Talk

Een klam en smerig land. Een hotelkamer. Twee vrienden. En sloppenwijken vol jonge meisjes. Maar waar komt toch die drang om te kotsen vandaan? Een moordverhaal
Hij ging op het bed liggen. De lucht in de kamer was zo koel dat hij het liefst onder de dekens was gekropen. Zijn shirt was te warm voor buiten, te dun voor binnen. Het zweet op zijn benen en armen was opgedroogd. Hij voelde een koude dij. De korte haartjes stonden overeind. Buiten kon hij het verkeer van de stad horen, een zacht snorrend geluid. Af en toe een claxon. Hij rilde. Hij keek naar de telefoon naast hem op het nachtkastje.

Bel me, klootzak. Bel me dan.
In zijn hoofd telde hij dollars. Geen cheques of creditcards, ze zagen hem al aankomen, you take American Express? Cash, hoeveel cash had hij? Zeventig of zoiets in zijn portemonnee. Nog wat in de reisgids op het andere nachtkastje, niet veel, hoogstens veertig. Twaalf in de borstzak van zijn overhemd.
Honderdtwintig. Was dat genoeg? Genoeg voor. Hoeveel guldens? Maal een zeventig, hoeveel is dat?
Hij rekende. Steeds weer raakte hij de draad kwijt. Hondertwintig maal een zeventig. Was hij soms debiel? Dat hij dat godverdomme niet meteen wist. Honderdtwintig maal een is honderdtwintig, honderdtwintig maal zeventig is zeventig plus twintig maal zeventig is. Twintig is veertien. Veertien plus hoeveel?
Veertien plus hoeveel? Veertien plus hoeveel? Weet je dat niet eens?
Klootzak.
Hij rilde van de kou. Tegelijk voelde hij zweet op zijn voorhoofd. Drie whiskeys op de ambassade, nog eens drie met Roland in de hotelbar. Vier, niet liegen, eentje van het huis. Het meisje achter de bar was een hoer geweest. Hij had dat meteen gezien. De manier waarop ze hem aankeek terwijl ze hem zijn glas gaf. Hoe ze dat glas streelde met die lange rode nagels. Met de complimenten van het hotel.
Ze was te oud, ver voorbij haar houdbaarheidsdatum. Overrijpe perzik, had Roland gezegd. Rotte meloen, had hij geroepen. Ze had opgekeken en naar hem geglimlacht.
‘Rotte meloen’, zei hij hardop tegen het plafond, zonder te lachen. 'Vieze vuile rotte meloen.’
De televisie stond op MTV Asia, het geluid uit. Een groepje jongens, klein en oosters, danste met ontbloot bovenlijf. Ze maakten rap-gebaren.
Twee uit de minibar op de kamer. Anderhalf. Het glas dat op de televisie stond zat nog half vol. Het ijs zou nu wel gesmolten zijn.
Bel me nu. Nu, klootzak, nu.
Nuchter worden. Hij zou wat moeten eten. Straks krijg je hem niet eens meer omhoog. Zieke grap. Al die moeite voor niks.
Eten. Roomservice bellen.
Hij had geen honger. Er zat een knoop in zijn maag. Een gevoel van misselijkheid kroop langzaam door zijn slokdarm naar zijn keel toe. Straks moest hij kotsen. Hij zag het al voor zich: met zijn broek op z'n knieen, spugend over zijn eigen shirt, over het trillende bruine vlees. En daarna al zijn dollars kwijt. Dan maar beter nu. Beter vooraf.
Vinger in je keel.
Hij stond op en liep naar de badkamer. Het licht was geel neon en deed pijn aan zijn ogen. Hij keek naar zichzelf in de spiegel, een seconde maar. Dat shirt, al die godvergeten bloemen. Alle kleuren van de regenboog en nog een paar. Een shirt voor ouwe mannen, zag hij nu. Een shirt voor de bejaarde toeristen die hij beneden in de lobby zag zitten. Zij voelden zich er vast jong in, maar hij zag nu hoe ontzettend dom het hem stond. Het maakte een oude man van hem. Vrolijk terwijl je niets had om vrolijk over te zijn.
Snel trok hij het hemd omhoog.
Zijn buik was tenminste zijn buik. Strak glad hard. Bruin. Zelfs in dit licht. Mooi.
Goed lijf, zei Roland.
Nu kotsen, dacht hij. Hij liet het shirt vallen en draaide zich om naar de wc-pot. De bril was omlaag. Hij sloeg hem snel met een hand omhoog. Idioot. Alles hier was zo schoon, zo steriel als een operatiekamer van een ziekenhuis.
