Tandenfee

In de klas van mijn zoon woedt een hevige geloofstwist over het al dan niet bestaan van de tandenfee. Slissend, kwijlend, met de friemelvingers aan de wiebeltanden wisselen ze hun argumenten uit.

Een grote knul – hij heeft recht van spreken, met alleen nog wat Dracula-achtige hoektanden in z’n bovengebit – weet het zeker, en beweert haar zelfs gezien te hebben. Een meisje dat twee ondertanden mist komt juist met een omgekeerd feeënbewijs, en zegt getuige te zijn geweest van het bedrog: haar ouders verruilden de tand voor een euromunt.

Na schooltijd was ik weer degene die een salomonsoordeel moest vellen. Ik wist het niet. Deze fase kwam te vroeg voor mij. En één hele euro, was dat niet wat veel? Ik was al blij dat we de paashaas de tuin uit hadden getrapt. Het liefst zou ik ook de Sint met z’n knechten en z’n pepernoten op de tjoekie tjoekie stoomboot zetten. Enkele reis naar het rijk der fabelen, mijnheer! Maar zo’n hevig atheïsme zien zelfs de meest doorgewinterde liberalen als een onmenselijke wreedheid.

‘Tja, de tandenfee… Wat denk je zelf?’

‘Nou, ik weet het niet.’

‘Nou, ik weet het ook niet.’

Meestal nemen kinderen met zo’n antwoord geen genoegen, maar in dit geval leidde het ertoe dat hij op eigen houtje de falsificatietheorie van Karl Popper uitdacht. Na een denkpauze kwam hij met de volgende deal (kinderen opvoeden is onderhandelen): hij ging die tand onder z’n kussen leggen, en wij moesten beloven er absoluut niet aan te komen. Lag er de volgende dag geen muntje of andersoortig geschenk, dan bestond de tandenfee niet, ‘maar dan krijg ik wél van jullie een muntje, dat sowieso’. Lag het muntje er wel, dan kon hij de hele klas vertellen dat ze wel degelijk bestond.

Bestaan of niet bestaan: dat is voor zesjarigen voortdurend de vraag

Aldus geschiedde. Zelfs in mij was nog iets wat het spannend vond de volgende ochtend onder het kussen te kijken. Je weet immers maar nooit. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en zelden aangenaam.

Bestaan of niet bestaan: dat is voor zesjarigen voortdurend de vraag. Op weg naar de Efteling hebben we eens zevenennegentig kilometer lang ontologische discussies gevoerd. En ook bij boeken blijft het steeds de vraag. Het punt is: je wilt ze ook weer niet veranderen in fantasieloze typen. Je wilt juist dat ze af en toe voor een deel meegaan in de illusies van verhalen, pretparken en films.

Ik herinnerde me ineens wat een docent middeleeuwse letteren, Ludo Jongen, vaak in de koffiekamer vertelde. Als hij zijn dochter voorlas in bed en ze wilde weten of die draken en elfen echt bestonden, antwoordde hij: ‘Als het boek open is bestaan ze. Als het boek dicht is bestaan ze niet.’

Ik knikte daar toen wat schamper bij, zoals je op die leeftijd schamper knikt als het om kinderen gaat, wezentjes van wie je het bestaan evenmin kon voorstellen als dat van de paashaas, maar nu begreep ik hem precies, en ben ik die formule ook dankbaar gaan gebruiken.

Deze week, toen de herfstbladeren gingen vallen, was er een nieuwe vraag na schooltijd: ‘Pietje zei dat de bladeren vallen omdat er een fee is die ze eraf blaast. Bestaat de blaadjesfee écht?’

Ik zuchtte. ‘Wat denk je zélf? Je hebt verdorie eergisteren nog met het popperiaanse falsificatiemodel onweerlegbaar aangetoond dat de tandenfee in het domein van de non-existentie thuishoort. Hoe moeilijk kan het zijn om dat te extrapoleren naar die malle herfstbladenheks? Op de brandstapel met dat takkenwijf! Zeg dat maar tegen die Pietje van je.’

‘Oké, dat ga ik doen!’ Maar Pietje was onvermurwbaar, en eigenlijk zijn wij allemaal een klein beetje Pietje. Ondanks onze ratio, ondanks feiten, cijfers en logica nemen we compleet onzinnige beslissingen op basis van schimmige instincten als gevoel of intuïtie. Ik ken mensen die succesvol zijn in het bedrijfsleven en toch in alle ernst te rade gaan bij handlezers of tarotleggers en die bijvoorbeeld homeopathische middeltjes slikken bij verkoudheid, want ‘je weet maar nooit’. In de jaren negentig lag bij talloos veel ogenschijnlijk geestelijk gezonde mensen De Celestijnse Belofte op het nachtkastje.

Bij zesjarigen zie je goed hoe ons brein geëvolueerd is: het fantaserende, voor sprookjesfiguren ontvankelijke, irreële deel lijkt immuun voor het logische denkdeel, dat in verhouding maar een dun vliesje van rationaliteit is. En het is goed om dat grillige, archaïsche gebied levend te houden en te voeden, vooral met boeken, want lezen doe je met datzelfde hersengebied. Maar volgens mij hebben we er ook baat bij om te weten wanneer iets echt bestaat of niet. Kinderlevens worden heus niet onaangenamer als ze weten dat de ouders de eieren verstoppen. Zolang ze er maar boeken bij blijven lezen, en zolang ze maar dat ezelsbruggetje onthouden dat elke geloofstwist kan beslechten: ‘Als het boek open is bestaan ze. Als het boek dicht is bestaan ze niet.’