Taalvulkaan

Volgens sommigen is Jeroen Brouwers zelf een wandelende aanklacht. Om al zijn scheldkannonades kwijt te raken heeft hij nu een eenmanstijdschrift opgericht: Feuilletons. ‘Ik schrijf alleen nog daarvoor en alles kan erin.’
Dit gesprek is een bewerking van het marathoninterview dat 2 augustus door de VPRO-radio werd uitgezonden.
JEROEN BROUWERS is een veelzijdig schrijver. Zelf noemt hij zich, net als Mulisch, een ‘oeuvrebouwer’. Elk genre in de literatuur wordt door hem beoefend en inmiddels zijn er zo'n 45 boeken van hem verschenen. Naast zijn Indie-romans als Bezonken rood, Het verzonkene en De zondvloed verschenen zijn brievenboek Kroniek van een karakter, essaybundels, zijn studie over zelfmoord in de Nederlandse en Vlaamse literatuur De laatste deur, en de Kladboeken, waarin onder andere zijn polemieken werden opgenomen.

Het werk van Jeroen Brouwers is gebaseerd op het materiaal van zijn leven. Zijn zeer persoonlijke en felle polemieken vormen een aanklacht tegen de oppervlakkigheid, de leugenachtigheid en het verval. Daartegenover verdedigt Brouwers consequent de schoonheid. En schoonheid staat, net als in de rest van zijn werk, voor oprechtheid, properheid van denken en ernst.
Wat is je eerste jeugdherinnering?
‘Dat is een herinnering uit tempo doeloe, nog voor de inval van de Japanners in de Indische archipel. In de tuin voor ons ouderlijk huis in Batavia zit ik op het stoepje. Ik zie mijn grootvader lopen. Op zijn rug gezien. Hij loopt naar het hek aan de straat en ik kijk naar zijn broek, hoe de plooien in- en uitvallen. Ik moet jonger dan twee jaar zijn geweest. Het is een dia in mijn hoofd en het blijft een belangrijke herinnering. Men zei dat mijn grootvader en ik als twee druppels water op elkaar leken, zowel uiterlijk als wat karakter betreft. Hij was musicus, pianoleraar. Hij maakte composities en was dirigent van het kerkkoor in Batavia. Mijn gevoel voor muziek heb ik van hem geerfd, al heb ik het nooit in praktijk kunnen brengen. Ik ben een latente muziekkenner.’
In 'Het vliegenboek’ beschrijf je hoe je als klein kind al besefte dat je schrijver was. Je kon nog helemaal niet schrijven, daar was je te jong voor, maar schiep wel een imaginair oeuvre.
'Wat je citeert is pas veel later opgeschreven, maar mijn opinie is dat men nooit schrijver wordt. Je bent het of je bent het niet. Mensen die zeggen: ik word schrijver, zijn het doorgaans niet. Als schrijver, als kunstenaar word je geboren. In die zin was ik schrijver, al beheerste ik de techniek nog niet.
In het Jappenkamp deed ik als kleuter indrukken op die niet echt tot me doordrongen maar later in verhevigde vorm terugkeerden. Als ik ze toen niet had opgeschreven, was ik neurotisch of gek geworden. Ik heb mijn eigen psychiater gespeeld en al die geemotioneerde indrukken opgeschreven, maar tegelijkertijd realiseerde ik me dat ik ze al geschreven had toen ik drie, vier jaar oud was.
Het imaginaire oeuvre kwam pas later. Op zesjarige leeftijd was ik een eenzaam jongetje: een beetje dromerig en wereldvreemd. Vaak dwaalde ik in het oerwoud dat vlak achter ons huis begon en waar zich een gebombardeerd huis bevond. Ik ging daar zitten nadenken en naar de vliegen kijken. Ik bedacht dat ik de schrijver van het niet verbeterbare boek over de vlieg zou worden. Het vliegenboek noemde ik het. Met een potloodje heb ik wat aantekeningetjes zitten maken in een opschrijfboekje. Op ethologische wijze noteerde ik alles wat ik vliegen zag doen. Of je dat schrijverschap moet noemen weet ik niet, maar het is wel een kenmerk van een verhevigde opmerkingsgave die ik nog steeds heb. Ik kan heel goed kijken.’
