Reportage Falluja, Irak

Taliban-staatje in wording

De «stad der moskeeën» mag dan met de hulp van God bevrijd zijn van de Amerikanen, maar in het Iraakse Fallujah heeft zelfs de moskee niets meer te zeggen over de moedjahedien.

FALLUJAH — Heeft uw krant banden met de CIA? En wat is uw mening over het zionisme? Het zijn de twee vragen die de journalist krijgt voorgeschoteld wanneer hij zich aanmeldt bij de Al-Hadrah Al-Muhammadiya-moskee in Fallujah. «U moet begrijpen dat wij wantrouwig zijn», zegt sjeik Taglub Abdulkader al-Alussi, de nummer 2 van de moskee. «We weten dat de Amerikanen alle mogelijke middelen gebruiken om spionnen binnen te smokkelen.»
De Al-Hadrah-moskee was het zenuw centrum van het verzet tijdens het beleg van Fallujah in april, toen meer dan zevenhonderd Irakezen werden gedood. Het was in het bureau van sjeik Al-Alussi dat de eerste onderhandelingen werden gevoerd over het beëindigen van dat beleg; onderhandelingen die eind april uitmondden in de terugtrekking van de Amerikaanse marines en de oprichting van de zogeheten «Fallujah-brigade».
Sindsdien is Fallujah de facto een ministaatje geworden. Bij het checkpoint bij het binnenrijden van deze stad van driehonderdduizend inwoners staan nog wel twee Amerikaanse soldaten, maar voor het overige zijn de Irakezen opnieuw de baas in Fallujah. De vraag is alleen: welke Irakezen?
«U heeft er goed aan gedaan om naar hier te komen», zegt Al-Alussi, «u heeft begrepen wie het voor het zeggen heeft in Fallujah.» Hij bedoelt dat het de moskee is die de echte macht heeft, eerder dan Mohamed Abdul-Latif, de oud-generaal van het Saddam- regime die door de Amerikanen aan het hoofd van de Fallujah-brigade werd geplaatst.
Latif was tweede keus. De eerste ex-generaal die de marines naar Fallujah hadden gestuurd, Jassim Mohammed Saleh, werd al vrij snel aan de kant geschoven. De Iraakse sjiïeten namen aanstoot aan het feit dat Saleh onder het Saddam-regime onder meer het bevel had gevoerd over de bloedige onderdrukking van de sjiïtische opstand van 1991. En Saleh, een zoon van Fallujah, was tijdens zijn blijde intrede in de stad ook iets te voortvarend geweest. Hij had het bestand onmid dellijk uitgeroepen tot een overwinning van het verzet, en voorspelde dat de rest van Irak gaandeweg op dezelfde manier «bevrijd» zou worden van de Amerikaanse bezetting.
Generaal Latif heeft een iets minder bezwaard verleden: hij was weliswaar lid van Saddams inlichtingenapparaat, maar viel later in ongenade en moest in ballingschap gaan. Maar vooral: hij zegt wat de Amerikanen willen horen. In een toespraak tot de notabelen van Fallujah verklaarde hij onlangs dat «de Amerikanen niet gekomen zijn om ons te bezetten maar om ons te bevrijden van Saddam. We kunnen ervoor zorgen dat ze snel weer kunnen vertrekken door hen te helpen, of we kunnen ervoor zorgen dat ze nog tien jaar blijven door tegen hen te vechten.»

Ook Jassim, een jonge moedjahedien die ons begeleidt in Fallujah, heeft het niet zo begrepen op de generaal. «Latif heeft helemaal niks te vertellen in Fallujah», gromt hij. «Hij is door de Amerikanen naar hier gebracht. Wij dulden hem omdat we willen dat het staakt-het-vuren standhoudt. Maar Latif moet goed weten dat hij geen voet voor de andere kan zetten zonder dat wij, de moedjahedien, hem daar de goedkeuring voor geven.»
Fallujah maakt op het eerste zicht een vredige indruk. Overdag, zo is de afspraak, wordt de stad gecontroleerd door de Iraakse politie, en door de manschappen van de Fallujah- brigade, allemaal inwoners van Fallujah waarvan sommigen in april hebben meegevochten tegen de Amerikanen. ’s Avonds, zegt Jassim, nemen wij de stad over. De moedjahedien patrouilleren dan door de straten en liggen op de loer op de daken.
Jassim wijst op een pamflet dat aan de gevel van een supermarkt hangt, met daarop de namen van zes «spionnen», inwoners van Fallujah die informatie hebben doorgespeeld aan de Amerikanen. Het pamflet waarschuwt dat iedereen die informatie heeft over waar ze zich schuilhouden, en die niet doorspeelt aan de moedjahedien, hetzelfde lot riskeert als de spionnen: de dood. «Ze doen het voor het geld», zegt Jassim, «de Amerikanen betalen goed voor informatie over de moedjahedien.»
Het zou ook kunnen dat niet iedereen in Fallujah gediend is van het bewind van de moedjahedien. Want ook al is de oorlog voorlopig afgelopen, pais en vree is het nog niet in de «stad der moskeeën».

