Serie: Grote liefdes

Tante Jet en de liefde

Toen Elsbeth Etty aan haar biografie van Henriette Roland Holst begon, kende ze het gerucht dat haar heldin ondanks ruim veertig jaar huwelijk als maagd was gestorven. Eerst geloofde ze dat niet, en vond ze het niet eens interessant. Later begreep ze het belang van het verhaal: Henriette
leefde voor haar kunst, en haar grote liefdes waren het socialisme, het communisme en God.

IN DE DAGEN voorafgaande aan de vorige eeuwwisseling gaf Henriette Roland Holst lezingen in het noorden van het land. Zoals meestal sprak ze over de nieuwe tijd, maar niet omdat er een nieuwe eeuw op komst was, daarvan leek ze zich nauwelijks bewust. Voor há
ár wás de Nieuwe Tijd allang begonnen, twee jaar ervoor om precies te zijn, toen ze samen met haar man en Herman Gorter lid was geworden van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij, de SDAP.

Ze onderhield haar publiek niet over de liefde. Stel je voor! Nee, ze sprak Openbare Vergaderingen van haar partij toe op het thema ‘De arbeidersbeweging in Nederland’. Een verslaggever van Het Volk noteerde dat zij 'in brede trekken het verschil schetste tussen de vakbeweging in ons land met die van zeer vele der omringende landen’. Dat was hot stuff destijds, even belangrijk als de liefde in deze gezapige, a-politieke en weinig bevlogen tijd voor óns is. Misschien is in deze tijd de liefde, met de nadruk op lustbevrediging en als het even kan bizarre seks, wel een compensatie voor het ontbreken van andere vormen van zelfrealisatie, in politiek, religie of anderszins.

Van de liefde, althans de seksuele, wist Henriette weinig. Ook al had ze zo langzamerhand wel de leeftijd om enige ervaring te hebben op dat gebied. Op 24 december 1899 werd ze dertig. Een kleine vier jaar eerder was ze getrouwd met de beeldend kunstenaar Rik Roland Holst, met wie ze in ’s Graveland het landgoed Schoonoord bewoonde. Maar hun liefdesleven ging niet over rozen. Dat kwam onder andere tot uiting in het feit dat Jet, zoals intimi haar noemden, nogal uithuizig was. Ook in de laatste weken van de oude en in de eerste weken van de nieuwe eeuw, waarin ze dagen achtereen op propaganda-tournee in Friesland en Groningen was. Ze sprak van Dokkum tot Surhuisterveen en van Groningen tot Zuid- en Noordhorn. Alles liever dan met Rik in hun mooie en smaakvol ingerichte Gooise villa zitten.

Later keek Henriette met gemengde gevoelens terug op het begin van haar huwelijk. In de jaren twintig schreef ze een bundeltje nooit gepubliceerde gedichten, getiteld Voor mijn lieve Rakkie (zoals ze Rik noemde) waarvan er één 'Schoonoord’ heet. Daarin betuigde ze haar spijt over het 'nieuwe licht’ (het socialisme) dat in de eerste jaren van haar huwelijk haar ogen had verblind en waardoor ze haast geen tijd had gehad zich te bezinnen op haar geluk. 'Wat het voor mijn man betekende dat ik, nog geen twee jaar na ons huwelijk, hem onophoudelijk alleen liet, daar verdiepte ik mij weinig in’, schreef ze als tachtigjarige in haar memoires Het vuur brandde voort (1949).




