Sport bestaat niet (meer)

Talent is overschat

Waarom kijken we nog zo massaal naar sport, nu doping, geld en wetenschap haar van alle glans en menselijkheid hebben ontdaan? Straks wordt de topsporter een man van zes miljoen, die we sterker, sneller en beter kunnen maken.

Medium groene doping martelaar iii

Fabian Cancellara heeft de beste bijnamen van het profpeloton. Spartacus. De beer van Bern. Tony Montana. Hij heeft lang haar, lijkt op een jonge Clint Eastwood, mager en streng. Dit najaar gaat de Zwitserse renner met pensioen, op zijn 35ste, wat vroeg is, want hij is nog altijd in topvorm. Hij won goud op de Olympische Spelen van Peking, reed in verschillende Tours in het geel, hij won in 2010 en 2013 zowel de Ronde van Vlaanderen als Parijs-Roubaix, de ‘Hoogmis van het wielerseizoen’. Er zal niemand zijn met verstand van wielrennen die hem niet in zijn top-vijf zou noemen van beste klassiekerrenners aller tijden.

Voorjaarsklassiekers zijn anders dan gewone etappes, zoals in de Tour. Ze zijn langer, rond de 240 kilometer. Ze zijn redelijk vlak, je kunt niet in iemands slipstream uit de wind rijden, want de klassiekers kennen lange stroken kasseien, de kleine stenen waarop je banden niet doorrollen, waardoor je voor elke meter die je vooruit wilt komen moet doortrappen. Het is ieder voor zich.

Als je wilt zien hoe sterk Cancellara op zijn beste dag was, kun je op YouTube gemakkelijk beelden terugvinden van de Ronde van Vlaanderen van 2010. De Zwitser rijdt samen met Tom Boonen, zo’n beetje de beste Belgische renner van zijn generatie, voor het peloton uit de ‘Muur van Geraardsbergen’ op, een kort klimmetje met kasseien, die zestien kilometer voor de finish vaak de scherprechter is in de koers. Boonen rijdt voorop, Cancellara lijkt wat met zijn versnellingen bezig, en dan, als de klim op z’n steilst is, rijdt Cancellara ineens weg. Hij komt niet uit het zadel, hij blijft rustig zitten, zijn beentempo gaat omhoog en hij rijdt bij een spartelende Tom Boonen weg alsof die een of andere verdwaalde recreant is.

Het probleem van wielrennen is dat je er niet te goed in mag zijn. Het is de ultieme ironie: als je de berg op rijdt, juicht iedereen je toe, maar als je als eerste boven komt is het verdacht. De dopinggeneratie van Lance Armstrong heeft de geschiedenisboeken blanco gemaakt. Zoveel betrapte renners zijn uit de uitslagenlijsten gegomd dat er amper nog namen overblijven om er overheen te schrijven. De Tours de France van 1999 tot en met 2005 hebben na Armstrongs val geen nieuwe winnaar aangewezen gekregen, want alle renners die tweede werden zijn door de jaren heen ook al met dopinggebruik in verband gebracht.

Cancellara is nooit met doping geassocieerd, maar het videofragment van de Muur van Geraardsbergen heeft een heel andere reputatie. Want dat moment dat hij met zijn versnellingen rommelt – lijkt het nu alsof hij letterlijk gas geeft? Alsof hij op een knop drukt? Had hij soms een motortje verstopt in zijn fiets?

Cancellara’s fiets is honderden keren gecontroleerd en er is nooit iets aangetroffen, maar wanneer de Zwitser uit een groep demarreert zeggen commentatoren nog steeds: ‘Cancellara heeft weer een brommer ingeslikt.’ De beer uit Bern is simpelweg zo sterk. Maar de angst voor ‘mechanische doping’ is groot. Op YouTube hebben wielerfanaten talloze filmpjes gepost waarop fietsen ‘raar doen’, bijvoorbeeld van de Canadees Ryder Hesjedahl of van de Spanjaard Ion Izaguirre, die allebei hard onderuit gaan, waarna de trappers van hun fiets blijven doordraaien.

