Leven in dienst van God, en de ander

Tante Riek en de Liefdezusters

De zussen Bertha en Riek gingen op jonge leeftijd het klooster in, waar ze beloofden hun leven te leiden in armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid. Hun familie was trots, maar jaren later begon het toch te knagen. ‘Wordt het niet eens tijd dat je aan jezelf denkt?’

Medium fjfamilieportret jorie001

‘Op een warme lentedag vertrokken ze, allebei een koffer in de hand’, vertelt Tinie Emmerink-Boudrie (92). ‘Mijn vader bracht ze naar de trein, wij bleven thuis met onze moeder. Een drama was het, ik zal het nooit vergeten. Het duurde jaren voordat ik hen weer zag.’

Op 18 april 1933 wandelden de zussen Bertha (24) en Riek (22) van hun ouderlijk huis aan de rand van Oldenzaal, een Twents stadje vlak bij de Duitse grens, naar het station. In hun koffer het ondergoed dat ze in de afgelopen maanden hadden genaaid van de stof die hun moeder kocht op de markt. Veel andere spullen hadden de zussen niet nodig – in het klooster wachtte hun een sober leven. Zelf waren ze opgetogen over de reis: dit was waar ze jarenlang naartoe hadden geleefd.

Net als vele andere katholieke meisjes uit die tijd hadden ze ervoor gekozen om niet te trouwen, maar hun leven te wijden aan God en het verzorgen van de ‘lijdende mens’. Na een inwijdingsperiode bij de Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus in Maastricht zouden ze als verpleegster worden uitgezonden naar ziekenhuizen door het hele land. Hun bestaan zou in het teken komen te staan van anderen. Wie waren deze meisjes, en wat dreef hen?

‘Bertha was vreselijk vroom’, vertelt Tinie Emmerink-Boudrie, de enige zus die nog in leven is en die veertien jaar na Bertha werd geboren. ‘Iedere ochtend stond ze naast ons bed om ons wakker te maken voor de mis. Ze was doodsbang dat we te laat zouden komen. Zelfs mijn moeder vond soms dat ze overdreef. “Laat ze toch slapen”, zei ze dan. Maar Bertha hield stug vol.’ Riek was volgens Tinie heel anders: ‘Ze was vrolijk, maakte altijd grapjes. Ze was helemaal niet fanatiek over het geloof, en daarom vonden wij het best moeilijk toen zij besloot om samen met Bertha het klooster in te gaan. Bertha mag wel gaan, zeiden wij tegen elkaar, maar Riek niet.’

Die vrolijkheid maakte Riek bijzonder: in het gezin met twaalf kinderen – zeven meisjes, vijf jongens – was Twentse nuchterheid de norm. ‘Onze moeder was altijd stijf’, zegt Tinie als ze foto’s uit die tijd bekijkt. ‘Moet je zien hoe somber ze uit haar ogen kijkt. Bij ons werd niet vaak gelachen, en als je jarig was kreeg je alleen een hand. Zoentjes of knuffelen, daar deden we niet aan.’ Toch heeft Tinie positieve herinneringen aan haar jeugd: ‘Vanuit ons slaapkamerraam konden we peren plukken uit de boom, dat was heel leuk. Maar in de winter was het steenkoud in huis, dan lag het ijs soms op de dekens.’

Al op jonge leeftijd begon Bertha te werken in de kruidenierswinkel van haar vader, terwijl Riek in betrekking ging bij een familie waarvan de vrouw al rond haar vijftigste alzheimer kreeg. Koken, wassen, strijken: binnen korte tijd nam Riek de hele huishouding over. Alleen ’s zondags kwam zij nog thuis. Terwijl Bertha haar vrije dag gebruikte om kleding te naaien, nam Riek haar jongere zusjes en broertjes mee uit wandelen. ‘Dan liepen we naar Duitsland, vanaf ons huis was het maar een klein stukje naar de grens’, vertelt Tinie. ‘Daar was een klooster waar nog slotzusters woonden, die geen contact met de buitenwereld mochten hebben. Mijn zus raakte door hen gebiologeerd, vooral door hun gezang. Op zondag zongen ze tijdens de mis, Riek vond dat prachtig. Op de terugweg plukten we margrietjes en seringen, die we thuis bij het Mariabeeld zetten dat in de kamer stond.’