Sjeik Al-Alussi heeft ons eerder in de moskee een vrijgeleide meegegeven die ons moet beschermen tegen al te heethoofdige elementen die de stad onveilig maken. Enkele dagen tevoren is een ploeg van de Amerikaanse zender ABC gekidnapt, en sjeik Zafir al-Ubaydi, de imam van de Al-Hadrah- moskee, moest persoonlijk tussenbeide komen om een Duitse filmploeg te ontzetten. En het zijn niet alleen buitenlandse journalisten die risico lopen op straat.
«Er is een kleine groep mensen die voor problemen zorgt», geeft Al-Alussi toe, «het zijn duivels, wilde mensen, die zich voordoen als moedjahedien om winkels binnen te vallen en de koopwaar op te eisen.» Nadat vorige week een geldtransport voor het stadsbestuur werd onderschept door al dan niet valse moedjahedien, kondigde de moskee een fatwa af tegen het dragen van de kefiyah, de sjaal waarmee de verzetsstrijders hun gezicht bedekken.
«Onze leiders hebben besloten dat er een eind moet komen aan de wetteloosheid. Maar we willen dat nog niet met geweld doen. Want als wij die mensen doodschieten, gaan hun families weer op bloedwraak zinnen en dan is het einde zoek. Dus proberen we hen op betere gedachten te brengen en in hun noden te voorzien.»
Al-Alussi vertelt niet het hele verhaal, want bevrijd Fallujah kampt met meer dan alleen een criminaliteitsprobleem. De Al-Hadrah-moskee heeft recentelijk nog een reeks andere fatwa’s afgekondigd: het moest gedaan zijn met het aanvallen van cd- en dvd-verkopers, beauty shops, drankverkopers, kappers en wat dies meer zij.
Dat was een reactie op het publiekelijk kaalscheren van vier jongemannen van wie het haar te lang werd bevonden, en het toedienen van tachtig zweepslagen in de hoofdstraat van Fallujah aan vier mannen die betrapt waren op het verkopen van alcohol. De vrouwenkappers in Fallujah hebben de deuren gesloten, en de mannenkappers is een verbod opgelegd om hun klanten nog te scheren. Bioscopen zijn er niet meer, en hoewel satellietschotels nog niet verboden zijn, wordt de gelovigen gevraagd op de koran te zweren dat ze niet naar de Italiaanse pornokanalen zullen kijken. Zelfs dansen en zingen tijdens huwelijksfeesten is voortaan verboden.
Jassim en zijn broer Mohamed, beiden moedjahedien, ontkennen niet dat Fallujah onder hun bewind een mini-Taliban-staatje aan het worden is. «Maar ik heb daar geen probleem mee», zegt Mohamed, «de mensen in Fallujah zijn altijd erg religieus en traditioneel geweest. Dit is onze levensstijl.» Hij hoopt alleen dat het niet zo ver zal komen dat ook roken wordt verboden. «Dan verhuis ik», zegt hij, terwijl hij een sigaretje aansteekt.

Volgens sjeik Al-Alussi is «het invoeren van de sharia, de islamitische wetgeving, een logisch gevolg van de overwinning op de Amerikanen».
Al-Alussi is bezig met het oprichten van een museum over de slag van Fallujah, waarin onder meer plaats zal zijn voor een ambulance die door de Amerikanen onder vuur werd genomen, maar ook voor de gigantische spinnen die tijdens het beleg opdoken en die de Amerikaanse soldaten naar de keel sprongen, en voor de mysterieuze strijders met groene tulbanden die op hun witte paarden de moedjahedien te hulp kwamen. «Er bestaat geen twijfel over», zegt Al-Alussi, «dat de strijders in Fallujah de hulp van God hebben gekregen.»
Maar de moskee heeft een monster gecreeerd dat zij zelf niet meer in de hand heeft. Enkele dagen na ons eerste bezoek is Fallujah opnieuw een no-go area geworden. Zelfs een cameraploeg van de Arabische satellietzender Al-Arabiya is de stad uit gejaagd. Sjeik Al-Alussi geeft geen vrijgeleides meer aan journalisten. «U mag alle sjeiks van Fallujah mee in de auto hebben, en het zou geen enkel verschil maken. Ze zouden u vermoorden terwijl ik erbij sta.» De moskee, zo lijkt het, is de controle over de «duivels» verloren.

De namen van Jassim en Mohamed zijn gefingeerd