Maar het land was vies. Er zat een dikke laag vuil op de ramen van de kamer. Er kwam hier nog cholera voor, hier vlakbij.
Hij ging op zijn knieen zitten, zijn hoofd boven de pot. Zijn haar hing nat tegen zijn wang. Is dat zweet? Hij veegde het weg en probeerde te kokhalzen.
Er kwam niets, hij voelde alleen het zweet langs zijn haren stromen. Hij dacht expres aan smerige dingen, aan de gore ramen, aan de troep langs de wegen, aan die rotte meloen achter de bar met dikke gespreide benen, aan de smerigheid die hij had gezien in de keuken van het wegrestaurant waar hij en Roland die middag hadden willen lunchen.
Hier gaan we eten, zei Roland.
Vanaf de weg had het er nog wel redelijk uitgezien. Een laag betonnen gebouw tussen de witte torenflats in, het menu ingelijst achter glas. Binnen zat maar een man in een hoek te eten, een krant voor zich op tafel. Maar de tafels waren stuk voor stuk gedekt, alsof de eigenaar nog een stormloop verwachtte. Hij moest pissen en had argwaan moeten krijgen toen hij de eigenaar - klein, een oog verborgen onder een grote lok zwart haar, dun snorretje op zijn bovenlip - naar de wc had gevraagd en die nerveus met zijn hoofd had geschud.
Wat nee? Where’s the fucking bathroom?
Het mannetje had gewezen zonder hem aan te kijken. Achteraf begrijpelijk. De keuken zag zwart van het vuil. Vloer fornuis pannen. Een pisgeur. De kok was een vies onderkruipsel met vette zwarte haren, een peuk in zijn mond. Er lagen snijplanken met paprika’s en komkommers op de vloer. Onder een tafel lag een hond.
Aan tafel, zei Roland, die plotseling achter hem was opgedoken. Eet u smakelijk. Naar de McDonald’s, had hij toen geroepen, terwijl hij zich omdraaide. Godvergeten fucking teringzooi.
Hij had gelachen met Roland en ze waren zonder iets te zeggen langs de eigenaar naar buiten gelopen, die nog een poging had gedaan de deur voor hen open te houden. Slaafs, zoals iedereen hier, zei Roland.
Maar op een vreemde manier was het een anticlimax geweest. Terug in de auto op de snelweg had Roland een van zijn buien gekregen en bijna niets tegen hem gezegd. Het was na enen en het leek alsof de hitte de auto wilde laten smelten. En niemand te zien op straat, alsof er een neutronenbom was gevallen. Teringzooi, kutland, had hij gezegd, maar Roland had hem niet eens aangekeken. Zullen we vast naar de ambassade gaan, had hij voorgesteld. Misschien weet die trut aan de balie een beetje een draaglijke tent. De borrel begint om half vier, zijn we vast in de buurt.
Roland had geknikt.
Hij keek in de kraakheldere pot, naar het water dat zijn gezicht spiegelde. Het zweet in zijn nek werd steeds kouder. Hij kokhalsde opnieuw. Niets.
Aan iets goors denken. Zo'n bejaarde vent uit de lobby beneden die hier met zijn behaarde kont op de bril zit en zuchtend zijn drollen in dezelfde pot laat vallen waar hij nu zijn gezicht boven houdt. Hij kon het zien en horen en ruiken. Harige vleeskwabben, oudemannengekreun, vegen op het witte porselein. Hij voelde de inhoud van zijn maag omhoog komen. Hij zette zich schrap, zijn armen op de wc-pot geklemd.
Er werd op de deur van de kamer geklopt.
'Godverdomme’, riep hij, maar niet zo hard dat de ander het zou kunnen horen. Hij voelde het braaksel terugstromen naar zijn maag, een pijnlijk spoor in zijn slokdarm brandend. Hij veegde zijn natte haar naar achteren en ging staan. Hij was duizelig.
Er werd opnieuw geklopt. Hij liep naar deur.
'Yes?’ Het kwam eruit als een hoog gepiep.
'Doe eens open man.’
Roland. Hij opende de deur.
Rolands haar was niet nat. Het zag eruit alsof het net gefohnd was. 'Jezus man, wat heb jij gedaan’, zei Roland toen hij binnenkwam en langs hem heen stapte. 'Alsof je net gekotst hebt.’ Hij liep door naar het middelste raam, wierp een blik naar buiten en draaide zich om.
