Tante jet

De uitvoerige en heldere recensie door Marja Pruis van de biografie van Elsbeth Etty over Henriette Roland Holst (De Groene van 6 november) zou ik als uitgangspunt willen nemen voor enige opmerkingen.

Dat Henriette Roland Holst een persoon van belang was in ons rode Nederland - en niet alleen daar, gezien haar vriendschap met Huizinga - weet ik heel goed, want ik stam uit een vaag socialistisch nest (ook al citeerde mijn vader meer Adama van Scheltema en Speenhoff dan Henriette Roland Holst). De inzet van mijn familie voor het illegale blad De Vonk, dat in dit boek terecht aandacht krijgt, moest mijn oudste broer bekopen met een verblijf in een concentratiekamp.
In het eerste naoorlogse ‘Vlamkamp’ (1945) verscheen Henriette Roland Holst in eigen persoon, en dit was, zo herinner ik me nog, alsof de Onze Lieve Vrouw van het socialisme zich hier manifesteerde: veel rode exaltatie speelde kennelijk niet alleen een rol in maar ook rond haar. Een meisje dat ik hier ontmoette, had echter enige tijd als haar secretaresse (of iets dergelijks) gediend en sprak bijna met haat over haar gewezen werkgeefster. Tot mijn prille verbazing, maar ook dit maakt mevrouw Etty duidelijk: velen adoreerden haar en anderen werden door haar tot wanhoop of razernij gedreven (onder wie haar eigen Richard).
Tijdens mijn geschiedenisstudie (omstreeks 1950) heb ik een scriptie gewijd aan de visie van enige Nederlandse socialisten (in het interbellum) op de Sovjetunie; onder wie Henriette Roland Holst, zoals voor de hand lag. Mijn bron vormden twee boeken van haar: Uit Sowjet Rusland: Beelden en beschouwingen (uit 1921) en Grondslagen en problemen der nieuwe cultuur in Sowjet Rusland (uit 1932). Het tweede boek leek mij het belangrijkst, omdat zij hier, op grond van een zeer beperkt bronnenmateriaal, even ver reikende als speculatieve beschouwingen wijdde aan een land waarvan zij kennelijk heel weinig afwist. 'Een verlangen naar Rusland’, luidde de kop in De Groene. Jawel, maar geen al te groot verlangen om zich in de realiteiten daarvan te verdiepen.
Merkwaardigerwijs is juist dit boek door mevrouw Etty niet alleen in haar betoog buiten beschouwing gelaten, maar ook niet vermeld in haar overzicht van alle publikaties van Henriette Roland Holst. Voor 1932 staat wel het tweede deel van haar Kapitaal en arbeid in Nederland vermeld (dat ik, met Jan Romein, een bewonderenswaardig boek vind).
Hoe deze verbazingwekkende omissie verklaard moet worden, is mij een raadsel, en als ik een freudiaan was, zou ik hier misschien denken aan een Fehlleistung (een psycho-ideologische, wel te verstaan). Die is echter blijkbaar ook niet opgemerkt door de vele geleerden en deskundigen die Etty in haar inleiding heeft vermeld en bedankt. Waaruit een sceptische geest zou kunnen opmaken dat 'men’ in dit land blijkbaar wel is geïnteresseerd in de boeiende persoonlijkheid van Henriette Roland Holst, maar veel minder in haar denkbeelden. Rotterdam E. M. JANSSEN PERIO