Taal onder druk

Je als niet-jood op joods terrein begeven is vragen om problemen, zo bewijst de controverse rond het Jiddisje leesclubje maar weer eens. Justus van de Kamp, de niet-joodse initiator van de ‘Kreis’, zag de joodse Fred Bornstein de club resoluut de rug toekeren.

HET WAS ONVERMIJDELIJK. Hij studeerde geschiedenis en hield zich bezig met de jodenvervolging in de oorlog. ‘Mijn interesse ging uit naar bronnen voor de jodenvervolging vanuit de vervolgden zelf’, zegt Justus van de Kamp. 'Dat zijn vooral Jiddisje bronnen, dus moest ik mij het Jiddisj eigen maken. Een prachtige taal, viel mij direct op.’ Voor zijn studie reisde Van de Kamp regelmatig naar Polen. 'Er werd daar nogal wat onderzoek verricht naar de moeilijke perioden in de Poolse geschiedenis. Maar de onderzoekers bekeken vooral Pools materiaal, terwijl er zo veel oorspronkelijk Jiddisj materiaal te vinden is in Polen. Ik stuitte vaak op nog onaangeraakt Jiddisj materiaal.’
Van de Kamp vindt dat de joden het Jiddisj ontzettend hebben verwaarloosd. 'Vooral in Israel zie je de gêne voor de erfenis van de diaspora (het tussen andersdenkenden wonen van de joden buiten Palestina - jvc). Ze willen er niks mee te maken hebben. Voor een jood bevindt de levende joodse cultuur zich in Israel en die ontkent de Jiddisje cultuur. Bij het Jiddisj komt voor veel joden de ellende om de hoek. Jiddisj schrijnt en doet ze pijn. Maar voor mij was het alsof ik een diamant in de vuilnisbak had gevonden.’ Voor sommige joden, zo heeft Van de Kamp ervaren, is het een probleem als niet-joden zich met de Jiddisje taal bezighouden. 'Joden beschouwen het als hun erfenis. Ze hebben gelijk als ze zeggen dat er heel veel achter die taal zit dat je bij oppervlakkige omgang niet oppikt. Maar dat geldt voor elke taal en elke cultuur. Er wordt veel hocus-pocus gezocht achter dat Jiddisj. Alsof je alleen maar met joods bloed de zaak kunt begrijpen. Het is gewoon een taal met een grammatica en een achtergrond die je kunt leren en begrijpen als elke andere taal.’
Nadat ze aan de universiteit alle Jiddisje colleges hadden gevolgd, vonden ze hun niveau nog niet hoog genoeg. Een tiental afgestudeerde niet-joodse mensen ging bij elkaar rond de tafel zitten. De een sprak ook Pools, de ander een beetje Hebreeuws, de derde wat Middelhoog Duits en de vierde kende talmoedpassages uit zijn hoofd. Al lezende hielpen ze elkaar vooruit. Er zijn sinds 1988 stapels boeken gelezen. Vooral moderne Jiddisje literatuur: Sholem Aleichem, Mendele Mojcher Sforim en veel van Isaac Bashevis Singer en zijn broer Jutjut Singer.
OP EEN ZEKER moment hoorde Fred Bornstein ervan. 'Het leek mij leuk omdat ik zelf veel Jiddisj las, van huis uit al. Mijn ouders spraken Jiddisj. In dit land is er niemand, enkele oude personen daargelaten, die het Jiddisj als moedertaal heeft.’ Bornstein besloot er op een avond heen te gaan. Wat bleek? Het waren, op een enkeling na, allemaal mensen die geen band hadden met het Jiddisj, die niet eens joods waren. Bornstein: 'Hoe ze bij het Jiddisj waren terechtgekomen was vaak een vreemd verhaal. Ze hadden allemaal les gehad in joodse geschiedenis en deden daarbij wat Jiddisj voor beginners. Ze begonnen een leesclubje omdat ze de ambitie hadden meer kennis van de Jiddisje taal te verwerven. Met z'n allen gaat dat wat makkelijker, dachten ze.’
Bornstein had er moeite mee dat de 'Kreis’ vrijwel geheel uit niet-joden bestond. 'Jiddisj is voor mij een taal die sterk samenhangt met de afkomst, met het joods-zijn. Iemand die die afkomst niet heeft, kan het nooit volledig beheersen. Ik ben jood van Oost-Europese afkomst. Een Nederlandse jood zegt het Jiddisj al niks omdat zijn ouders dat nooit gesproken hebben. Laat staan als je in het geheel niet-joods bent.’ Voor Bornstein is het Jiddisj de taal van zijn familie. 'Het is voor mij emotioneel beladen. Mensen in het leesclubje hebben die historie niet en zij zien het meer als bezig zijn met iets als Latijn of Grieks.’