Een thema in jouw werk is het verloren paradijs uit je vroege kindertijd. Jouw jeugd heeft zich in Indie afgespeeld. Wat betekent Indie nu nog voor je?
'Mijn verloren paradijs beslaat de hele periode voor mijn derde levensjaar: de tijd waarin je wel bestaat maar nog geen enkel besef hebt van de taal. Waar de taal in je leven komt, begint het denken en op dat moment is het paradijs voorbij. Het dagelijks leven is vol zorgen, wrijvingen en verdriet…
Mensen uit Indie hebben twee karakters. Ik ook, al ben ik er weggegaan op mijn zesde. Vlagen van heimwee. Het is geen senti mentaliteit maar het besef dat je ergens anders vandaan komt. Ik woon weliswaar in Nederland, maar eigenlijk hoor ik in Indie. Intuitief heb ik het gevoel dat als ik er bijvoorbeeld heen zou gaan op vakantie, ik nooit meer terug zou keren. Het land zuigt zich aan mij vast of ik sterf er. Het is een vorm van heimwee die mensen uit indie gemeen hebben. Het is een tweeslachtigheid die invloed heeft op je karakter.’
IN 'HET VERZONKENE’, de roman waarin je het verloren paradijs uit je kindertijd het meest indringend hebt beschreven, heb je twee lijnen uitgewerkt. De jeugdherinneringen worden afgewisseld met polemische fragmenten over de actualiteit, die een contrast daarmee zou vormen. Het is gebruikelijk voor jou om meerdere verhaallijnen en genres door elkaar te vlechten, maar bij 'Het verzonkene’ is opvallend dat je bij de zesde druk de polemische fragmenten hebt geschrapt. Waarom vond je dat nodig?
'Op zeker moment is het paradijs voorbij en daarvoor in de plaats komt de verloedering en de zwaarte van het dagelijks leven. Grote delen van die Indie-fragmenten had ik al liggen en het leek me goed om het idyllische van de paradijselijke herinneringen af te wisselen met de wreedheid van de actualiteit. Indertijd vormde het een mooi geheel, maar toen de roman in aanmerking kwam voor een zesde druk, nam ik de tekst kritisch ter hand en het viel mij op dat de polemische fragmenten inmiddels achterhaald waren. Ikzelf begreep de actualiteit niet meer.’
Hoe komt het dat de polemieken die je los hebt gepubliceerd dan wel actueel zijn gebleven?
'In de roman is alles verfictionaliseerd. Mijn romans sluiten als puzzelstukken in elkaar en de polemische fragmenten in Het verzonkene hebben wel degelijk te maken met de idyllische herinneringen. Ik heb er een samenhangend mozaiek van gemaakt. Later echter bleken de historische feitelijkheden niet meer van belang en daarom heb ik die fragmenten geschrapt. Maar een polemiek over de een of andere misstand in de literatuur kan zijn geldigheid blijven behouden, omdat het gebaseerd is op feiten en bronnen die aangegeven zijn in voetnoten. Het hoeft niet vanzelfsprekend te verouderen en daarnaast is het een heel andere werkwijze. Je kunt van een polemiek een kunstwerk maken. Neem van Deyssel of Du Perron. Hun polemieken, net als de mijne over de jongetjesliteratuur in de jaren zeventig, hebben wel degelijk hun geldigheid behouden. Je hoeft alleen maar de namen van de opponenten te veranderen.’
HET IS OPVALLEND hoe dikwijls jouw werk commotie oproept. In 1982 ontstond er een heftige discussie over 'Bezonken rood’, het boek waarin de romanfiguur zijn jeugdherinneringen aan het Tjidengkamp beschrijft, een vrouwenkamp in Batavia waarin ook jongetjes werden geinterneerd. Er werd jou onder andere door Rudy Kousbroek verweten dat je de historische werkelijkheid had vervalst.
'Het was een zinloze discussie, want Bezonken rood is een werk van de verbeelding. Het heeft niets te maken met de historische werkelijkheid. Kijk naar de koningsdrama’s van Shakespeare - daar klopt ook niets van. Maar mij werd dat kwalijk genomen. Ik zou gelogen hebben, de feiten hebben gechargeerd. Maar als je de bronnen ernaast legt, valt dat allemaal erg mee. Ik heb bij het beschrijven van het Tjidengkamp veel gelezen en daarnaast heb ik een heleboel onthouden uit de verhalen van mijn ouders. Ik was mij ervan bewust dat het een heikel onderwerp betrof, waar ik voorzichtig mee moest zijn.