Mechanische doping is gevoelsmatig erger dan epo. Een renner die epo spuit, fietst tenminste nog; een renner die aan mechanische doping doet, fietst niet eens. Hij zit op een brommer. De huidige Tourwinnaar Christopher Froome zei al dat als er fietsen met verborgen motoren aangetroffen worden in het peloton profwielrennen zal ophouden te bestaan; het zou geen enkele geloofwaardigheid meer hebben. Gelukkig kon mechanische doping altijd tot het rijk der paranoïde fabeltjes verbannen blijven, nog nooit werd een gemotoriseerde fiets in het peloton aangetroffen – tot afgelopen januari, toen de Belgische belofte Femke Van Den Driessche bij een wereldbekerwedstrijd veldrijden voor renners onder de 23 jaar werd betrapt op een fiets met motor.

***

Wat is er zo mooi aan sport? Waarom kijken we straks allemaal naar de Olympische Spelen? In zijn beroemde essay over Roger Federer (Roger Federer as a Religious Experience, 2006) schreef David Foster Wallace dat schoonheid niet het doel is van topsport, maar dat het wel een uniek toneel is waarop menselijke schoonheid geëtaleerd kan worden: ‘De menselijke schoonheid waar we het hier over hebben, is een erg specifieke vorm van schoonheid; je zou van kinetische schoonheid kunnen spreken. Haar kracht en aantrekkingskracht zijn universeel. Met seks of culturele normen heeft zij niets te maken; waar zij mee te maken heeft, is veeleer de verzoening die menselijke wezens kunnen voelen met het feit dat ze een lichaam hebben.’

Je lichaam bestaat uit vlees en botten, je zeult ze elke dag met je mee naar de Albert Heijn en naar de buurtbarbecue. Je lichaam zweet, het heeft honger en is dan opeens weer overvol, het voelt log, het voelt iel, het krijgt onverklaarbare uitslag op onverklaarbare plekken, de zwaartekracht trekt, je ene teennagel groeit naar binnen, je linkerknie maakt een vreemd knisperend geluid, en elke keer als je Usain Bolt binnen tien seconden honderd meter ziet rennen denk je: hoort mijn lichaam dat ook te kunnen?

Topsport is het moment dat dat lichaam dat je meezeult verandert in iets anders. Toen David Foster Wallace op het centre court van Wimbledon Federer zag, zag hij een man ‘wiens lichaam zowel uit vlees, als, op een of andere manier, uit licht bestaat’. Wie Dafne Schippers straks al dan niet naar eremetaal ziet rennen, zal de commentator vast horen zeggen: ‘Ze loopt in ontspanning.’ Dat betekent dat ze eindeloos haar starttechniek heeft geperfectioneerd, twaalf uur per dag slaapt, snelle en trage koolhydraten eet, zodat, alles bij elkaar opgeteld, tijdens de race haar lichaam het werk doet. Dat klinkt als zo’n vreselijk sportverslaggeverscliché, maar wat wordt bedoeld is dat ze niet forceert, dat haar lichaam als een elastiek wordt afgeschoten, en vanzelf doet waarvoor het scherp is geslepen.

Er is bijna geen sport te bedenken die zichzelf de afgelopen jaren niet ernstig heeft ondermijnd

Volgens Wallace helpen zulke momenten ons, stervelingen, ons met ons lichaam te verzoenen: ‘Vanzelfsprekend heeft het hebben van een lichaam ook wondermooie kanten – alleen: het is gewoon minder gemakkelijk die kanten op het ogenblik zelf naar waarde te schatten. Ongeveer zoals tijdens bepaalde, zeldzame revelaties op zintuiglijke piekmomenten (“Ik ben zo gelukkig dat ik ogen heb om deze zonsopgang te mogen zien!” etc.) lijken grote atleten als katalysatoren te werken op ons besef van hoe prachtig het is om te kunnen voelen en waarnemen, door de ruimte te bewegen, met materie om te gaan.’

***

Het morele dilemma waarover iedereen die inschakelt op de Spelen zich moet buigen, is het volgende: kun je de schoonheid van het fysieke nog vertrouwen?

Niet alleen wielrennen heeft door de dreiging van mechanische doping een donkere wolk boven zich hangen. Er is bijna geen sport te bedenken die zichzelf de afgelopen jaren niet ernstig heeft ondermijnd. In maart riep Maria Sharapova de internationale tennispers bij elkaar. Niet om haar afscheid aan te kondigen (‘want dat zou ik nooit doen in een zaaltje met zulk lelijk tapijt’, zei de tennismiljonair), maar om te vertellen dat ze betrapt was op het gebruik van meldonium, dat sinds 1 januari op de lijst der verboden middelen stond. Ze gebruikte het al jaren, zei ze, voor een zeer zeldzaam erfelijk hartkwaaltje, en had het zonder bijbedoelingen geslikt.