Na een paar avonden te hebben bijgewoond zei Bornstein er gewoon iets van. 'Ze reageerden er niet erg aardig op en ik heb toen mijn mond maar gehouden. Maar als zij Jiddisj begonnen te praten, irriteerde dat me. Zolang ze lazen vond ik het prima, maar dat spreken was veel te kunstmatig. Het is een rare gewaarwording. Wat je leest is zo verbonden met allerlei joodse rituelen en religieuze gebruiken. Voor iemand die die achtergrond niet heeft is het buitengewoon moeilijk om dat aan te voelen of zelfs maar te weten. Ze hebben hun best wel gedaan, maar het gevoel dat je voor een taal hebt is verbonden met je afkomst, omdat het anders een andere inhoud heeft.’ Spoedig had Bornstein er genoeg van en ging hij niet meer.
Justus van de Kamp en zijn leesclub zijn fanatiek vóór het Jiddisj. 'Er is nog steeds een neergang in de kennis van het Jiddisj. De oude, traditionele generatie die het spreekt is zo goed als uitgestorven.’ Tegelijk neemt volgens Van de Kamp wereldwijd bij academische buitenstaanders en bij ultra-orthodoxe joden de belangstelling voor het Jiddisj toe. 'De ultra-orthodoxen krijgen heel veel kinderen en spreken onderling Jiddisj. Op de kwaliteit van hun Jiddisj valt veel af te dingen, maar het is een niet te negeren verschijnsel.’
De opgaande lijn en de neergaande lijn zullen elkaar op zeker moment kruisen. Van de Kamp is ervan overtuigd dat er halverwege de volgende eeuw weer flinke groei in het Jiddisj zit. Voor zichzelf en de leesclub ziet hij dan ook een duidelijke taak weggelegd. 'We zitten nu in een bottle*== neck van die taal. Er gaat ontzettend veel idioom verloren. Terwijl het een taal is met een ontzettend rijk idioom. Prachtige uitdrukkingen en spreekwoorden heeft het. Maar het staat nergens opgeschreven, je moet de literatuur ervoor doorworstelen en mensen horen spreken. Ik probeer daarom veel van de kennis en het idioom van die taal over te brengen in een woordenboek. Zodat generaties later het weer kunnen oppakken. Ik wil het conserveren en beschikbaar houden voor joodse mensen in Nederland en elders.’
Fred Bornstein vindt dat het Jiddisj juist níet moet voortbestaan. 'Ik vind het niet erg als het Jiddisj uitsterft. Zo gaan de dingen. De bevolkingsgroep die het sprak bestaat niet meer. Het is dus een verloren zaak. Ik zie niet in waarom die taal met kunst en vliegwerk in leven gehouden moet worden. Dat is tegennatuurlijk. Dat het leesclubje het levend wil houden komt mij als merkwaardig voor.’ Anders dan Van de Kamp beweert Bornstein dat er ook helemaal geen sprake is van een Jiddisje revival. 'Dat Vassallucci een Jiddisje bibliotheek uitgeeft, wijst uit dat er belangstelling is voor de Jiddisje literatuur, niet per se voor de Jiddisje taal. De populariteit van de Jiddisje festivals is gebaseerd op sentiment. Het betreft iets wat vernietigd is, en daarom vinden mensen het interessant.’
Het Jiddisj opnieuw willen invoeren is haast een discriminerende daad, meent Bornstein. 'Het Jiddisj is in Israel niet zomaar onderdrukt. Het is onderdrukt omdat het een taal is die nare herinneringen aan de diaspora oproept. Meer dan de helft van de joden heeft die taal nooit geleerd. De meesten hebben Arabisch als achtergrond en niet Jiddisj. Het zou discriminerend zijn het Jiddisj opnieuw in te voeren. Vanuit integratie-oogpunt wil men dat niet. Bij het leesclubje vinden ze het een schande dat het Jiddisj in Israel is onderdrukt. Dat is gewoon kortzichtig.’
DE LAATSTE TIJD is het prestige van de diasporacultuur in Israel stijgende, meent Van de Kamp. 'Er is mondiaal sprake van een opleving. In Nederland zie je het in de uitspraak van het Hebreeuws. De Asjkenazische uitspraak van het Hebreeuws heeft een laag prestige. De moderne Hebreeuwse uitspraak heeft een hoog prestige.’ Natuurlijk, weet Van de Kamp, blijft er altijd iets met het Jiddisj verbonden waarover zelfs een Jiddisjist als hij maar beter zwijgen kan. 'Dat heeft er weer mee te maken dat het voor joden moeilijk is wanneer buitenstaanders zich met hun verleden gaan bemoeien. Ik heb op cursussen Jiddisj gezeten waar Duitsers de beste en fanatiekste leerlingen waren. Die bedoelen het goed, maar ik kan me voorstellen dat joden het moeilijk hebben. Maar ik ben toch geen Duitser!’