Alles wat ik beschreven heb heeft ook feitelijk plaatsgevonden. De gruwelen door de Japanners begaan. Niet per se in het Tjideng kamp, maar anders wel in Birma of China. Het lag in mijn bedoeling om duidelijk te maken dat de Europeanen in de Indische archipel veel leed is aangedaan door de Japanners, maar nooit heb ik de Japanse gruwelen in verband gebracht met de Duitse vernietigingskampen, waarin joden en andere bevolkingsgroepen werden uitgeroeid.’
Had de discussie die hierna losbarstte alleen met 'Bezonken rood’ te maken, of roep jij die om de een of andere reden ook op?
'Het is ongetwijfeld zo dat ik die discussie zelf heb opgeroepen omdat mijn toon doorgaans nogal doordringend is. Het is een bepaalde hartstocht die ik bezit. Ik heb de neiging de dingen met een bepaalde nadruk voor te dragen omdat ik iets wil uitleggen. Als ik praat - zoals nu met jou -, dan verhevigt mijn stemgeluid zich en dat is kennelijk on-Hollands. Ik vind het niet nodig om te relativeren als je een groot onderwerp of een groot gevoelen wenst te beschrijven.’
JE KWAM NA HET Tjidengkamp in Nederland en werd vervolgens door je ouders naar een paar buitengewoon strenge kostscholen gestuurd. Je was rebels, hield je niet aan de regels en je ouders zagen geen andere oplossing. Heb je ze dat kwalijk genomen?
'Na de oorlog kwamen mijn ouders to taal berooid in Nederland aan en ze waren radeloos. In Indie welgesteld, gelukkig getrouwd - dit alles was met een bijl kapotgeslagen door de oorlogsomstandigheden. Wat moesten ze doen? Mijn vader was niet zo jong meer en moest een baan zoeken. Mijn ouders hadden niet zo veel tijd meer voor de opvoeding van de kinderen en hebben ze ten slotte weggemoffeld op kostscholen. Eigenlijk ben ik de enige die daar zo onder geleden heeft.
Ik voelde me een jeugddelinquent. Er werd op die kostschool verschrikkelijk ge mept - niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk. Er is bij mij een katholieke moraal ingeheid die mij lange tijd gebukt door het leven heeft doen gaan.
In het jappenkamp was er een grote band tussen mijn moeder en mij. “Wij laten elkaar niet in de steek, he mama?” “Nee lieverd, natuurlijk niet, ik blijf altijd bij je.” En dezelfde moeder doet dat kind vervolgens op een kostschool die veel afschuwelijker is dan het hele jappenkamp. In mij heeft dat een soms heel grote en nog oplaaiende wrok jegens mijn ouders opgeroepen. Dat hadden ze mij godverdomme niet moeten aandoen.
Als jongetje heb ik gezien hoe mijn moeder werd afgeranseld, kaalgeschoren en middagen lang op het plein in de hitte moest staan. Altijd bleef ik op de een of andere manier bij haar in de buurt. Ik keek om hoekjes of ze er nog was, probeerde haar te troosten met gekke smoelen om haar aan het lachen te maken. Me dunkt, dat is een daad van solidariteit geweest. Alleen bleek dat een paar jaar later helemaal vergeten te zijn en deed ze mij frustraties en ontgoocheling aan door mij op een kostschool te plaatsen.’
Je hebt je mulodiploma in Delft gehaald.
'Dat is een drama geweest. Op de lagere school was ik een knap jongetje met alleen maar negens en tienen. Mijn ouders kregen het advies mij op het gymnasium te doen, maar ik zat nog steeds op het internaat. Een missiehuis, een variant van het seminarie, waar priesters werden opgeleid om missionaris te worden, maar dat had men mij helemaal niet verteld. Een afschuwelijk misverstand. Ik heb mij zo misdragen dat ik er binnen een paar maanden af werd gestuurd en mijn ouders hebben me daarna op een mulo geplaatst. Ik geloof dat ik er zeven jaar over heb gedaan. Tegelijkertijd wilde ik mezelf ontwikkelen, schrijver worden. In plaats van mijn best op school te doen heb ik de openbare bibliotheek in Delft letterlijk van A tot Z doorgenomen. Pak maar een boek en begin, al gaat het je pet te boven.’
