Taalverwildering

Robert Walser hechtte als geen ander aan zijn spontaniteit © Effigie Literary Photo Agency / HH

Het zou me niet verbazen als de geschiedenis zich herhaalt. Robert Walser werd in zijn tijd door zowat alle collega-schrijvers die ertoe deden bewonderd – door Kafka en Musil, Benjamin en Tucholsky – maar commercieel was zijn werk zacht gezegd geen succes. In 1906 was hij naar Berlijn getrokken met het voornemen zich er als beroepsschrijver te vestigen. In een paar jaar tijd schreef hij zes sterk autobiografisch getinte, hoogst eigenzinnige romans, waarvan er drie in de prullenmand verdwenen. De drie resterende raakten zijn uitgevers aan de straatstenen niet kwijt; daarna hielden zij het voor gezien.

Teleurgesteld keerde Walser terug naar zijn geboorteplaats, het Zwitserse Biel, waar hij naar eigen zeggen ‘aangename ervaringen met wandelen opdeed door bijwijlen van dit soort leven zo poëtisch mogelijk verslag uit te brengen’. Voortaan zou hij alleen nog kort proza schrijven, meer dan duizend titels, door hemzelf getypeerd als ‘niets dan delen van een lange, realistische geschiedenis zonder handeling’. De laatste 27 jaar van zijn leven, vanaf 1929, heeft hij in psychiatrische inrichtingen doorgebracht, waarvan de laatste 23 zonder nog een woord te schrijven.

Een eeuw later lijkt er niet veel veranderd. Nog steeds spreekt de ene na de andere literaire grootheid, van Sebald tot Coetzee, zijn bewondering voor hem uit; het lezerspubliek reageert, ook nog steeds, lauw tot ongeïnteresseerd. In 1978 vertaalde Hans Bakx, als eerste als ik me niet vergis, een reeks Walser-fragmenten voor Raster; kort daarna volgde Jeroen Brouwers met maar liefst vier boektitels, verrassend, aangezien Brouwers’ opvattingen over het schrijverschap diametraal tegenover die van Walser staan. In 2013 meldde zich een nieuwe vertaler aan het front: Machteld Bokhove, met hart en ziel verslingerd aan de geheimzinnige Zwitser. Zij deed het werk van Brouwers gedeeltelijk over en waagde zich zelfs aan de vertaling van Walsers ‘vierde’, verknipte en meest gedurfde roman, Der Räuber, die pas in 1972, zestien jaar na zijn dood, verscheen.

Walser is ongeremd openhartig, schreef in een roes en verbeterde nooit iets

En nu verrast zij met een prachtige vertaling van Walsers eerste, dikste, maar ook meest toegankelijke roman, De Tanners. Het omslag is een kopie van de oorspronkelijke Berlijnse editie – misschien een aanwijzing dat Bokhove vooral de geest van het origineel zo dicht mogelijk probeerde te naderen. En dat is geen eenvoudige opgave. We hebben bij Walser te maken met ‘een schijnbaar volledig onopzettelijke (…) taalverwildering’, schreef Benjamin al. Zijn stijl is geen stijl, laat staan een gebeeldhouwde stijl à la Brouwers, er is eerder sprake van een ongekanaliseerde taalstroom als uitdrukking van een ongekanaliseerd leven. Walser hechtte als geen ander aan zijn spontaniteit, hij is ongeremd openhartig, schreef in een roes en verbeterde nooit iets – ‘wat gaat er veel verloren als je het eerst langzaam moet keuren’ – Geschwister Tanner was in een week of zes voor de bakker; pas veel later ontdekte hij de voordelen van het herschrijven.

Dat zal de reden zijn voor zijn geringe populariteit: Walsers aantrekkingskracht schuilt primair in die taalverwildering, niet in een spannend verhaal of een ingenieuze intrige. De stof voor De Tanners ontleende hij aan zijn eigen levensloop omstreeks zijn twintigste; het gaat om een ontwikkelingsroman zonder ontwikkeling. Simon, zoals zijn alter ego heet, leidt een vagebonderend bestaan, hij wandelt doelloos rond en geniet met volle teugen van zijn vrijheid en van de natuur. Maar een landloper is hij niet. En een opstandige, onaangepaste, de wereld en haar bewoners verachtende heremiet of revolutionair nog minder.

Integendeel, Simon, deze ‘jongensachtige jongeman’, is een wonder van blijmoedigheid, een toonbeeld van optimistische, niet zelden euforische levenswil. Als hij al een afwijking heeft, zit die in zijn chronische opgewektheid. Al zijn inspanningen, voor zover dat woord niet te veel zelfverloochening suggereert, zijn erop gericht de mensen met wie hij van doen heeft net zo opgewekt te maken. Maar zich lang aan iets of iemand binden kan hij niet. En bang is hij nooit. Hij verafschuwt vakantie, zoekt voortdurend werk en prijst zichzelf daarbij onbeschroomd aan.

‘Ziet u, meneer, ik acht mezelf, zoals ik nu voor u sta, buitengewoon geschikt om boeken uit uw winkel te verkopen, zoveel als u maar kunt verlangen te verkopen.’ Maar na acht dagen kondigt hij, even opgewekt en zelfverzekerd, alweer zijn congé aan: ‘U heeft mij teleurgesteld, trekt u maar niet zo’n verwonderd gezicht (…), denkt u dat het er met mijn jeugd zo slecht voorstaat dat ik het nodig heb om die in een waardeloze boekwinkel te laten verkrommen en verstikken’ – enzovoorts, aan bladzijdenlange, introspectieve en hilarische monologen geen gebrek. Ook bij volgende baantjes laat hij zich met hetzelfde enthousiasme ontslaan – liefst ‘getuigschriftloos’ – als waarmee hij zich kort daarvoor heeft aangemeld.

Simon is een vat vol tegenstrijdigheden. Het ene moment prijst hij ‘de eenvormigheid’ van het ‘moderne leven’ als ‘mooi en diepzinnig’ en juicht hij om ‘dit verrukkelijke gebrek aan veeleisendheid’ van de kant van zijn werkgever, het volgende moment ervaart hij ‘het slome, gemakzuchtige leven […] als iets ondraaglijks’, irriteert de nutteloosheid hem en is hij ervan overtuigd dat je van lanterfanten dom wordt. Niettemin doet hij als geboren plattelander zijn best in de stad niet op te vallen: hij ‘moest bekennen dat hij zomaar wat liep en absoluut niets zocht, maar het leek hem opportuun om net als alle anderen zo’n zoekend en voorwaarts oprukkend gezicht te trekken om niet de net aangekomen, werkloze man voor te hoeven stellen’. Heerlijk proza. Ik kan er geen genoeg van krijgen.