Hoofdcommentaar

Talpa en de publieken

De introductie van Talpa in het Nederlandse medialandschap is geen grote bijzonderheid. Nieuwe zenders dienen zich elke paar jaar wel aan. Sommige slagen, sommige verkommeren, een enkele verdwijnt of laat zich overnemen. De gangbare mening is dat de Nederlandse televisiemarkt goeddeels verzadigd is. Het aantal televisiekijkers neemt niet meer toe, het aantal gekeken uren per kijker ook niet, het publiek vergrijst en wordt daarmee commercieel minder interessant. Een zender moet het hebben van vrouwen tussen 18 en 45, in marketingtermen: «de boodschappers». Die kijken nu naar RTL4, naar de publieke omroep, en ook wel naar SBS6.

Vijftien jaar geleden kon een nieuwkomer als SBS6 zich nog met brutale, goedkope programmering en lage reclametarieven invechten in het medialandschap. Nu is een nieuwe zender alleen levensvatbaar als de eigenaar marktaandeel bij een ander wegkoopt. Zo werkt Talpa. Het kan De Mol au fond weinig schelen wat de zender brengt, als het die «boodschappers» maar binnenbrengt. Als hij in een jaar tien procent marktaandeel wil verwerven, moet hij niet iets nieuws brengen, maar bestaande successen overnemen en beter uitbaten dan hun vorige baas. Het voetbal is daarbij onmisbaar, en dat was gelukkig te koop. Talpa’s aanloopkosten zijn daardoor weliswaar zeer hoog, maar de kans van slagen is navenant.

De Mol is niet, zoals Joop van den Ende dat wel was, behept met een Uriah Heep-complex: een diepgeworteld gevoel van minderwaar digheid ten opzichte van het culturele establishment dat altijd zo had neergekeken op de Soundmixshow, de André van Duin Show en Wedden dat. Dat Van den Ende nu hoofdsponsor van die culturele elite is, is de kroon op zijn ambitie.

De Mol gaat het echter niet om het respect van de grachtengordel. Het gaat hem uiteindelijk niet eens om de zender zelf, maar om wat ermee bereikt kan worden. De Nederlandse consument zal de komende jaren kiezen welke kabelaar zijn telefoon, televisie, radio, internet, betaalfilm, sport en wat er allemaal nog meer door de kabel of door de ether kan, mag aanbieden. Het bedrijf dat de meest interessante content bij zijn codekastjes levert – voetbal bijvoorbeeld – heeft daarbij een voordeel. Als die kastjes er eenmaal staan, zal de aandacht van de kijker uitwaaieren over tientallen thema- en betaalkanalen. Maar dan heeft De Mol de winst al binnen en is zijn Talpa-zender misschien allang verkocht aan HMG, Viacom of Disney.

Het meest opvallend aan de programmering van Talpa is dus dat die niet opvallend is. Het zijn dezelfde gezichten, dezelfde sporten, dezelfde formats. Men gaat niet iets nieuws doen. Men brengt Ivo Niehe, Linda de Mol, Jack Spijkerman, Roda JC – Heracles (0-0) en Big Brother, aflevering 4.

Het oude Hilversum reageert niettemin ontzet. Nova’s Twan Huys interviewt de jonge miljardair alsof hij de zoon van Berlusconi en Haider is, een man die bedenkelijke politieke ambities koestert, die zwangere vrouwen wil exploiteren, kortom, Hannibal ad portas. Dat slaat niet alleen nergens op, het is ook niet relevant.

Tien jaar geleden verloor de publieke omroep al eens het betaald voetbal. Het failliet van Sport7 voorkwam dat men toen al werd gedwongen tot fundamentele bezinning op het doel en het nut van het bestel, een catharsis waar de Britse en Belgische nationale omroepen wel met enig succes doorheen gingen. Nu, tien jaar later, is men in Nederland nog geen steek verder. Er zijn zendercoördinatoren, zeker, maar de fundamentele schizofrenie van het publieke bestel is nooit aangepakt. Omroepverenigingen moeten statutair hun eigen belang dienen, maar ook het algemeen belang; ze zijn wettelijk verplicht programma’s te maken die niet commercieel interessant zijn, maar het bestel is tegelijkertijd voor een derde van de inkomsten afhankelijk van reclame.

Die schizofrenie heeft geleid tot Italiaanse toestanden: een speklaag van zeer goed betaalde vergadertijgers (Wolffensperger) met uitstekende politieke connecties, tot semi-institutionele corruptie, tot gedwongen gesjoemel met «derde geldstromen» en tot de meest bizarre vormen van geldverspilling. Neem de serie Het glazen huis. Een prestigieuze soap, waar de kijkers van Avro (Oud Geld), Tros (Frans Bauer) en BNN (Neuken doe je zó) zich in moesten herkennen, maar dan wel maar drie dagen per week, niet vijf, en zonder cliffhanger of spanningsboog, want er zou wel eens een schaatser gehuldigd moeten worden, en daar zou de soap natuurlijk voor moeten wijken. Een vijfpotige kameel, waar een paard was gevraagd. De productie werd gegund aan Endemol. Na veertig afleveringen werd de soap verbannen naar de vrijdagnacht, na honderd afleveringen opgedoekt. Debacle. Vervolg: BNN koopt Onderweg naar morgen, een bestaande soap, uitgewoond door RTL, geproduceerd door Endemol, laughing all the way to the bank.

Het enige wat de publieke omroep in al die jaren in volle eendracht heeft kunnen bewerkstelligen, is haar eigen ondergang. Het is goed denkbaar dat een radicale hervorming van het bestel – tot twee of drie neutrale licenties, zonder reclameverplichting – een levensvatbaar alternatief had kunnen opleveren. Een verbijsterende combinatie van handjeklap, egoïsme, kortzichtigheid en politieke rancune heeft dat onmogelijk gemaakt. Talpa heeft niet de doodsstrijd van de publieken veroorzaakt. Ze heeft er alleen een schijnwerpertje op gezet.