JE BENT DUS een autodidact. Wat betekent dat in praktisch opzicht voor jou?
'Je weet dat je als een nijvere hobbyist wordt gezien. Het impliceert dat je geen enkele fout mag maken. Al je citaten en bronvermeldingen moeten kloppen, want anders vallen ze je erop aan. Zie je wel dat het een beunhaas is! Je bent dus veel ernstiger en conscientieuzer dan de wetenschapsbeoefenaar en dat is juist weer een van de zegeningen van het autodidactschap. Ik sta mijzelf geen fouten toe en als ik een fout heb gemaakt, schaam ik mij. Dan kan ik niet slapen.’
Na je schooltijd kwam je bij de marine om je dienstplicht te vervullen. Hoe kwam je bij de Marine Inlichtingen Dienst terecht?
'Ik bleek toch een uitblinker te zijn. Na drie maanden marcheren, tucht en dril zou ik als matroos worden overgeplaatst naar een schip in Den Helder. Ze plukten me zomaar uit de rij en na een gesprek met een hoge pief in Den Haag werd ik ingedeeld bij de Marine Inlichtingen Dienst. Het was weer zo'n situatie die ik absoluut niet kon overzien. Pas later, toen ik poltiek bewust werd en koos voor de linkse, anarchistische kant, schaamde ik mij gek dat ik me daarvoor heb geleend. Het was begin jaren zestig, tijdens de Koude Oorlog. Er werd jacht op communisten gemaakt en je werd opgeleid om ze te herkennen. Ik was veel te naief om het te doorzien. Je moest in dienst, weigering kwam niet voor, daar had je nog nooit van gehoord.
Je leerde bijvoorbeeld volgtechnieken. Ga naar het Centraal Station in Amsterdam en om half tien komt er een man naar buiten, gekleed in een bruin pak met een gele das. Volg die man. Jongensflauwekul. We kregen een cursus vermommen, compleet met pruiken en baarden, en je leerde je als vrouw te verkleden, want dat was nuttig bij het onopgemerkt gadeslaan van Russische onderzeeboten in de haven. Bizarre onzin allemaal.’
De aanklacht is in jouw werk sterk aanwezig. Veel polemieken waarin je je opwindt over leugenachtigheid, het verval in de politiek of in het literaire bedrijf. Jij verdedigt de schoonheid. Niet alleen schoonheid in esthetische zin, maar vooral als metafoor voor de oprechtheid, de properheid in het denken, de zuiverheid in het handelen. Jouw polemieken zijn aanklachten tegen een ieder die het verval propageert. Ze vormen dan ook een eenheid met de rest van je werk en worden ten onrechte door veel mensen daarvan los gezien.
'Ja god, ik moet daarmee leven. Dat hoort bij een van de facetten van de eenzaamheid van de schrijver, je wordt soms niet begrepen.
Natuurlijk zijn mijn polemieken van een uitzonderlijke felheid. Ik maak me soms oprecht kwaad en die vulkanische taal komt vanzelf op papier te staan. Maar de properheid van denken hoort ook bij het wezen van de polemiek - althans wel zoals ik die voorsta. Lieg nooit, kom met citaten en bronnen. Het is moeilijk om zo'n polemiek te weerleggen, dus er komt nooit een reactie op de argumenten of de kern van de kwaadheid zelf. In die zin wordt het los gezien van mijn andere werk. De polemieken komen voort uit mijn levensinstelling, het is wat ik in alle oprechtheid meen en denk.
Natuurlijk zijn het ook kanonnades, het is een vorm van oorlogvoering, maar tegelijkertijd zijn het autobiografsche geschriften, omdat ze altijd over mij gaan. Ik vind iets en zie dat degene die ik aanval zich er met een jantje-van-leiden van af probeert te maken, de zaak verraadt of zo je wilt de schoonheid van denken geweld aandoet. Dat is wat mij verontwaardigd maakt en aan het polemiseren zet.’
In die zin ben je dus eerder een moralist dan een estheet.
'Exact. In bepaalde opzichten ben ik een moralist. Ik zie dat iets naar de verloedering gaat en dat wil ik niet.’