'Man’, zei hij hoofdschuddend.
De hele dag hadden ze zich goed gevoeld, dacht hij, terwijl hij naar Roland bij het raam keek. Gewoon goed. Die bui van Roland had maar kort geduurd. Nu zag hij hoe belachelijk ze eruit zagen, in precies hetzelfde bloemenshirt. Een clownsduo. Ik trek iets anders aan, wilde hij zeggen, voor we naar beneden gaan. Dit shirt staat me niet.
Hij zei niets. Zijn lippen waren aan elkaar geplakt.
Roland liet zich op de bank ploffen. Hij nam de afstandsbediening in zijn hand en begon van kanaal naar kanaal te zappen. Het geluid liet hij uit. 'Wordt het nog wat met jou vanavond?’ Het was even stil. Op de televisie werden Burt Reynolds en nog een andere man achtervolgd door politieauto’s. 'Je moet er wel zin in hebben. Wil je niet eens weten of het gelukt is?’ Zijn ogen glansden terwijl hij naar hem keek. Op het volgende kanaal lag een man die uit een raam was gevallen, benen en armen als geknakte molenwieken, een plasje bloed bij zijn hoofd.
Hij stond nog steeds zwijgend bij de deur, zijn tong te groot voor zijn mond.
'En?’ Hij keek aarzelend naar Roland.
Roland antwoordde niet meteen. Hij deed de tv uit en leunde naar achteren. Hij legde zijn hoofd in zijn nek en keek pesterig bedachtzaam naar het plafond.
'Nou?’
Hij wist ineens niet wat hij liever wilde horen, ja of nee.
Langzaam richtte Roland zijn blik weer op hem. Zijn mond werd breed.
'Twee’, zei hij.
'Twee waar?’
'Beneden in de lobby.’
'Hier? Ze zitten beneden te wachten?’ In een reflex greep hij de deurkruk.
'Ja. Zij hebben wel zin.’
'Jezus.’
Roland genoot van zijn schrik, zag hij. Ogen stralend, zijn mondhoeken raakten bijna zijn oren.
Hij liet de deurkruk los. 'Dat doe je snel. Hoeveel?’ Er kwam weer gevoel in zijn lippen. Buiten begon het donker te worden, zag hij. Dat ging hier snel, je knipperde met je ogen en het was nacht.
'Honderd.’
'Honderd per stuk?’ Even voelde hij aan de biljetten op zijn borst.
'Honderd voor twee. Voor alles.’
Tachtig gulden, zoiets, niet veel meer. Jezus. Hoe had Roland dat voor elkaar gekregen en zo snel? Hij wilde het hem vragen maar hield zijn mond. Zoals hij daar op de bank zat met een uitgestreken smoel, ineens gunde hij hem het plezier niet. Roland zat daar weer zo van zichzelf te genieten. Altijd ritselen en regelen. Altijd sneller en slimmer.
'Ik kan niet garanderen dat ze maagd zijn. Eerlijk gezegd zien ze daar niet naar uit. Maar wel jong, als je goed kijkt onder hun make-up tenminste. Versch vleesch. Ik heb ze maar niet naar hun leeftijd gevraagd. Beter niet. Ze zouden trouwens toch liegen, die kleine sletjes. Oke, vriendje?’
'Geweldig.’ Hij wilde het initiatief van Roland overnemen, zodat het plan iets van hen tweeen werd, maar hij wist niet hoe.
'Erg blij klink je niet. Vanmiddag kon je nergens anders over praten.’
Versch vleesch, Ronnieboy. Papa heeft zo'n honger. Papa wil jonnnggg versch vleesch vannacht.
'Blijf maar zitten hier, ik ga ze wel halen. Jij mag kiezen.’
Hij werd ineens weer misselijk. 'Wou je het hier doen? Op de kamer?’
'Waar anders? Bij hun ouders thuis in het ledikant? Heb jij zin om in een of andere krottenwijk tussen de schimmellakens en de kakkerlakken te liggen? Niet dus. Gebruik toch je verstand man.’ Roland stond op van de bank. Hij haalde zijn hand langs zijn neus en snoof. 'Godverdomme.’
Hij zag nu hoe nerveus Roland was. Hij was minstens zo zenuwachtig als hijzelf. Al dat gegrijns. Dat deed hem goed, Roland zwetend in zijn belachelijke bloemenshirt.
'Ik zie je zo.’ Zonder hem aan te kijken liep Roland langs hem heen.