INMIDDELS WEET IK dat er weinig geluk heerste op Schoonoord, waar Rakkie - die eigenlijk nogal een stakkie was - zijn jonge vrouw in elk geval op erotisch gebied weinig te bieden had. Toen ik aan mijn biografie van Henriette Roland Holst begon, kende ik bij gerucht het verhaal dat mijn heldin, ondanks ruim veertig jaar huwelijk, als maagd was gestorven. Totdat ik dit gerucht bevestigd kreeg, en via uiteenlopende bronnen hoorde dat de arme Rik Roland Holst zijn levenlang impotent is geweest, weigerde ik pertinent dat te geloven. Gewoon omdat ik het niet kon geloven. Ik had Henriette uit haar gedichten, artikelen en biografieën leren kennen als een buitengewoon hartstochtelijke vrouw, die opgewonden, om niet te zeggen hitsig, over in haar ogen aantrekkelijke heren schreef. Op haar achttiende, toen ze voor haar opvoeding een paar maanden in Luik verkeerde, werd ze verliefd op een bariton van het Luikse operagezelschap, die ze volledig identificeerde met de helden uit de opera. Uiteraard kon die liefde nergens toe leiden, want behalve om een brief te posten mocht ze geen stap buiten de deur zetten zonder chaperonne. Haar heftige emoties bezorgden haar een zenuwinzinking. Ze at en sliep niet meer en toen ze na een week bedrust opstond, stortte ze bewusteloos neer. Later herinnerde ze zich dat niemand enig idee had hoe ze zich voelde. Voordat haar ouders haar uit Luik weghaalden, liet ze bij de aanbeden zanger een in het Frans gesteld liefdespoëem bezorgen.

Achteraf stelde ze vast dat er in haar verliefdheid 'een erotisch element’ had gezeten, en dat lijkt me tamelijk zwak uitgedrukt. Toen ze een paar jaar later, op haar 22ste, de schilder Jan Toorop ontmoette, raakte ze compleet ondersteboven van zijn prachtige Indische kop, zijn donkere ogen en, zoals ze het zelf noemde, zijn 'zinnelijke’ lippen. In Herman Gorter roemde ze zijn 'hoog boven de doorsnee uitgaande vitaliteit en in samenhang daarmee een buitengewoon sterke sexualiteit’. Voor haar ging daar 'een grote bekoring’ vanuit, bekende ze.

Van manlijke politici raakte zij als jong SDAP-lid nog meer onder de indruk dan als meisje van kunstenaars. Toen ze in september 1900 (inmiddels dertig jaar oud) terugkeerde van een Internationaal Socialisten-congres in Parijs schroomde ze niet in het tijdschrift De Nieuwe Tijd te schrijven dat het congres haar lichamelijk had opgewonden. Zoals een hartstochtelijk verliefde vrouw over haar minnaar vertelt, beschreef een lyrische Jet Holst welke indruk de leiders van de internationale arbeidersbeweging op haar hadden gemaakt. Ze eindigde met de woorden: 'In hen hebben wij lief en bewonderen we niet enkel personen maar openbaringen van het edelste in een omhoog-worstelende klasse. Ook dit gevoel is - en niet het minste - geluk.’ Zoiets zie ik mezelf niet gauw schrijven over Wim Kok, Tony Blair of Gerhard Schröder en twintig jaar geleden niet over Fre Meis, Georges Marchais of Santiago Carrillo.




BIJ HET LEZEN VAN teksten als deze begon ik te vermoeden dat de sublimatietheorie van Freud op Henriette Roland Holst van toepassing zou kunnen zijn. Maar zelfs toen wilde ik me nog niet gewonnen geven. Ik kon er niet bij dat een zo vurig iemand als zij het een leven lang zonder seks had kunnen stellen. Op haar 45ste, drie jaar jonger dan ik nu ben, bracht ze in het Zwitserse Zimmerwald tijdens een geheime internationale conferentie een avond door op een hotelkamer met de 37-jarige Russische balling Lev Bronstein, alias Leon Trotski. Ze viel als een blok voor hem.
'Hij imponeerde en tevens trok hij aan als een magneet’, schreef ze na afloop. De scène in zijn hotelkamer, waar ze alleen maar bijeen waren om samen een of andere motie op te stellen, heeft ze meer dan eens beschreven als het begin van een romance. 'Flauw brandde het elektrisch lampje in de kleine houten kamer, vreemd suisde de stilte van de avond. Hij, die las, zat op zijn bed; zij die luisterde aan de kleine, krakende tafel.’ Twintig jaar na dato liet ze in een andere publicatie de hotelkamerscène zelfs veelbetekenend eindigen met Trotski’s opmerking: 'Laat ons nu gaan slapen…’ Daar is het niet van gekomen, althans van samen slapen niet.