Jouw correspondentie, verzameld in 'Kroniek van een karakter’, wordt door sommigen beschouwd als het beste wat je ooit geschreven hebt. Voor je romans, die in hoge mate geconstrueerd zijn, werk je soms een hele dag aan een alinea, terwijl je brieven spontaan worden geschreven. Hoe belangrijk zijn die omvangrijke briefwisselingen met vrienden in jouw oeuvre?
'Na de publikatie van Kroniek van een karakter correspondeer ik niet zo veel meer, omdat ik al brieven schrijvende het gevoel kreeg deel drie samen te stellen. De spontaniteit was weg. Ik correspondeer nog met hooguit drie mensen. Verder beantwoord ik alleen de post die binnenkomt.
Tien jaar geleden beschouwde ik het schrijven van brieven als ontspanning. Als ik ’s/avonds moe was, schreef ik een brief en verbaasde ik me er weleens over dat alles meteen zo goed op papier stond. Kernachtig, treffend, geestig. Als ik op dezelfde manier romans zou schrijven, geloof ik niet dat ik er voldoening van zou hebben. Maar als je beschikt over schrijftalent en je beoefent het vak al zo lang als ik doe, mag je weleens morsen met je talent. Na dertig jaar schrijven beheers je het ambacht en ben je in staat alles te schrijven wat je wilt.’
Polemieken werden traditiegetrouw in literaire tijdschriften afgedrukt. Inmiddels publiceren de meeste literatoren hun essays of polemieken in dag- en weekbladen. Wat is de functie nog van het literaire tijdschrift en waarom heb je de beslissing genomen zelf het blad Feuilletons op te richten?
'Wil je tegenwoordig een nieuw literair tijdschrift beginnen, dan moet je diep nadenken. De tijd is voorbij dat je een tijdschrift kunt maken dat bestaat uit de oogst die een uitgever toevallig in zijn brievenbus aantreft.
Het klassieke literaire tijdschrift is overbodig geworden en ik voel mij daar ook niet meer in thuis. Je kunt net zo goed je stukken bijeenbrengen in een eigen tijdschrift. Het eerste proefnummer van Feuilletons is zojuist verschenen, dat is om aan te ruiken, en het echte eerste nummer verschijnt in november. Ik schrijf het zelf helemaal vol. Om de pakweg twee jaar placht ik een essaybundel uit te geven onder de algemene titel Kladboek; bij mijn nieuwe uitgever zet ik dat samenbrengen van teksten voort, maar nu in de vorm van een tijdschrift. Het is een andere manier van werken. Je kunt je hele schrijfwezen richten op het vullen van dat ene tijdschrift. Ik schrijf alleen nog daarvoor en alles kan erin.’
JOUW OEUVRE is een eenheid, waarin alles naar alles verwijst. Je bevestigt thema’s door ze in verschillende romans te herhalen. Je maakt gebruik van het materiaal van je eigen leven. In zo'n geval ligt mythevorming voor de hand. Welke mythe is er over jou ontstaan? Is dat niet het idee van de schrijver Jeroen Brouwers als diepongelukkig persoon?
'Het beeld dat ik van mijzelf geef in mijn werk is vrij compleet. Het is een eindeloos werk in uitvoering. Maar de mythen die er over mijn persoon bestaan, zijn veel oppervlakkiger dan jij schetst. Dat ik ongelukkig zou zijn? Waarin verschil ik daarin van welk ander levend wezen? We zijn toch allemaal diep ongelukkig! De mythen rondom mij zijn in werkelijkheid anders. Jeroen Brouwers zou een nurkse, vervelende, chagrijnige, kwade man zijn met wie niet te praten valt. Brouwers is nooit tevreden. Hij moet altijd zeiken, altijd kankeren. Maar dat is een mythe, het is niet waar. Ik voel mijzelf een beminnelijk mens. Vriendelijk, hartelijk en hoffelijk van aard.’
Jij hebt vaak over jezelf gezegd: 'Ik ben cholerisch, maar niet rancuneus van aard.’ Uit jouw correspondentie blijkt dat je je in vriendschappen gedwongen voelt alles onder woorden te brengen. Elke ergernis of kwaadheid wordt direct geuit.