Bijna vaderlijk voelde hij zich nu. 'Kijk je uit, Roland? Je weet dat er beneden politie rondloopt.’
'I know, I know. Jezus.’ Roland opende de deur en verdween de gang in.
Hij deed de deur achter hem dicht en haalde diep adem. Hij liep naar het raam en probeerde naar buiten te kijken. Niets te zien, duisternis en grote gele lichtvegen van de neonreclames. Het was alsof de stad verdwenen was. Alsof hij in een ruimteschip zat en de aarde verlaten had. Hoe voel je je, vroeg hij zichzelf, wat wil je? Hij stapte naar de minibar en haalde er de fles whiskey uit die ze vanmiddag naar binnen hadden gesmokkeld. Hij goot zijn glas vol. De whiskey ging over de rand. De fles liet hij open op het ijskastje staan.
Wat wil je?
Hij wist dat hij dronken was, nu eens helder dan weer vaag en misselijk. Hij moest zich klaarmaken, zorgen dat hij een stijve kon krijgen, condooms pakken, zijn supermegafamiliepak. Maar hij bleef in het midden van de kamer staan, zijn vingers verstijfd om het glas. Hij dacht aan Roland, niet aan de meisjes.
Wanneer hadden ze afgesproken dat Roland ze zou oppikken? Hij herinnerde zich er niets meer van. Op de borrel van de ambassade? Binnen in zijn hoofd was het net zo donker en onduidelijk als buiten. Wat wilde Roland? Hij verlangde naar buitenlucht.
'Klein sletje. Klein prinsesje.’
Hij sprak de woorden hardop uit, alsof hij ze repeteerde, alsof hij zichzelf van iets wilde overtuigen. Dat had hij vaak, verlangen naar iets, zo heftig dat het pijn deed, en wanneer het dan stond te gebeuren, wanneer hij maar zijn hand hoefde uit te strekken om het te grijpen, werd hij ineens ontzettend moe. En misselijk. Hij zou nu het liefst weer in bed gekropen zijn, hij rilde en bibberde alsof hij koorts had.
Hij nam een slok. De whiskey brandde in zijn slokdarm. Waar was Roland? Wat was hij van plan met de meisjes? Wilde Roland dat ze in dezelfde kamer zouden blijven wanneer ze deden wat ze deden? Hij dacht aan Roland naakt in deze kamer, zijn haren nat van de douche, en het zachte haar dat bij zijn navel begon en dikker en dikker werd naar zijn korte stevige lul toe, ondoordringbaar daaronder, glanzend nat als de vacht van een of ander waterdier, een otter. Hij moest er naar kijken. Het haar was zo glanzend zwart. Zo op z'n plaats, anders kon hij het niet zeggen. Het leek alsof Roland het ieder uur van de dag kamde en verzorgde, bijknipte en inwreef met olie. Terwijl hij wel wist dat dat niet zo was. Roland lette nooit op zijn eigen lichaam. Hij had alleen aandacht voor zijn gezicht. Hij scheerde zich iedere ochtend, knipte altijd de haren uit zijn neus. Hij epileerde zijn wenkbrauwen.
Hij zag het voor zich, het gebaar waarmee Roland het haartje uit zijn gezicht trok, alsof hij een chirurg was die het gezicht in de spiegel opereerde.
Waar bleef hij? Hij voelde zich schuldig. Zoals hij daarnet over hem gedacht had. Over zijn bazigheid, zijn opschepperige zelfverzekerdheid en zijn bloemenhemd. Roland was zijn vriend. Hij hield van hem. Ik zal godverdomme alles voor je doen.
Godverdomme waar ben je?
Hij hoorde iets. Een vaag gekras. Er stond iemand voor de deur. Roland met de meisjes. Veel sneller dan hij verwacht had. Hij had niets voorbereid, de lakens niet rechtgetrokken, niet eens een ander shirt aangetrokken.
'Roland?’
Hij hoorde niets. Even bleef hij staan luisteren. Toen trok hij behoedzaam de kamerdeur een stukje open.
Het was een meisje, een meisje. Ze stond stil voor hem in de dofverlichte gang, haar armen slap langs haar kleine lichaam. In een hand hield ze een of ander wollig bruin speelgoedbeest. Wat was het, een beer, hond, kameel? Haar kindergezicht was zwaar opgemaakt, klodders mascara aan haar wimpers. Over haar voorhoofd was een stijve lok zwart haar gefohnd. Hij rook talkpoeder.