Al snel bleek dat half Rusland aan dat zeldzame hartkwaaltje leed. Tientallen atleten in verschillende takken van sport werden dit voorjaar op meldonium betrapt. Boksers, roeiers, waterpoloërs, volleyballers, worstelaars, schaatsers. Pavel Koelizjnikov, zo’n beetje de meest belovende schaatser in de sprint, werd betrapt. Het was olie op een vuur dat toch al brandde, sinds de Duitse ard een documentaire uitzond die aantoonde dat Russische sporters systematisch door sportfederaties van doping worden voorzien – het ging zo ver dat de Russische geheime dienst tijdens de Winterspelen van Sotsji ’s nachts zou hebben ingebroken in laboratoria van de anti-dopingagentschappen om verdachte bloed- en urinesamples te verwisselen voor schone. Het is de reden dat in Rio maar zo weinig Russische sporters mogen deelnemen.

Dat was maart. In april onthulde The Sunday Times geheime gesprekken met een arts die vertelde aan meer dan honderdvijftig voetballers in de Britse Premier League verboden substanties geleverd te hebben. In mei werd bekend dat in B-stalen van 23 atleten op de Spelen van Londen van 2012 alsnog doping was aangetroffen, waardoor verschillende medailles anders verdeeld zullen moeten worden. In juni kondigde het Internationaal Olympisch Comité (ioc) aan dat behalve Rusland ook Kenia en Mexico onder curatele staan, omdat in die landen niet of nauwelijks aan adequate dopingcontrole wordt gedaan.

De lijst gaat door en door. Er komen elke week affaires bij.

Medium groene doping tennis ii

En het is niet alleen doping die sport ondermijnt. Het is ook geld. De Fifa en de Uefa hebben laten zien meer op te hebben met georganiseerde criminaliteit dan met georganiseerde sport. Matchfixing heeft elke voetbal- en tenniswedstrijd tot een potentiële doorgestoken kaart gemaakt. En dat is verborgen geld. Je hebt ook expliciet geld, geld van sponsoren, dat in elke wedstrijd bepalend is. Elke race in de Formule 1 wordt gewonnen door het rijke Mercedes, tenzij Max Verstappen eens mazzel heeft en de twee Mercedes-wagens elkaar van de baan drukken.

Verschillende wielerorganisaties pleiten ervoor dat teams kleiner worden, omdat het rijkste wielerteam ter wereld (Sky) zoveel talent opkoopt dat het elke koers schijnbaar zonder problemen kan controleren. De belangrijkste voetbalcompetitie ter wereld, de Champions League, wordt al jaren afwisselend door de rijkste clubs van Europa gewonnen, Bayern München, Real Madrid, Barcelona en Chelsea.

Het is dit jaar precies twintig jaar geleden dat een Nederlandse voetbalclub voor het laatst in de finale van de Champions League stond, Ajax verloor na strafschoppen van Juventus (dat, zo bleek vorig jaar bij Andere Tijden Sport, voor de helft gedrogeerd was). Niemand denkt nog dat Ajax ooit weer die finale zal halen, Ajax zelf al helemaal niet. De Nederlandse voetbalcompetitie denkt over zichzelf als een opleidingsinstituut: het traint veelbelovende spelers en verkoopt die met dikke winst door aan Duitsland, Spanje of Engeland. Ajax heeft de afgelopen jaren om die redenen ervaren, gelauwerde spelers geweigerd te laten terugkeren. Winst vind je terug op je bankrekening, niet in je prijzenkast.

Atleten moeten in elk opzicht gefaciliteerd worden om wereldrecords te kunnen blijven breken. Dat verlangt het publiek

Het is allemaal om heel cynisch van te worden.

***

Begin dit jaar werd een rapport gepubliceerd van een project dat zich ‘The Future of Sports’ noemde. Het begon als volgt: ‘Sport heeft mensen bij elkaar gebracht om voor hun helden te juichen sinds het begin van de geschiedschrijving. Sport is een concurrent van religie als het gaat om diverse groeperingen te verenigen, en heeft in sommige gevallen sociale bewegingen gestart die zijn overgeslagen naar de zakenwereld en de overheid. Sport is tijdloos, maar tegelijk beïnvloeden nieuwe technieken en sociale veranderingen elke generatie weer hoe we sport beleven.’ Het rapport zei niet de weg voorwaarts te willen voorschrijven, maar zichzelf enkel de vraag te willen stellen hoe sport er over 25 jaar uit zou zien.

