Taaltesttoestel

Is een verplichting aangaan iets anders dan kopen? Dankzij een subtiele woordenwisseling in het JSF-besluit werd een kabinetscrisis voorkomen.

DE UNIVERSITEITEN zouden voor de aardigheid de vorige week door de regeringspartijen PVDA, CDA en ChristenUnie ingediende motie over het gevechtsvliegtuig, de Joint Strike Fighter, eens moeten gebruiken voor de eerstkomende taaltoets van hun nieuwe lichting rechtenstudenten. Dat zou een interessante testcase zijn. Te vrezen valt dat dan nog meer studenten zakken dan de 83 procent die vorig jaar aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit de toets al niet haalde.
De tekst van de motie is niet lang, slechts 213 woorden, inclusief de datum en de namen van de indieners, dus daar kunnen de studenten zich niet op stuklopen. Het probleem zal het woord verplichtingen zijn, ergens halverwege de tekst. ‘Taaltest oktober 2009, Vraag 5: Leg in je eigen woorden uit wat het verschil is tussen een verplichting aangaan en kopen?’ Als iemand antwoordt dat dat hetzelfde is, moet dat goed worden gerekend.
Omdat taal die is losgekoppeld van de werkelijkheid vergeet de echte kennis van een student te testen, moet de taaltoets als volgt verder gaan. ‘Vraag 6: Leg uit waarom hier gekozen is voor verplichtingen aangaan en niet voor kopen.’ Het zijn tenslotte rechtenstudenten, de mannen en vrouwen die in de toekomst contracten moeten kunnen doorgronden, inclusief alle verborgen uitvalswegen, inhaalbruggen of struikelpunten. Een beetje kennis van de context is dan nooit weg.
Op de dag dat PVDA-fractievoorzitter Mariëtte Hamer het compromis moest verdedigen dat in het woord verplichtingen zijn beslag kreeg, schreef professor Nederlands recht W.J. Zwalve op de opiniepagina van NRC Handelsblad een noodkreet over de taalkennis van zijn studenten. Dat de universiteiten die kennis willen gaan bijspijkeren, vindt Zwalve het overdoen van het werk dat eerder in de schoolopleiding van de eerstejaars had moeten gebeuren. Volgens hem is er sprake van debilisering op de universiteiten en worden het in plaats van centra van excellentie plaatsen waar incompetentie wordt gecultiveerd.
Op zijn website van de Leidse universiteit schrijft Zwalve: ‘Slechts degene die weet waarom een regel is zoals die is, heeft het recht zich met gezag uit te laten over de vraag of de regel zo moet blijven als die is.’ Dat slaat uiteraard op rechtsregels, maar in de politiek geldt het ook. Alleen wie weet waarom de regel in het regeerakkoord over de JSF is zoals die is, en dus ook de regels daarover uit de verkiezingsprogramma’s van CDA en PVDA kent, evenals de regels over de verplichtingen die door kabinetten al zijn aangegaan in 2002 en later, kan doorgronden waarom de motie van vorige week is opgesteld zoals zij is opgesteld.
Die motie is ingewikkeld, dat klopt, de schoonheidsprijs verdient ze niet. Maar een compromis tussen ja tegen de JSF en nee tegen de JSF is per definitie ingewikkeld. Zeker wanneer ook nog eens de context wordt meegenomen waarin CDA en PVDA opereren: een kredietcrisis met in haar kielzog een economische recessie, een tanend vertrouwen van de kiezers in de regeringspartijen en van de regeringspartijen in elkaar, en angst voor onbestuurbaarheid als na een kabinetscrisis bij verkiezingen de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders haar virtuele winst zou weten waar te maken, onbestuurbaarheid die de recessie en sociale onrust mogelijk zou verdiepen.
Anders gezegd, zit u te wachten op een kabinetscrisis waarbij de inzet uiteindelijk geweest zou zijn: de aanschaf van één testtoestel, type JSF? Zou u dan niet gezegd hebben: het is toch belachelijk dat een kabinet daarover valt?
Want zover had het CDA vóór vorige week al willen toegeven: één testtoestel kopen in plaats van twee en in 2010 geen definitief besluit nemen over de aanschaf van een hele vloot JSF-toestellen, dat kon over de verkiezingen van 2011 heen worden getild. De koop van dat ene toestel lag de PVDA-fractie echter tot en met vorige week woensdag al zwaar op de maag, dus liep de spanning in het kabinet op. Om er alsnog uit te komen, kwam toen die onmogelijke constructie waarin het woordje kopen vanwege alle politieke gevoeligheden niet meer mocht voorkomen. Zie hier het beknopte antwoord op Vraag 6.
Het besluit van vorige week luidt in gewoon Nederlands: het kabinet koopt nu formeel geen toestel, betaalt echter wel voor de bouw ervan, noemt dat een verplichting aangaan, bewaart het bonnetje van die aangegane verplichting en beslist volgend jaar of het testtoestel ook daadwerkelijk gebruikt gaat worden of dat het zijn geld terugvraagt.
Natuurlijk hoopt het CDA dat hiermee toch een stap richting aanschaf van een JSF-vloot is gezet. De PVDA op haar beurt hoopt dat andere opties voor de vervanging van de huidige F-16 in beeld blijven. Met een betere vergelijking tussen kandidaat-toestellen, waardoor meer duidelijkheid komt over de prijs en over de geluidsoverlast van de JSF, én met een dan op tafel liggende nieuwe studie over waar de Nederlandse defensie voor wil staan en wat voor materieel daarvoor nodig is, kan dan in 2012 besloten worden of het definitief de JSF moet worden. Of niet.
Maar de grootste winst van de opgelaaide discussie zou wel eens kunnen zitten in een opmerking van voormalig Commandant der Strijdkrachten Dick Berlijn. Die liet weten dat het aantal van 85 nieuwe toestellen niet per se nodig is. Dat aantal is een eigen leven gaan leiden, maar was oorspronkelijk slechts bedoeld voor de rekenmodellen.
Kijk aan, minder toestellen kan dus ook. Dat kan veel geld schelen, geld dat een kabinet in beter taalonderwijs kan steken. Niet alleen opdat rechtenstudenten dan voldoende hun taal beheersen om het ingewikkelde contract met de vliegtuigfabrikant te doorgronden. Maar ook opdat piloten, in de lucht of op de grond, de dikke aircrew manual volledig begrijpen. Geen overbodige luxe, welk toestel het ook wordt.