Ger Groot

Talamanca

Ergens tussen 16 en 18 augustus 1966 noteert de Roemeens-Franse denker Emil Cioran: ‘Iedere té verbeten wil brengt een tragedie voort.’ Hij is dan met vakantie op Ibiza; het aantekenschrift dat van zijn verblijf bewaard is gebleven werd in 2000 als Cahier de Talamanca gepubliceerd. Het getuigt afwisselend van afkeer en aarzelend geluk op een eiland dat ook dan al aan toerisme ten prooi lijkt te vallen.

Voortdurend beklaagt Cioran zich over de herrie van overkomende vliegtuigen die, zo schrijft hij, een einde had gemaakt aan de douceur de vivre van de plaatselijke bewoners. ‘Voorheen verdienden ze weinig, maar hadden geen behoeften; nu hebben ze er veel, die bevredigd moeten worden. [De] herrie [is] de prijs die de autochtonen betalen voor het verkregen voorrecht te kunnen eten zoveel als ze willen.’

Dertig jaar later klinken dergelijke overwegingen niet vreemd in een Roemenië dat in veel opzichten op hetzelfde kruispunt van wegen staat als het Spanje van de jaren zestig. Sibiu, de Transsylvanische stad van Ciorans jeugd, mag zichzelf in 2007 culturele hoofdstad van Europa noemen. Ter gelegenheid daarvan was het jaarlijks terugkerende colloquium rond de beroemdste schrijver van de stad vorige week extra opgetuigd. Terwijl op het gerestaureerde centrale plein de geluidsinstallatie voor een jazzfestival bonkend werd getest, bogen in de barokke Astra-bibliotheek waar hijzelf zijn klassieken nog gelezen had de Cioran-kenners zich over de finesses van zijn werk.

Vermoedelijk zou Cioran zich met bijtende ironie gekeerd hebben tegen de gedachte aan een verenigd Europa. De teloorgang van zijn interne verschillen en de gedachte van een overkoepelende harmonie zouden hem als respectievelijk schrik- en waanbeeld zijn voorgekomen. De terreur van een te zelfverzekerd pact tussen wil en rede heeft hem in de historie, niet in de laatste plaats die van de verlichte Franse republiek, meer dan eens gelijk gegeven.

Maar, zo moet hij in zijn aantekeningen op Ibiza toegeven, ook een te ver doorgevoerde scepsis is niet gevrijwaard van tragiek. Het eigene van die laatste is nu eenmaal dat men zich nooit bij voorbaat behoed kan weten voor de catastrofe – en al helemaal niet in een scepsis die zichzelf op haar beurt tot geloofsartikel maakt.

Onverwacht werd dat tegen de sluiting van het colloquium bevestigd door een proteststem uit het publiek, die in dit internationale, Franstalige treffen een groter aandeel voor het Roemeens opeiste. De nu al in het land opstekende euroscepsis gaat gemakkelijk samen met een nationalisme dat van zijn kant geen twijfel kent. Het felle weerwoord van de aanwezige studenten tegen deze interruptie van verongelijkte trots getuigde van een cosmopolitischer gevoel, maar kon de ongemakkelijke herinnering eraan niet wegnemen.

Het lijkt of Cioran die dubbelzinnigheid op Ibiza zelf voorvoelde. Op wat toen nog de rand van Europa was, zocht hij een Spaanse geest die hij, net als zijn lievelingsschrijver Miguel de Unamuno, allereerst als een on-Europese geest zag. Toch had ook hij zijn woonplaats gezocht in wat sinds eeuwen de hoofdstad van diezelfde luciditeit geweest was: Parijs. In de geesteswereld van de Lumières zocht hij zijn literaire en filosofische habitat. De stijl van de achttiende eeuw werd de zijne, net als het vocabulaire ervan en de wil tot ontmaskering die onder ieder pathos de ontnuchterende werkelijkheid zag en deze in luttele woorden wist uit te drukken.

In Spanje meende hij de tegenhanger daarvan te hebben gevonden. De Spaanse ziel moest de luciditeit behoeden voor de verleiding van een té overtuigde wil de wereld te veranderen – en dus voor de tragedie klaar te maken. Misschien stond de door beginnende projectontwikkeling vernietigde kustlijn van Talamanca model voor die vooruitgang, die zichzelf evenzeer het liefst als een project ziet. De flukse wijze waarop de Europese Unie zichzelf ter hand genomen heeft, lijkt daarvan een nieuwe incarnatie. Ingericht op rationele basis, met voorbijzien aan de heilzame traagheid der dingen en onherleidbare andersheid van wat voorbij haar eenheidsdenken ligt, dreigt zij soms af te stevenen op een monoculturele indifferentie die alle scepsis rechtvaardigt.

Maar daarmee is zij evenmin ontkracht als het Franse republikanisme – vrucht van de Lumières en al even universalistisch van aard – zich na het Schrikbewind definitief in diskrediet gebracht zag. Ook Cioran keerde, na zijn hart te hebben opgehaald op de rand van Europa, weer naar het hart van zijn luciditeit terug – twijfelend en wantrouwig als altijd. Op 22 augustus, vlak voor zijn vertrek, tekende hij aan: ‘Er zijn ideeën die alleen maar gewicht hebben wanneer men de goede smaak heeft ze niet uit te diepen; zodra ze kunnen worden ontwikkeld, verklaard, gefundeerd, verbrokkelen zij en tonen zij hun nietigheid.’