The Future of Sports is het project van Jeremy Jacobs, de eigenaar van de ijshockeyploeg The Boston Bruins, en ceo van Delaware North, een Amerikaanse voedselgigant. Forbes schat zijn persoonlijke vermogen op 3,6 miljard. The Future of Sports zou je een hobbyproject kunnen noemen, maar daarvoor hebben de deelnemers – academici, ted-sprekers, trendwatchers en marketeers – te serieuze cv’s. Voor een groot deel wil het rapport commerciële vragen beantwoorden en toekomstscenario’s doordenken. ‘De relatieve welvaart van de middenklasse krimpt; wie zal er straks nog bereid zijn geld en tijd te besteden aan het beleven van sportevenementen?’ (Antwoord: zet in op vrouwelijke kijkers.) De Amerikaanse media doken er bij verschijning gretig bovenop, misschien wel omdat het rapport zo heerlijk casual over doping heen stapte.

Om sport te blijven optimaliseren, werd er gesteld, moeten atleten in elk opzicht gefaciliteerd worden om wereldrecords te kunnen blijven breken. Dat verlangt het publiek. Sport zal een sturende kracht worden achter de ontwikkelingen in gen- en dna-onderzoek. The Future of Sports voorspelt:

– Regelgeving zal atleten toestaan prestatiebevorderende middelen te gebruiken, op een veilige manier.

– De grens tussen het natuurlijke en het kunstmatige lichaam vervaagt terwijl de wetenschap leert hoe zij de mens kan verbouwen en verbeteren.

– Omdat medische patiënten ook kunnen profiteren van zulke ontwikkelingen zal het stigma op doping verdwijnen.

– Natuurlijke en kunstmatige atleten zullen in verschillende competities uitkomen, zoals amateurs en professionals.

– Er zullen aparte competities komen tussen natuurlijke sporters en sporters geperfectioneerd in laboratoria.

In hun conclusie schrijven de samenstellers dat de toekomst van sport op elke manier door techniek wordt gedreven. ‘Over the next twenty years, the entire sports industry will face a globalizing culture and rapidly changing tastes, demographics, and habits. The primary driver of all this accelerating change, Moore’s Law – the doubling of computing power every eighteen months – will give way to quantum computing.’

Succes zit niet in doorzettings- vermogen, of in discipline, het zit in je lichaam

Zelfrijdende auto’s zullen sportstadions in staat stellen een grotere alcoholomzet te draaien. Live streaming en augmented reality zullen sporters in staat stellen zelf hun wedstrijden uit te zenden, zodat dure sportkanalen overbodig worden. Virtual reality zal het mogelijk maken dat fans niet meer op de tribune hoeven te zitten, maar dat ze op het veld kunnen staan, tussen de spelers in. De auteurs van het rapport zijn er enorm optimistisch over. Ze schrijven dat sinds ze aan het rapport begonnen, vier jaar terug, ze verschillende keren in hun verwachtingen zijn ingehaald door ontwikkelingen waarvan ze voorspelden dat die pas over tien jaar zouden plaatsvinden. De toekomst is dichterbij dan je denkt.

***

The Future of Sports heeft dezelfde bijna posthumane-Silicon-Valley-toekomstfantasie die ook doorklinkt in wat zo’n beetje het populairste sportboek van de laatste jaren is, The Sports Gene van David Epstein, met de ondertitel Inside the Science of Extraordinary Athletic Performance (2013). Epstein betoogt dat de ontwikkeling van sport zich makkelijk genoeg laat voorspellen, als je maar naar genen kijkt. Succes zit niet in doorzettingsvermogen, of in discipline, het zit in je lichaam.

Epstein geeft klare cijfers: in de afgelopen dertig jaar is de lengte van de gemiddelde turnster van 1,61 meter teruggegaan naar 1,49 meter, wat veel handiger is als je salto’s en schroeven moet draaien. Toen in 1983 basketbal een veel commerciëlere sport werd, ging het aantal basketballers dat 2,13 meter was in een jaar tijd van vijf procent naar tien procent van alle profspelers. Als je vandaag een man in de Verenigde Staten tegenkomt van 2,13 meter tussen de twintig en veertig jaar oud, is er een kans van zeventien procent dat hij in de nba speelt.