Desondanks ontstond in linkse kring de legende van een romance tussen de twee. Lenin sprak van een 'idylle’ en Henriette heeft daar nog lang over gefantaseerd. Als 65-jarige noteerde ze in een dagboekje: 'Vannacht gedroomd dat ik met Trotzky steeg op hooge bergen, aan een zuidelijke zee: hij voerde mij mee. Ik zei telkens: ik kan niet, mijn hart is vergroot enz., maar hij lachte en we stegen.’ In deze droom is het verlangen naar overgave en naar de hoogste toppen evident. Om te doorgronden wat haar diepere verlangens waren, hebben we Freud niet nodig.

Waarom vond ik het als biograaf eigenlijk zo belangrijk om erachter te komen of tante Jet nou wel of niet als maagd het graf is ingegaan? Wat doet het er toe? Ik denk: veel. In de eerste plaats vind ik het nodig dat een biograaf mythen - en geruchten horen daar ook bij - ontzenuwt, en dat heb ik geprobeerd. Ik heb er zelfs enorm veel energie aan besteed en al ben ik er inmiddels van overtuigd dat het gerucht klopt en dat hier dus niets te ontzenuwen viel, zelfs nu kan ik nog niet met honderd procent zekerheid zeggen of haar inderdaad nooit de lusten van het liefdesspel ten deel zijn gevallen. Ik heb een puntje van twijfel en ik hoop dat iemand dat ooit nog eens opheldert. Lang nadat ik mijn hypothese over de levenslange maagdelijkheid van Henriette rond had, bleef ik namelijk worstelen met een sterk autobiografisch gedicht van haar uit de bundel Opwaartsche Wegen. Het gedicht heet 'De laatste dag van het jaar’ en het is, uit biografisch oogpunt, een van de interessantste verzen uit haar oeuvre. Niet voor niets heb ik de titel van mijn biografie, Liefde is heel het leven niet, aan dit gedicht ontleend. Het gedicht is uit 1907, het jaar waarin Rik Roland Holst een buitenechtelijke relatie begon met de tien jaar jongere weduwe Ina Santhagens. Ook deze relatie bleef platonisch, weet ik, want Ina is de belangrijkste bron voor de mededeling dat Rik impotent was. Van haar zijn de woorden: 'Ik ben altijd Riks bruid gebleven en nooit zijn vrouw geworden.’ Niettemin hebben Ina en Rik een verhouding gehad die tot aan Riks dood in 1938 duurde en aanvankelijk had Henriette veel verdriet van de driehoeksrelatie waarin ze zich gemanoeuvreerd voelde.

In het gedicht 'De laatste dag van het jaar’ is een man aan het woord die zijn vrouw bekent dat hij zich lichamelijk niet tot haar aangetrokken voelt. Hij betreurt het dat ze, mede om die reden, nooit kinderen zullen hebben, maar laat daarop volgen dat er andere dingen, zoals het lot van de mensheid, belangrijker zijn dan de liefde. 'Liefde is heel het leven niet’, zegt hij, waar natuurlijk had moeten staan: 'Seks is heel het leven niet’. Vervolgens troost hij haar met het idee dat ze het socialisme, de mensheid als hun kind kunnen beschouwen en hun liefde kunnen richten op het hogere. Tot zover is er voor de biograaf niets verontrustends aan dit gedicht, dat alleen maar de hypothese bevestigt van een gesublimeerde seksualiteit die is omgezet in liefde voor een abstractie als 'de mensheid’, 'het goede’ of 'het socialisme’. Maar er staat ook nog een akelig realistische passage in dit vers over een kind dat de man en de vrouw verloren hebben, hetzij omdat het dood geboren is, hetzij als gevolg van een miskraam of een abortus:



