Reve ooit klaagde dat jonge schrijvers hun materiaal altijd ‘van ver haalden’, terwijl hun eigen straat al ‘vier Madame Bovary’s’ oplevert.
Wat zou deze man met zo’n oratio pro domo willen? Gratis een handschriftje vangen en dat aan het Letterkundig Museum verpatsen? Enfin, als de man ondanks de vermeende spelfout dat boek gelezen heeft, weet hij dat het overgrote deel in een Nederlands provincieplaatsje speelt, in mijn eigen straat zogezegd, met, voorwaar, een meisjespersonage waarin mogelijk een moderne Bovary huist. Dat kan ik beter niet te hard zeggen. Straks komt de briefschrijver nog op het idee dat ik naar aanleiding van zijn briefje die roman in de twee weken voor de publicatie volledig heb herschreven, zodat hij de rechtmatige eigenaar van mijn royalty’s is. Dan volgt dadelijk Fase Drie volgens Komrij’s systematiek. ‘Je tijd is om, ploert!’