In Marokko

Taal voor het volk

Toen ik als postbode ging werken, 25 jaar geleden in Amsterdam, viel me pas de grote verscheidenheid aan brievenbussen op. Ik heb lang de gewoonte gehouden overal waar ik kwam in ieder geval óók naar de brievenbus te kijken.
In Marokko zijn andere obsessies gekomen. Eén is de taal, of ‘de taalkwestie’. Ik merk dat omdat het me opvalt hoe vaak daar iets over wordt gezegd. Piet Gerbrandy bijvoorbeeld, die schreef eind januari een stuk in dit blad over de Kamasoetra, waarin hij stelde: ‘Het boek is geschreven in het Sanskriet, net als het klassiek Latijn en het Attisch Grieks een geleerdentaal die eeuwenlang kunstmatig in leven werd gehouden voor religieuze, wetenschappelijke en bestuurlijke doeleinden.’
Dat deed me aan Marokko denken, omdat ik vind (obsessie) dat ook hier een taal kunstmatig in leven wordt gehouden, namelijk het standaard-Arabisch, dat niemands moedertaal is maar waarin niettemin kranten worden volgeschreven, op scholen wordt onderwezen, ambtenaren hun beleidsnotities schrijven, de Marokkaanse Philip Freriks het Journaal presenteert, de koning zijn speeches houdt. Omdat ik Nederlander ben, denk ik, heb ik dat vanaf het eerste moment vreemd gevonden: dat de taal die het volk spreekt eigenlijk nergens voor wordt gebruikt. Ja, alleen dus om te praten, thuis en op straat.
Het heeft onder meer als gevolg dat volkse ouders hun kleine kinderen geen sprookjes kunnen voorlezen, want in hun volkse taal wordt niet geschreven. Die kinderen moeten op school eerst standaard-Arabisch leren, en pas daarna kunnen ze zelf zo’n sprookjesboek proberen te lezen. De elitekinderen hebben dat probleem niet, want die worden Franstalig opgevoed.
Hier zei de 88-jarige Egyptische psychoanalyticus Moustafa Safouan laatst ook iets over. Hij was in Rabat ter gelegenheid van zijn nieuwe boek Pourquoi le monde arabe n’est pas libre? Hij vond dat ‘de huidige culturele armoede van de Arabische wereld’ onder meer toe te schrijven was aan een onderwijssysteem dat het standaard-Arabisch zalig verklaart, ten koste van de taal die door iedereen wordt gesproken. Het leek hem veel beter te onderwijzen in de moedertaal van de mensen, zodat die ‘een beetje respect voor zichzelf en voor hun taal krijgen’. Hij meende zelfs dat de scheiding tussen standaard- en volks-Arabisch ‘een enorme rol speelt bij het in stand houden van het despotisme van de Arabische regimes’. Het literaire, kunstmatig in leven gehouden Arabisch fungeerde in de ogen van Safouan als ‘taal van de kolonisator’.
De rol van het standaard-Arabisch in het huidige Marokko is vergelijkbaar met die van het Frans tijdens het protectoraat: een ‘officiële’ taal die door een elite wordt gebruikt, waar het volk amper bij kan. De Marokkaanse elite (die zelfs twéé half onbereikbare talen bezigt: Frans in de zakenwereld, standaard-Arabisch in het bestuur) is zo bezien kolonisator van haar eigen volk. Daar blijkt weer uit hoe feodaal deze maatschappij nog is (ook een obsessie).