Dood is de zoete hoop

van het kindje dat uit jou kroop,

het liefste liefs als bezit,

het mollig en lachend bezit,

zije wimpertjes, huid als dons,

ál zachtheid geboren uit ons,

het kindje dat kwam en ging,

arme teedere lieveling,

ons goudharig klein genugt.

In Zuidland bij zon en vrucht

en donkergroen glanzend geboomt,

rank, waar de vreemdling naar droomt,

rust alle hoop die het droeg.



HENRIETTE HEEFT VAKER gedichten geschreven waar het verlangen naar een kind uit sprak, maar nooit zo levensecht. Nu weet ik wel dat een biograaf geen rechtstreeks verband mag leggen tussen werk en leven van de gebiografeerde, maar ik heb toch proberen te achterhalen wat er met 'Zuidland’ bedoeld werd, waar dat verdwenen kind zou rusten. In eerste instantie dacht ik aan Italië. Henriette en Rik zijn, zelfs voor vermogende mensen als zij, krankzinnig lang op huwelijksreis geweest in Italië. Kan het zijn, heb ik gedacht, dat Henriette zwanger was toen ze trouwde en tijdens haar huwelijksreis in het geniep een kind heeft gebaard? Er kan ook eerder iets gebeurd zijn. Toen ze pas verloofd waren, in de jaren '93 en '94, schreef Rik aan zijn vriend en collega-kunstenaar Antoon Derkinderen dat hij en Jet samen gereisd hadden en 'nog veel onvoorzichtiger dingen hebben gedaan’.

Zuidland uit het gedicht kan ook slaan op het landgoed van Henriettes moeder in Brabant, de Buissche Hei, waar Rik en Jet vaak hebben vertoefd. God weet wat zich daar heeft afgespeeld. Ik ben er geweest, herhaalde malen, heb naspeuringen gedaan, inlichtingen ingewonnen maar niets aangetroffen dat op een verdwenen kind van tante Jet zou kunnen wijzen. Nee, ook achteraf blijf ik bij mijn stelling dat de liefde tussen Rik en Jet ongeconsumeerd is gebleven. Henriette heeft wel het een en ander geprobeerd, heb ik de indruk. Nadat hun verloving door het echtpaar Verwey was gearrangeerd toen Henriette 23 en Rik 24 was, begonnen ze elkaar uitvoerige brieven te schrijven, waar ik als biograaf dankbaar uit heb geput. Er blijkt uit dat Henriette in strijd met alle conventies ongechaperonneerd bij Rik op bezoek ging op zijn atelier op de Amsterdamse Noordermarkt. Ik weet nog dat, toen ik Riks brief over dat bezoek las, mijn eigen geliefde op de Noordermarkt woonde, in hetzelfde rijtje als Rik, en ik wist dus wat er kon
gebeuren als je daar als vrouw alleen binnenging. Bij dat eerste bezoek hebben ze op z'n minst gezoend. Rik schreef haar na afloop dat hij verrukt was over 'al het moois’ dat er gebeurd was en dat 'de gedeeltelijke voldoening van zijn verlangen’ dat verlangen alleen maar sterker had gemaakt. 'Zoo mooi, zoo heerlijk was gisteren, en ik hunker nu naar meer, almaar meer.’

