Taboe

De PvdA is bang dat haar achterban wegloopt zodra ze alleen al zou praten met de VVD over versobering van het basispakket in de zorg. Toch moet zo’n gesprek geen taboe zijn.

Dit wordt glad ijs. De kans is groot dat pvda-senator Marleen Barth komt met het verwijt dat ik hier niet over mag schrijven. Net als de economen bij het Centraal Planbureau ben ook ik geen dokter en volgens Barth mogen alleen artsen zich uitlaten over het basispakket in de zorg.

Maar als de totale zorgkosten maar blijven stijgen, mogen toch ook niet-artsen zich afvragen of die kosten een te groot deel van het inkomen opsouperen? Dat is geen medische vraag, maar een maatschappelijke. Als het antwoord op die vraag dan bovendien ja zou zijn, mogen ook niet-artsen zich de vervolgvraag stellen hoe die kostenstijging te verkleinen is. Het bij voorbaat schuwen van een mogelijkheid tot kostenmatiging en vooral het diskwalificeren van degenen die die opperen met als argument dat ze geen dokter zijn, is een politicus onwaardig.

Blijkbaar had Barth geen inhoudelijker argument toen het cpb vorige week met een rapport kwam over de stijgende zorgkosten en daarin onder meer opperde dat het basispakket van onze ziektekostenverzekering kleiner zou kunnen. Dat laatste is voor Barth taboe. Wat iets anders is dan er met argumenten omkleed tegen zijn, want dat is juist waar politiek om draait. En waar het cpb ook niet in treedt.

Dat de stijgende ziektekosten de ‘rest’ van ons leven beïnvloeden, werd afgelopen zaterdag goed uitgelegd door een beleidsmedewerkster van het budgetinstituut Nibud in een artikel in de Volkskrant. Zonder dat deze medewerkster zich overigens in de felle discussie wilde mengen over het cpb-rapport. De Volkskrant had onderzocht hoe het staat met het maximale bedrag dat Nederlanders kunnen lenen voor de hypotheek van hun huis. Voor dit jaar is dat maximale bedrag sterker gedaald dan in voorgaande jaren: modale inkomens kunnen in 2013 vijf procent minder lenen, hogere inkomens negen procent. Hoe dat komt? Doordat dat maximale hypotheekbedrag is gebaseerd op onze koopkracht en die staat onder druk. Inderdaad, vooral vanwege de stijgende zorgkosten.

Eigenlijk is het simpel en dat is ook wat het cpb de samenleving probeert voor te houden: het steeds grotere bedrag dat we uitgeven aan zorg kunnen we niet besteden aan bijvoorbeeld huisvesting of opleidingen. Beide overigens niet geheel toevallig ook uitgavenposten waarop we in Nederland – net als bij de zorg – solidair proberen te zijn, zodat er sociale woningbouw is voor mensen met een lager inkomen en jongeren ongeacht het inkomen van hun ouders kunnen studeren.

Als we Barth in haar redenering zouden volgen, zouden het dus uitsluitend de artsen zijn die uiteindelijk bepalen hoeveel we van ons gezamenlijke inkomen overhouden om nog te kunnen uitgeven aan wonen en studeren. Artsen zijn in haar ogen immers de enigen die mogen meepraten over de zorgkosten. Maar was het niet juist haar eigen pvda-partijleider, Diederik Samsom, die tijdens de verkiezingscampagne zijn nek uitstak omdat artsen hem hadden gevraagd de maatschappelijke discussie aan te zwengelen over het ingewikkelde vraagstuk welke medische handelingen in de laatste levensfase nog zinvol zijn? Uiteraard heeft die discussie ook te maken met de hoge ­zorgkosten in de laatste levensfase. Dat was dan ook waarom Samsoms pleidooi meteen werd gehekeld. Maar de discussie moet gevoerd worden omdat deze gaat over de kwaliteit van leven in die laatste fase. En ook daar gaan niet alleen de artsen over.

De pijn voor Barth zat ’m in de optie uit het cpb-rapport om de stijging van de zorgkosten in te dammen door het basispakket te verkleinen. Dat zou tot gevolg hebben dat rijkeren in staat zijn soorten zorg of luxere zorg te kopen die voor de minder rijken dan niet meer bereikbaar zijn. Terwijl de minder rijken, veelal de lager opgeleiden, juist degenen zijn met de slechtere gezondheid en daarmee de hoogste zorgkosten. Dat is dan ook waarom de discussie die het cpb aanzwengelt politiek zo gevoelig ligt.

Die gevoeligheid wordt nog eens versterkt door het vraagstuk dat vervolgens opdoemt: zijn die hogere zorgkosten het gevolg van een andere, minder gezonde levensstijl of van zwaar werk en andere, minder gunstige maatschappelijke en mogelijk ook genetische omstandigheden? Binnen de kortste keren ben je dan niet alleen verzeild geraakt in een politieke discussie, maar ook in een filosofische. Is vet en veel eten of te veel roken en drinken een kwestie van vrije wil of niet?

Wie voor de vrije wil kiest, moet bedenken dat hij de solidariteit tussen hoog- en laag­opgeleiden onder druk zet. Want waarom zouden de eersten meebetalen aan de gevolgen van een slechte levensstijl van de laatsten! Dat er helemaal geen vrije wil bij zou komen kijken, is echter ook niet zo’n aanlokkelijke gedachte. Ook voor pvda’ers niet.

Natuurlijk is de pvda bang dat haar achterban massaal overloopt naar de SP, zodra de sociaal-democraten alleen al het gesprek met hun coalitiegenoot vvd aan zouden gaan over wat er soberder zou kunnen in het basis­pakket. Want de vvd heeft daar wel oren naar. Toch moet zo’n gesprek geen taboe zijn. Al was het maar omdat daaruit ook het tegenovergestelde naar voren zou kunnen komen. Dat de antirookprogramma’s in het huidige basispakket hoge toekomstige ziektekosten voorkomen. Dat de dyslexiezorg jongeren helpt bij hun opleiding en daarom goed is voor de arbeidsmarkt. Dat drie uur dieetadvies bijdraagt aan een gezonder leven. De pvda moet daarom ook niet net doen alsof een soberder basispakket meteen om leven of dood zou gaan.

Uiteraard kan de politiek ervoor kiezen het basispakket onaangetast te laten. Wat het cpb voorstelde was een van de opties. We kunnen ook de premie voor de stijgende zorgkosten blijven betalen en deze eveneens solidair blijven verdelen. Maar ook daar zitten negatieve kanten aan. De kernvraag is dan ook: klopt het wel dat onze gezondheid boven alles gaat?