Tamelijk irritant

Rob Groenewegen, Te leven op duizend plaatsen. Jo Otten 1901-1940, € 45,-

Het lastigst te recenseren zijn die boeken die noch heel mooi noch heel slecht zijn. De biografie die neerlandicus Rob Groenewegen schreef van de totaal vergeten literator Jo Otten is zo'n boek. Jo Otten (1901-1940) kwam uit een welgesteld Rotterdams milieu en hoewel hij door zijn vader naar de hagelnieuwe Handelshogeschool van de Maasstad (de voorloper van de Erasmus Universiteit) werd gestuurd, was het zijn ambitie om een belangrijk schrijver te worden. Zoals zoveel intellectuelen van zijn generatie flirtte hij met Mussolini en in 1928 promoveerde hij op een proefschrift over het Italiaanse fascisme. Hij was bevriend met de uitgever van bibliofiele boeken A.A.M. Stols en ging begin jaren dertig om met de in Rotterdam docerende Menno ter Braak, met wie hij tevens in de redactie van het blad Filmliga zat. Zijn letterkundige activiteiten werden echter maar matig gewaardeerd en de kliek rond Ter Braak nam hem niet erg serieus, wat later resulteerde in een eindeloze reeks uiterst negatieve recensies. De ironie van het lot wilde dat de Rotterdammer Otten halverwege de jaren dertig naar Den Haag verhuisde, waar hij op 10 mei 1940 werd geraakt door een van de drie bommen die op de hofstad vielen.
Doordat de zogenoemde Forum-generatie van Ter Braak en Du Perron vooral na de oorlog buitenproportioneel werd opgehemeld, raakte Otten in de vergetelheid en stond hij, bij de weinigen die zijn naam nog kenden, te boek als een derde- of vierderangs literator. In hoeverre is dat terecht? In zijn biografie van Otten wil Rob Groenewegen niet op deze vraag ingaan, en wil hij slechts ‘begrip kweken voor het werk en het leven van een bijzonder mens, iemand die nauwelijks tegen het leven was opgewassen en een kruistocht voerde tegen de wetmatigheden waaruit dat leven bestond’. Hiermee heeft hij zich een even moeilijke als ondankbare taak op de hals gehaald.
Otten leefde in een tijd die cultureel en intellectueel gezien heel opwindend was, en hij trachtte hierin een eigen standpunt te bepalen en een eigen stem te ontwikkelen. Zijn kritiek op het bloedeloze intellectualisme van Ter Braak - die zich tegenover Otten bijzonder misselijk heeft gedragen - was terecht, maar tegelijkertijd komt hij zelf niet naar voren als een oorspronkelijk en helder denker. Politiek gezien bleef hij een uiterst halfslachtige houding aannemen, zelfs toen eind jaren dertig een voormalige antidemocraat als Ter Braak tot de conclusie kwam dat de liberale democratie verdedigd diende te worden. Ook de fragmenten uit het literaire werk van Otten zijn niet van dien aard dat ik een onweerstaanbare drang voel opkomen om zijn verhalen, novellen en romans te gaan lezen. Daarbij was hij ook nog een tamelijk vervelende en humorloze kerel, die vreselijk verwend en egoïstisch was, op alle foto’s chagrijnig kijkt en zichzelf veel te serieus nam.
Het probleem met Otten is dat hij wel enkele talenten bezat, maar dat die niet echt heel groot waren. Zijn prestaties bleven amechtig en op grote afstand achter zijn pretenties aan hollen. Zelfs als hij een bibliofiele uitgave van de brieven van Keats bezorgt, valt het op dat zijn Engels tamelijk beroerd is en hij het verschil tussen de werkwoorden to stay en to stand niet snapt.
Aan de ruzies waarmee de totstandkoming van deze uitgave gepaard gaat wijdt Groenewegen niet minder dan twaalf pagina’s, wat heel typerend is voor deze biografie. Voor iemand van de statuur van Otten is het allemaal een beetje veel.
Interessant aan het boek is dat Groenewegen vrij adequaat het literaire en intellectuele klimaat van het interbellum schetst en terecht wat kanttekeningen plaatst bij de reputatie van Ter Braak en de zijnen. Maar door dit op te hangen aan de tamelijk irritante figuur Jo Otten vergt hij veel van de lezer. Ook is het aardig om wat meer te weten te komen over het magere culturele leven in Rotterdam, maar na verloop van tijd wekt dit dezelfde indruk als een boek over Afrika waarin telkens wordt beweerd dat er in de Sahara zoveel zand ligt.
Zo zit de recensent dus met een - heel mooi uitgegeven en rijk geïllustreerd - boek dat weliswaar af en toe wat moeizaam geformuleerd maar toch helemaal niet slecht is, maar dat tegelijk ook op zijn zenuwen gaat werken. Aan alles zie je af dat hier vele jaren aan gewerkt is, maar had de auteur zijn energie niet beter in een ander boek kunnen steken, bijvoorbeeld een geschiedenis van de Nederlandse literatuur in het interbellum? Groenewegen is duidelijk gefascineerd geraakt door Otten, maar op deze lezer heeft hij die fascinatie helaas niet weten over te brengen.

ROB GROENEWEGEN
TE LEVEN OP DUIZEND PLAATSEN: JO OTTEN 1901-1940
In de Knipscheer, 814 blz., € 45,-