Dat dit 'meer’ er niet van is gekomen, heeft volgens mij te maken met het feit dat Rik homoseksueel was - iets waar hij vermoedelijk nooit voor uit heeft durven komen, maar wat waarschijnlijk wel de oorzaak was van zijn impotentie ten opzichte van vrouwen. In bedekte termen heeft hij er Henriette in hun verlovingstijd voor gewaarschuwd, in een brief waarin hij sprak over 'het weke meisjesachtige’ in hem. Niettemin vermoed ik dat Rik Roland Holst Henriettes grote liefde is geweest, of laat ik het zo zeggen: dankzij hem heeft zij de grote liefdes van haar leven kunnen botvieren. Die grote liefde was - ik vat het nu heel bot samen - in de eerste plaats eigenliefde. Henriettes droom was van jongsaf aan: volledige zelfontplooiing, eerst als dichteres en profetes, vervolgens als politica, nationaal geweten, heldin. Daar fantaseerde ze over, daaraan wijdde ze van jongsaf aan haar gedichten. Nooit, althans voor zover valt na te gaan, koppelde ze die ambitie aan fantasieën over een huwelijk of moederschap.
Dat ze uit
eindelijk - laat voor een meisje uit haar kringen, want al 26 - trouwde met Rik, was omdat een huwelijk haar meer kansen tot zelfontplooiing gaf dan een bestaan als oude vrijster bij haar deftige moeder thuis. Een huwelijk met een kunstenaar - waar ze altijd op heeft aangestuurd - bood haar de beste mogelijkheden om haar eigen talenten te ontwikkelen. De verlovingsbrieven van Rik aan Henriette - die van haar aan Rik zijn niet bewaard - zijn voor de biograaf een goudmijn. Er komt uit naar voren dat beiden een relatie voor ogen stond, gebaseerd op wederzijds respect en bewondering voor elkaars werk. Wat ze wilden was samenwerken en samenleven voor hun kunst. Ik denk dat ze weloverwogen met wederzijdse instemming een vrij modern huwelijk hebben gehad dat, dankzij het ontbreken van seks, volkomen gelijkwaardig was.



HET IS NIET ZO dat Henriette haar seksloze huwelijk van meet af aan als 'normaal’ beschouwd heeft. Ze kende haar Freud, ze kende de term 'sublimatie’ en ze is in de loop van haar leven haar uit nood geboren celibaat en de sublimatie van seksuele driften als een credo gaan belijden. Instemmend citeert ze in haar biografie van Tolstoj diens aanklachten tegen de wellust, maar aan haar eigen brein ontsproot haar veroordeling van vrouwen 'wier menselijkheid wordt leeggezogen door den vampyr harer sexualiteit’.
O
ók van haarzelf is deze bijna programmatische oproep: 'Weg met den wellust, die het inbegrip is van alle zedelijke ontaarding. Sober en kuisch moet de mensch leven, opdat zijn kracht tot hem invloeie en gelouterd worde, - opdat die verzamelde, gezuiverde kracht dan als liefde voor de menschheid en als haat tegen het onrecht weer uitvloeie over de wereld.’ Tolstoj heeft geworsteld met zijn driftleven en wat Roland Holst uit deze worsteling destilleerde, was een pleidooi voor de sublimering van seksualiteit.




Volgens haar was Tolstoj nooit de grote kunstenaar en 'apostel’ geworden als hij niet 'een aanmerkelijk deel zijner sexueele gevoelens gesublimeerd (had), dat is: omgezet in de stroomen van innerlijke bewogenheid en geestelijke energie’. Met een zeker triomfalisme schreef ze over de oplossing van Tolstojs problemen. Hij was pas anders over de liefde gaan denken 'toen hij sexueele onthouding ook in het huwelijk als een ideaal van zuiverheid ging beschouwen’.