Medium groene doping mechanische 20vrouw

We denken, schrijft Epstein, dat Kenianen geweldige marathonlopers zijn, maar Kenianen zelf denken dat alleen leden van de Kalenjin-stam geweldige hardlopers zijn. Ze vormen maar twaalf procent van de Keniaanse bevolking, maar zijn de overgrote meerderheid van wereldtop van marathonlopers. Ze hebben een unieke fysieke structuur: omdat hun voorouders al leefden in het droge, hete klimaat hebben ze erg lange en extreem dunne benen, die daardoor sneller zouden afkoelen. Om hun succes in perspectief te plaatsen: zeventien Amerikanen liepen ooit de marathon sneller dan twee uur en tien minuten – 32 Kalenjin-mannen deden dat. En dat was alleen al in de maand oktober.

Met andere woorden, je moet als niet-Kalenjin niet eens topmarathonrenner willen worden. Ga hockeyen, ga curlen, ga waterpoloën – maar alleen als je onderarm significant langer is dan je bovenarm, anders kun nooit hard genoeg gooien.

Het gekke als je Epstein leest, is dat je de hele tijd op de ‘maar’ zit te wachten. Maar niet alleen erfelijk materiaal geeft de doorslag. Maar ook de wil om te winnen is bepalend. Maar ook geluk speelt mee. Zulke maars. Die komen niet. Misschien is dat onvermijdelijk nu sport steeds hardnekkiger door wetenschap wordt bepaald. Sportprestaties worden deterministisch geduid, ze hebben niets meer met spel te maken, alleen nog met dna.

En Epstein staat niet alleen: in de betere boekwinkel staat er een hele sectie boeken die hetzelfde beweren. Outliers, van Malcolm Gladwell. Talent Is Overrated, van Geoff Colvin. Bounce: The Myth of Talent and the Power of Practice van Matthew Syed. The Talent Code: Greatness Isn’t Born. It’s Grown, van Daniel Coyle.

In deze toekomst van sport is er één notoire afwezige: de sporter zelf. Ja, er wordt wel over atleten gesproken, maar dan gaat het enkel over lichamen die je wel of niet kunt trainen en verbeteren. Het gaat nooit over persoonlijkheden. Nu kun je ook niet voorspellen dat een cocky Texaanse kankeroverlever zeven keer de Tour wint, en daarmee van wielrennen internationaal een populairdere sport maakt dan het ooit was. Of dat een vrolijke Jamaicaanse reus van hardlopen een theatraal spektakel maakt. Of dat een timide Zwitserse jongeman ballen op een manier slaat zoals nog nooit iemand dat op een tennisbaan heeft gedaan. Het Future of Sports-rapport heeft het over ‘helden aanmoedigen’, maar wat is nog een held als deze slechts een optelsom van dna en gentherapie is? Als doping en geld sport hebben ondermijnd, dan schuren dna en genen alle glans eraf.

***

En er is nog iets dat niet lijkt te passen. In de toekomstscenario’s gaat men er vanuit dat sport om populair te blijven constant moet vernieuwen, versnellen, interactiever moet worden, dynamischer. Teams moeten kleiner, wedstrijden korter. Is het niet veel waarschijnlijker dat dat juist niet is hoe miljoenen mensen deze zomer naar het EK voetbal, het EK atletiek, Wimbledon, de Tour de France en straks de Olympische Spelen en de Vuelta hebben gekeken? Die keken niet om iets te zien veranderen, maar om iets hetzelfde te zien blijven.

In tijden van terreur en coups, van onvoorspelbare verkiezingen en referenda is sport een verhaal van een helderheid die in het leven zelden bestaat. Sport geeft het leven afmetingen, een exacte tijdsduur. Negen mannen rennen honderd meter over een sintelbaan en één van hen wordt eerste. Elf vrouwen hockeyen tegen elf andere vrouwen en één van de twee partijen scoort het vaakst. Er is geen ambiguïteit, er zijn geen verschillende percepties en geen relativerende waarnemingen. Winst, verlies, goud en zilver.

De afgelopen jaren hebben ons geleerd dat je nooit helemaal kunt weten wat je viert als je thuis op de bank een sportprestatie meeviert. Maar van alle onzekerheid in de wereld is dit de meest goedaardige.


David Epstein, The Sports Gene: Inside the Science of Extraordinary Athletic Performance. Current, 368 blz., € 15,08.

David Foster Wallace, String Theory: David Foster Wallace on Tennis. Library of America, 150 blz., € 18,76