Tandenborstels

Het krijgen en behouden van een uitkering is tegenwoordig aan meer regels gebonden dan voorheen. Streng. Maar onrechtvaardig. Scholingsplicht, taaleisen, tegenprestaties… Het is te ver gegaan.

Sinds midden jaren tachtig zorg ik ervoor altijd twee, liefst meer tandenborstels in een beker in mijn badkamer te hebben staan. Daar moet ik aan terugdenken, nu er door de Vereniging Nederlandse Gemeenten bij de politieke partijen voor wordt gepleit om in de kabinetsformatie uitkeringen, toeslagen en aanvullende regelingen ingrijpend te vereenvoudigen. Dat laatste begint volgens de pleitbezorgers, de gemeenten, met minder wantrouwen jegens de mensen die een beroep doen op die regelingen.

Het was indertijd in de oude Tweede Kamer bij een commissievergadering over de bijstand dat die tandenborstel-gewoonte ontstond. cda’er Louw de Graaf, destijds minister van Sociale Zaken, en vvd-staatssecretaris op datzelfde ministerie, Annelien Kappeyne van de Coppello, werden door de Kamerleden aan de tand gevoeld over de aanpak van fraude in de bijstandswet. Die was in de jaren zestig ingevoerd zonder dat er maatregelen in stonden voor het geval er misbruik van zou worden gemaakt. Dat beeld van de mens kantelde toen meer en meer bleek dat dit wél gebeurde.

Daarvan was ik zelf een keer getuige toen ik voor een regionaal dagblad een paar jaar daarvoor een artikel wilde schrijven over bijstandsmoeders, in die tijd nog een relatief nieuw begrip. Mijn chef van de stadsredactie had weinig zin in een dergelijk verhaal. Toen ik op het punt stond met een paar vrouwen bij een van hen thuis te gaan praten, zei hij: ‘Als je een koekje bij de koffie krijgt, komt het verhaal niet in de krant.’ Ik kreeg geen koekje en zag bij deze bijstandsmoeder dat ze de draaischijf van haar telefoon met een slotje had gebarricadeerd, opdat er vanuit haar huis niet zomaar gebeld kon worden maar zij zelf wel bereikbaar was. Bellen kost immers geld, gebeld worden niet. Ik verzweeg tegenover mijn chef echter dat ik bij een andere bijstandsmoeder binnenkwam en spontaan opmerkte dat het daar erg warm was. Waarop ze zei: ‘Je denkt toch zeker niet dat ik kou ga zitten lijden, wel?’ Even later hoorde ik de buitendeur open en dicht gaan en zag een man door de gang naar boven lopen. ‘Mijn kostganger’, zei de vrouw kortaf.

Midden jaren tachtig was ik er op het Binnenhof getuige van dat een vrouw met een kostganger door de overheid voortaan als fraudeur zou worden gezien. Hoe dit frauderen met de uitkering zou worden vastgesteld? Onder meer door controleurs namens de Sociale Dienst in de badkamer te laten tellen hoeveel tandenborstels daar stonden. Een Kamerlid maakte nog een ongepaste opmerking over de staatssecretaris die de minister als stiekeme vriend had, Kappeyne van de Coppello werd knalrood, hield zich verder in en de controle kwam er. Hoewel ik het geluk heb gehad sindsdien altijd werk te hebben gehad, staan er vanaf toen uit stil protest meerdere tandenborstels op mijn toilettafel.

Hoe gaat de politiek ervoor zorgen dat die slinger weer de andere kant op gaat?

Twee vrouwen, twee manieren van omgaan met hun uitkering. Een uitkering die ook begin jaren tachtig al geen vetpot was. Waarover ook toen al verschil van mening bestond over wat nu wél en niet tot de eerste levensbehoeften hoorde. Geen koekjes, vond mijn chef van de Brabantse krant destijds. En waarvoor lokale politici ook toen al aandacht vroegen door zelf een tijdje van het uitkeringsbedrag te gaan leven. Wat toen al bij de vrouw met het slotje op haar telefoon de verzuchting ontlokte: ‘Ja, een maand! De ellende begint pas als je wasmachine kapotgaat.’ Dat was in dezelfde stad waar onlangs wederom een lokale politicus een korte tijd van een bijstandsuitkering probeerde rond te komen, in Tilburg.

De regels voor het verkrijgen en behouden van een uitkering zijn inmiddels nog strenger dan in de tijd van De Graaf en Kappeyne van de Coppello. Streng maar onrechtvaardig, is niet zonder reden de titel van het jaarboek van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken. Er bestaat een scholingsplicht, er zijn taaleisen, je moet een tegenprestatie leveren, er wordt naar je uiterlijk gekeken, en gaat een inwonend kind geld verdienen, dan wordt de uitkering verlaagd. Ook ligt de hoogte van de uitkering nu onder het minimumloon, mede gedaan om werken lonend te maken. Maar wie gaat werken, verliest het recht op allerlei toeslagen, waardoor werken alsnog niet loont. En ook dat is niet nieuw, want ook over de armoedeval, zoals dat wordt genoemd, ging het al veel eerder op het Binnenhof.

Maar de pendule is te ver door geslingerd. Hoe gaat de politiek ervoor zorgen dat die slinger weer de andere kant op gaat? De kant waar mensen die een fout maken niet meteen een fraudeur zijn. Waar al die toeslagen en extra potjes niet nodig zijn om van rond te kunnen komen, ook als je wasmachine kapotgaat. Waar werk vinden echt loont – én waar werken ook belangrijk is voor je geluk en welbevinden, zodat er – en ook dit is niet nieuw – weer banen komen voor mensen die in het gewone arbeidsproces geen werk zullen vinden, ooit Melkertbanen genoemd, nu basisbanen geheten.

Ooit heb ik zelf in de bijstand gezeten. Meteen na mijn studie. Wat een geld had ik ineens, maar wat ongelukkig voelde ik me. Jong, maar wat nu? Gelukkig was er maatwerk, ook al kende ik die term niet. Toen ik zelf voor zes weken werk vond als verzorger van een invalide man kreeg ik zelfs een compliment van de ambtenaar van de Sociale Dienst. Dat voelt zo anders dan een tandenborstelcontrole in je badkamer.