TONEEL

Talk!

Glengarry Glen Ross

Het management van een makelaarskantoor maakt van de verkoop een wedstrijd. In het gevecht om de hoogste cijfers op het scorebord gaan koppen rollen, zoveel is duidelijk. Inzet is het spoor naar de juiste aanwijzingen voor potentiële kopers van onroerend goed. Als die aanwijzingen (rugnummers en dossiercodes) blijken te zijn gestolen en de politie is ingeschakeld, krijgt de rat race op het kantoor een tragische dynamiek. Dat is ongeveer de plotlijn van het stuk Glengarry Glen Ross van David Mamet, in Nederland vijftien jaar geleden bij Toneelgroep Amsterdam gespeeld onder de titel Vastgoed BV. Waarbij vertaler Marcel Otten en regisseur Johan Doesburg de situatie hadden verplaatst naar een Haags penozekantoor, waar tijdens de lunch bij de Jap aan de overkant in onvervalst Jacobse & Van Es-jargon ‘een moot rauwe zalm naar binnen werd geschoven’.

Gespeeld wordt ook nu bij Toneelgroep Amsterdam, waar regisseur en vertaler Eric de Vroedt en zijn ontwerpers de vertelling situeren in een quasi-hip kantoorpand aan de Zuidas met uitzicht op een trendy bar en dito Aziaat. Het stuk staat bol van zwendelbabbels die niet of nauwelijks worden ondersteund door concrete handelingen, een ideaal speelvehikel voor gretige acteurs. En daar lopen er hier flink wat van rond. Gesuggereerd wordt dat het stuk over het kapitalisme in het algemeen en over de tricks of the trade van de geldhandel in het bijzonder gaat. Wat gedeeltelijk onzin is. In het jaar van zijn ontstaan (1984) en zijn verfilming (1992) sloot de vertelling aan op de windhandel in waardeloze boerderettes en andere doorwaaide ruïnes. De huidige financiële crisis wortelt in bankiersplannen om te speculeren met niet-terugbetaalde leningen, de zogenaamde kredietderivaten – een gans ander en gevaarlijker spel. Waarbij komt dat Mamets tragikomedie ook helemaal geen leerstuk is over de mechanieken in het kapitalisme, maar over de middelen waarmee die mechanieken worden bespeeld, de taal waarin dat gebeurt (hier talk genoemd, een woordenspel dat zich consequent loszingt van het onderwerp) en de grote macho-smoelen die deze non-taal bezigen.
Eric de Vroedt heeft zijn spelers verleid tot een mix van high comedy (inclusief een bij vlagen briljante timing) met een stripverhalentoneelspelersstijl, waarbij de fysieke, met flair en plezier uitgevoerde tics over elkaar heen buitelen. Ik heb met genoegen gekeken naar een acteur als Leon Voorberg, die in de openingsscène met een uitgekiende gestiek en mimiek almaar uitstelt wat hij wel moet maar niet wíl prijsgeven. Of naar Fedja van Huêt, die vanuit zijn nek en schouderbladen een zweterige Monty Python-ambtenaar opbouwt, die hij in de bijna-slotscène genadeloos onderuitschoffelt met een tic die de griezelige onderstromen van zijn personage letterlijk blootlegt.

Dit hogeschool vaudeville-acteren vereist veel speelvernuft en ademtechniek en daar wil het de toneelspelers in de hitte van de vuurlinies nog wel eens aan ontbreken. Door een te vroege te hoge inzet waar ze niet meer overheen komen. Vervelend gevolg daarvan is dat ik vanaf rij negen in een vlakkevloerzaal een flink deel van de teksten niet meer verstond. Hoe kan dat? Hebben die elektronische versterkingen in de grote zaal de stemmen van de toneelspelers zodanig verpest dat het ‘gewoon’ verstaanbaar spelen in een middenzaal niet meer lukt? Maar waarom lukt dat Hugo Koolschijn, de loser van het stel die bijna stikt in zijn woede, dan wel? Enfin, misschien was het de avond. Die overigens bepaald geen straf was, laat dat ook gezegd zijn.

Glengarry Glen Ross door Toneelgroep Amsterdam, nog t/m 4 december in Rotterdam en Haarlem. www.toneelgroepamsterdam.nl