Hij begreep het niet. Waar was Roland? En het andere meisje? Hij stond daar nog steeds, in een hand het glas, de deurkruk in de andere. Wat moest hij doen?
'Yes, mister?’ Het meisje keek hem vragend aan, alsof hij bij haar had aangeklopt.
'Yes?’
'Yes, mister?’ Ze glimlachte naar hem. Onder de mascarawimpers glansden zwarte ogen.
Ik heb ze maar niet naar hun leeftijd gevraagd. Beter niet.
Ze mocht binnenkomen. Het moest een verrassing van Roland zijn. Echt iets voor Roland. Hij stak snel zijn hoofd om de deurpost om te kijken of hij daar niet stond, gierend van de lach, samen met het andere meisje. De gang was leeg.
Het meisje stapte langs hem heen en hij voelde het speelgoedbeest langs zijn been gaan. Opnieuw rook hij talk.
Ze ging op de bank zitten. Ze zette het beest naast haar. Het was een kangoeroe, zag hij, met hangende voorpootjes en een uitgezakte buidel. 'Come, mister?’ Ze deed haar blote benen van elkaar. Hij kon niets zien onder haar rok, maar raadde dat ze geen onderbroek droeg.
'I give good sex.’ Ze had een schril stemmetje. Met een giechel trok ze haar rokje op. Hij zag een klein kaal kutje. Ze bracht haar hand ernaartoe en begon heftig te wrijven. Haar nagels waren lang en rood.
'O mister.’ Haar tong schoot over haar lippen.
Hij deed de deur dicht en liep naar haar toe. Zijn hoofd was plotseling helder. Geen prinses, gewoon een slet, een brutaal, afgeleefd kindhoertje uit de sloppen. Vuil en overrijp. Verslaafd. Die dikke kerels beneden in de lobby waren er overheen geweest, stuk voor stuk. Ze hadden haar gebruikt en weggegooid. Besmeurd en uitgerekt en toen hun kamer uitgeduwd.
'Come mister. O mister.’ Ze strekte haar andere hand uit en probeerde zijn gulp open te trekken.
Hij sloeg de hand van zich af. Hoe had Roland hem dit kunnen aandoen? Waar was hij? Jezus, Roland. Hij zou terugkomen. Je had gezegd dat je terug zou komen.
'Get out.’ Hij probeerde het meisje aan haar hand omhoog te trekken van de bank. Ze trok zich los en klauwde opnieuw naar zijn gulp. 'Good sex, mister. Safe sex.’ Met haar andere hand wriemelde ze in de buidel van de kangoeroe en haalde er een condoom uit. Ze trok zijn rits omlaag. Hij zag hoe de rode nagels naar binnen gleden.
Hij gaf haar een klap in haar gezicht. Een ogenblik bleef ze stil op haar knieen zitten. Toen sloeg ze haar armen om zijn heupen en drukte haar gezicht tegen zijn kruis. Hij probeerde haar armen los te trekken. Ze waren dun maar sterk als jonge twijgen. Hij rukte aan het zwarte haar. Hij zag een speld op de grond vallen, een grote plastic Minnie Mouse. Ze liet niet los, duwde haar gezicht nog steviger tegen hem aan.
Roland had hem verraden. Hij had hem alleen gelaten met deze vieze kleine hoer en was er zelf vandoor gegaan. Dat was zijn plan geweest. Straks zou de politie komen en hem met het meisje vinden en dan had Roland zijn zin. Dan heb je je zin.
Hij gaf zo'n harde ruk aan het haar dat ze hem losliet. Hij duwde haar van hem af, zodat ze tegen de bank viel. Ze maakte geen geluid, maar hij zag de angst in haar ogen en hij wilde dat ze wegging, de kamer uit, maar ze krabbelde naar voren en klampte zich opnieuw aan hem vast. Hij hoorde haar snikken.
Hij moest zelf tegen zijn tranen vechten. Hij zag ineens hoe smerig alles was, hoe smerig en verrot, en hij was helemaal alleen in zijn ruimteschip en niemand die hem wilde helpen. Roland klootzak Roland. Maar Roland zou niet terugkomen, wist hij, terwijl zijn handen haar grepen. Roland was al ver weg en had hem alleen gelaten met alle smerigheid.
De geur van talkpoeder maakte hem misselijk. Hij keek in de ogen van het meisje en zag zijn eigen angst, groot en verschrikkelijk. Toen ze viel, viel hij bovenop haar. Zijn handen hielden haar vast tot alle angst verdwenen was.