Henriette legde een voor haar doen extreme belangstelling aan de dag voor Tolstojs seksuele preoccupaties, die slechts verklaard kan worden uit haar identificatie met zijn (uiteindelijke) keuze voor het celibaat. Dit wordt nog duidelijker als je haar Tolstoj-biografie op dit punt vergelijkt met haar boeken over Herman Gorter en Rosa Luxemburg. Het liefdesleven van deze twee protagonisten mondde bepaald niet uit in vrijwillige onthouding, wat voor Roland Holst een reden was om het vrijwel onbesproken te laten. In 1984 verscheen in Engeland het boek Parallel Lives van Phyllis Rose, over de relaties van vijf bekende Victoriaanse schrijvers. In haar inleiding schreef Rose: 'Ik geef er de voorkeur aan de seksloze huwelijken die ik behandel, meer te zien als voorbeelden van flexibiliteit dan als voorbeelden van abnormaliteit.’ In een artikel voor het Jaarboek voor vrouwengeschiedenis schreef ik in 1998 dat ik dat een oppervlakkige en anachronistische benadering vind van Rose, maar kennelijk was dat niet in overeen
stemming met de opvattingen van de redactie, want die passage werd geschrapt. Daarom breng ik hier maar naar voren wat ik daarover op mijn hart heb.

In mijn onderzoek naar het liefdesleven van Henriette en Rik Roland Holst ben ik inderdaad gestuit op de flexibiliteit die het ontbreken van seks hun beiden opleverde. Maar zowel zijzelf als hun tijdgenoten waren zich bewust van de uitzonderlijkheid, zoniet 'abnormaliteit’ van hun platonische liefde. Als ik het met mijn wijsheid van nu niet 'abnormaal’ had gevonden dat zij een seksloos huwelijk hadden, was ik waarschijnlijk nooit op het bestaan van dit fenomeen gestoten en had ik het nooit kunnen beschrijven. Tenzij Henriette en Rik hun ongeconsumeerde liefde zélf normaal hadden gevonden, zoals John Stuart Mill en Harriet Taylor, en er in alle openlijkheid over hadden gesproken en geschreven. Dat nu, was niet het geval. Het huwelijk van Henriette en Rik week dermate af van wat toen als 'normaal’ werd beschouwd dat Henriette zich er alleen in zeer bedekte termen over kon uitlaten, onder andere in de biografieën die zij schreef.

In haar biografie van Rousseau bijvoorbeeld trok zij, zich niet bekommerend om de historische waarheid, parallellen met haar eigen leven. Zo liet ze in haar beschrijving van een platonische relatie van Rousseau met een vrouw behalve de ruimte en flexibiliteit die er het gevolg van waren, ook de keerzijde van zo'n verhouding zien: 'Al wat de romance tusschen een man en vrouw, die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang, kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot extasen, en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat alles was zijn deel.’
Henriettes 'ideaal-leven’ was van kinds af aan gebaseerd op de droom dat ze ooit dichter zou zijn. Later werd dat ideaalbeeld voortdurend bijgesteld, maar het kwam er altijd op neer dat ze vóór alles haar eigen talenten wilde ontplooien. Zelfontplooiing,
dat zocht en vond ze ook bij haar latere grote liefdes: het socialisme, het communisme en uiteindelijk God. Ze dacht zich het best te kunnen ontwikkelen in
een gelijkwaardig kunstenaarshuwelijk en dat is haar des te beter gelukt omdat haar (werk)
relatie met Rik niet gecompliceerd werd door seks. Ik denk dat ze het in haar tijd en in haar omstandigheden niet beter had kunnen treffen. In een traditionele relatie, met seks, kinderen, haat, nijd, jaloezie en machtsstrijd, had Henriette Roland Holst de vurige liefdes die haar groot hebben gemaakt beslist niet kunnen koesteren.

Tot slot nog dit: het is gebruikelijk om een biograaf ervan te verdenken dat zijn of haar biografie een verkapte autobiografie is, een zelfportret. Bij Henriette Roland Holsts biografieën was dat vaak het geval, bij de mijne bepaald niet. Weliswaar houd ik net als Tante Jet van poëzie, heb ik geen kinderen en ben ook ik bezweken voor de verleidingen van het communisme, maar daarmee houdt - god zij geloofd en geprezen - iedere vergelijking op.