'Het is een eigenschap die mij weghoudt van de psychiater. Je zou kunnen zeggen dat ik daaraan mijn redding te danken heb. Ik ben cholerisch van aard: driftig, kwaad en snel geergerd, en ik kan dat meteen uiten, waardoor ik het kwijt ben. Ik ben niet rancuneus. Ik zanik nooit door en heb het niet nodig om ergens een levenszaak van te maken.’
Ik kan me voorstellen dat het gemak waarmee jij je kwaadheid verwoordt, bij anderen wel degelijk rancune oproept.
'Natuurlijk wekt het weleens verdriet bij anderen, maar je maakt niet zomaar ruzie met iedereen. Het is altijd met een geliefde of met iemand dicht in de buurt. Zulke mensen ken je intussen zo goed dat ze over het inzicht en de wijsheid beschikken om te zeggen: “Laat maar. God, die zeikerd heeft weer eens een bui.” Het wekt nooit bestendige wrok op.’
Uit jouw werk blijkt dat je zeer romantisch van aard bent.
'Ik ben een groot romanticus. Nog altijd vanuit het diepst van mijn gemoed. Ik denk dat het mogelijk is om gelukkig te zijn. Wij zijn allemaal op zoek naar geluk. Het is mogelijk om de nooit kapotgaande liefde te vinden of een onsterfelijk meesterwerk te schrijven. Ondanks al mijn cynisme en wantrouwen geloof ik daar nog steeds in.’
Jij hecht grote waarde aan trouw in relaties, vriendschappen. Is dat ook een vorm van romantiek?
'Jazeker. Er is niet een relatie geweest in mijn leven die ik ontrouw ben geworden. Je huwelijk kan kapot gaan, een liefde verloren, maar niettemin blijf ik belangstellend. Bellen, vragen of ik iets voor iemand kan doen. Er is niemand die mij uit haat niet meer wil spreken en alleen al uit dat feit spreekt mijn trouw.’
JOUW LEVEN KOMT vervormd terug in je werk. Wat beschouw jij als wezenlijker: je prive-ervaringen of de fictie waarin die ervaringen later zijn gegoten?
'Een schrijver leeft zijn leven twee keer. De eerste keer maak je mee wat beschreven moet worden, en de tweede keer beschrijf je wat je de eerste keer hebt meegemaakt. De tweede keer is wezenlijker, want dan zijn de emoties bezonken. Al jaren heb ik een roman in mijn hoofd, gebaseerd op werkelijk gebeurde feiten, maar het zijn de feiten die ik niet kan gebruiken. Je laat die ervaringen dus eerst bezinken. Hoe kan ik het vervormen tot fictie? Maar op het moment dat je er eenmaal fictie van hebt gemaakt, heeft het nauwelijks nog iets met je autobiografie te maken. Het uiteindelijke kunstwerk is het enige wat grijpbaar is. Ik beweer zelfs dat ik nog nooit een strikt autobiografische tekst heb afgeleverd.
Maar naarmate een oeuvre persoonlijker is, zoals bijvoorbeeld het mijne, geef je als schrijver meer van jezelf weg. Op een goed moment geef je zoveel van jezelf weg dat je jezelf als persoon uitgumt. Met schrijven heb ik een zin aan mijn leven gegeven. Het is een vorm van onsterfelijkheid. Het feit dat je geleefd hebt dient bevestigd te worden na je dood.’
Je bent nu zesenvijftig jaar en hebt vaak verklaard niet ouder te zullen worden dan eenenzestig, omdat je vader op die leeftijd stierf. Hoe sta jij tegenover leeftijd en ouderdom?
'Ik vind het wel een mooie gedachte om op mijn eenenzestigste te sterven, want dan heb ik in ieder geval in twee millennia geleefd. Maar tegelijkertijd moet je zo'n uitspraak zien in het licht van mijn werk. Wie weet word ik wel tachtig.
Toen ik zestien was voelde ik mij dertig, en op mijn dertigste voelde ik mij vijfentachtig. Vroeger was ik een vroegrijpe jongen die op zijn zestiende al dingen begreep waar vele leeftijdgenoten nog niet aan toe waren. Geruime tijd is dat zo gebleven. Op mijn dertigste was ik weliswaar een domme eend, maar toch ver vooruit in mijn gedachten. Ik realiseer me dat ik voor het eerst de leeftijd heb bereikt die samenvalt met mijn gevoel erover. Het klopt, ik ben zesenvijftig.’