Hoofdcommentaar

Tandeloos toezicht

Reageer online

Scholen, ziekenhuizen en banken, het zijn drie totaal verschillende werelden, maar alle drie waren ze afgelopen week in ruime of iets minder ruime mate in het nieuws en hadden in die nieuwswaardigheid op z’n minst één kenmerk gemeen: bij alle drie kwam de vraag naar voren hoe het met het toezicht is gesteld.
Zo willen de wethouders Onderwijs van de vier grote steden van de staatssecretaris van Onderwijs de bevoegdheid krijgen om slechte scholen te sluiten, ‘omdat een beroerde school jarenlang zijn gang kan gaan’, zoals een van hen het verwoordde.
Naar aanleiding van de misstanden in de IJsselmeerziekenhuizen in Lelystad en Emmeloord verschillen hoogleraren inmiddels van mening over de vraag of de raden van commissarissen van ziekenhuizen ‘krachteloos en machteloos’ zijn bij het uitoefenen van hun toezichthoudende taak.
Rondom de internationale kredietcrisis ten slotte zijn vele krantenkolommen en radio- en televisieprogramma’s gevuld met de meningsverschillen over de mate waarin toezichthouders als het IMF, de Amerikaanse Fed, De Nederlandsche Bank of de raden van commissarissen van banken hun taak hebben verzaakt dan wel onvoldoende mogelijkheden hebben om in te grijpen.
Uit dit alles doemt het beeld op van tandeloze toezichthouders, niet in staat of niet genegen om in te grijpen als het er echt op aankomt. Daar is een aantal redenen voor aan te wijzen: toegeeflijkheid, onwetendheid, ongeïnteresseerdheid, onbevoegdheid en eigenbelang.
Een school, net als een ziekenhuis, kan van hogerhand worden gesloten als er slecht wordt gepresteerd. Het gebeurt echter zelden tot nooit. Waarom niet? Voormalig inspecteur-generaal voor de gezondheidszorg Herre Kingma deed daarover een doekje open: ‘We leefden in een permissive society… Een ziekenhuis sluiten: dat was not done.’ Een beslissing om een school of ziekenhuis te sluiten is ook niet niks: het zet banen op de tocht en maakt patiënten en schoolkinderen tijdelijk dakloos. Waarschijnlijk is oprecht gemeend dat er kansen geboden moeten worden om prestaties te verbeteren. Maar wanneer slaat toegeeflijkheid om in laksheid? Hoeveel patiënten en kinderen mogen er de dupe zijn voordat slecht ook het etiket slecht krijgt met daaraan verbonden sancties?
In de affaire rond de IJsselmeerziekenhuizen blijkt dat ook onwetendheid, in de betekenis van niet op de hoogte gebracht zijn, een rol speelt. Een visitatiecommissie van collega-artsen geeft eventuele negatieve bevindingen niet door, niet aan de inspectie voor de gezondheidszorg en niet aan de raad van bestuur van het ziekenhuis. Dat hoefde tot nu toe ook niet, of andersom gezegd: inspectie noch raad van bestuur heeft de bevoegdheid naar de wederwaardigheden van de visitatiecommissie te vragen. Er was het vertrouwen dat artsen zich iets van collegiale kritiek zouden aantrekken. Maar, zo constateert de huidige inspecteur-generaal voor de gezondheidszorg Gerrit van der Wal nu: de onderlinge controle functioneert onvoldoende.
Bij de IJsselmeerziekenhuizen kwam hier dan ook nog de onwil van die raad van bestuur bij om negatieve berichten over de luchtkwaliteit, de samenwerking tussen chirurgen en de ziekenhuisfinanciën te delen met de raad van commissarissen. Die commissarissen vinden nu dat ze zichzelf niks kwalijk hoeven te nemen, ze waren immers onwetend. Ze vertrouwden op de informatie die ze kregen van de raad van bestuur.
Als de commissarissen dit oprecht menen, dan moet dezelfde conclusie worden getrokken als Van der Wal voor de visitatiecommissies deed: de controle functioneert onvoldoende.
De vraag rijst echter of toezichthouders wel zo afhankelijk zijn van een directie, of dat hier slechts een formeel argument wordt gebruikt om schuld af te schuiven en de eigen ongeïnteresseerdheid in het werkelijke reilen en zeilen van de instelling te maskeren. Want waar de ene hoogleraar de machteloosheid van de toezichthouder benadrukt, wijst de andere juist op allerlei mogelijkheden die de toezichthouder heeft om op een andere manier dan via de raad van bestuur aan informatie te komen.
Dan de wereld van het geld. Ook hier is de discussie over het toezicht opgelaaid en zijn de deskundigen het niet altijd met elkaar eens over de bevoegdheden van de verschillende toezichthouders en de vraag of er meer regels nodig zijn. Over één ding lijkt iedereen het echter wel eens te zijn: de banken hebben het risicomanagement laten versloffen en daardoor onvoldoende zicht gehad op de gevaren die men liep. In een tijd van economische euforie durfde niemand op de rem te gaan staan, elke bank wilde meeprofiteren, naar waarschuwingen van externe toezichthouders werd niet geluisterd. Eigenbelang was belangrijker dan het maatschappelijk belang als het fout zou gaan.
De burger, ondertussen, krijgt al dit nieuws over zich heen, verliest zijn vertrouwen in organisaties en instellingen en moet daar bovenop hier en daar het verwijt incasseren dat hij zelf maar een betere school had moeten kiezen voor zijn kind, naar een ander ziekenhuis had moeten gaan of zijn spaargeld niet bij die toegestane bank had moeten onderbrengen.
Dat verwijt is niet terecht. Als toezichthouders zich al machteloos weten dan wel wanen, dan mag van de burger niet worden gevraagd dat hij wél weet hoe een school, ziekenhuis of bank presteert.
Toezicht is een door de burgers in vertrouwen aan derden uitbestede taak. Als dat toezicht vervolgens tandeloos blijkt, is dat vertrouwen misplaatst geweest, maar ligt de schuld daarvoor niet bij de burger. Eerst zal nu in de verschillende sectoren gekeken moeten worden waarom het toezicht heeft gefaald. Meer regels hoeven niet altijd de oplossing te zijn, zo blijkt uit bovenstaand overzicht. Meer openheid, doorbijten en een groter bewustzijn van de verantwoordelijkheid kunnen al veel verbeteren. En daarmee ook het vertrouwen van de burger in de toezichthouder weer opschroeven.