Toen Bertha en Riek niet veel later besloten om zelf het klooster in te gaan, was het gezin in eerste instantie vervuld van trots: in het katholieke milieu was het in die tijd belangrijk dat enkele gezinsleden hun leven zouden wijden aan God en de goede zaak – dat gaf aanzien. Maar al snel voelden ze ook de andere kant: het gemis. Nadat Bertha en Riek in Limburg waren gearriveerd, mochten ze nooit meer naar huis. Bezoek mochten ze slechts één keer per jaar ontvangen: van hun ouders, een enkele keer vergezeld door een broer of zus. ‘De regels waren erg strikt’, vertelt Tinie. ‘Mijn zussen mochten helemaal niks. Maar ze klaagden er nooit over.’

Medium fjfamilie

Een kleine twee jaar na hun intreden deden de zussen hun tijdelijke professie, waarin zij armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid beloofden. Bertha werd omgedoopt tot zuster Celina, professienummer 1895. Riek wilde graag zuster Plechelma heten, naar de Sint-Plechelmusbasiliek in haar geboorteplaats Oldenzaal. Maar omdat er al een zuster Plechelma was, werd ze omgedoopt tot zuster Plechelmus, professienummer 1881. ‘Ze noemden haar op een gegeven moment Pleggie, maar ik vond het niks’, zegt Tinie. ‘Plechelmus klinkt toch heel mannelijk?’

Nadat ze hun tijdelijke professie hadden gedaan, scheidden de wegen van de twee zussen. Bertha werd in Wijk aan Zee geplaatst, terwijl Riek naar het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam werd gestuurd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef Bertha in Wijk aan Zee, maar Riek werd overgeplaatst naar een rusthuis in Scheveningen. Toen dat oord in 1943 werd bezet door de Duitsers moesten de kloosterzusters geëvacueerd worden naar Zenderen, een dorpje in de buurt van Rieks geboorteplaats. Daar hoorde ze dat een van haar vijf broers werd vermist. Hij werkte vlak over de grens bij een boer in Duitsland, en kwam af en toe op de fiets naar huis met een brood of wat andere etenswaren. Maar op een dag kwam hij niet terug.

‘We hebben nooit geweten wat er met hem is gebeurd’, vertelt Tinie. ‘Waarschijnlijk is hij omgekomen bij een bombardement.’

‘Zelfs toen Riek hoogbejaard was en haar lichaam steeds meer mankementen begon te vertonen, bleef ze gedienstig’

Het nieuws bereikte ook Bertha in het westen van het land. Het deed haar verdriet, maar in Wijk aan Zee werd ze afgeleid door de dagelijkse confrontatie met een ander belangrijk gevolg van de oorlog: de hongersnood. ‘Ze kon dat niet aanzien, en gaf alles wat ze kreeg weg aan mensen die het volgens haar harder nodig hadden’, vertelt Tinie. ‘Riek is daar later wel boos om geweest, haar opofferingsgezindheid was te groot.’ Bertha had niet in de gaten dat ze het voedsel zelf ook echt nodig had. In 1948, vlak voor haar veertigste verjaardag, gaf haar lichaam het op: ze had zichzelf te veel verzwakt. Riek kon als enige van de familie bij haar sterfbed zijn. Ze heeft er daarna niet vaak meer over gesproken.

Medium fjkleur

Zelf was Riek een jaar na haar evacuatie terechtgekomen in Hilversum, waar ze ging werken voor de rector en de pater van het katholieke ziekenhuis. ‘Bedienen, eten klaarmaken, dat soort dingen’, vertelt Riet Boudrie-Janse (85), die haar in die tijd ontmoette omdat ze verkering kreeg met Rieks jongste broer. ‘Ze vond het heel leuk, en de heren waren ook erg over haar te spreken. Maar toen de pater verhuisde en vroeg of Riek mee wilde als huishoudster weigerde ze. Dat vond ze te aards. In het ziekenhuis had ze toch nog iets wat leek op een kloosterleven, met iedere ochtend bidden en zusters om haar heen.’

Hoewel ze in Hilversum continu in aanraking kwam met het gewone leven kon ze er zelf nauwelijks in participeren. Naar huis mocht ze niet, en bezoek mocht ze in de eerste jaren ook maar zelden ontvangen. ‘Op onze bruiloft is ze niet geweest’, vertelt haar schoonzus Riet. ‘Wij vonden dat heel jammer natuurlijk. Alleen bij sterfgevallen kreeg ze verlof – met moeite. Toen haar vader overleed, in 1954, mocht ze uiteindelijk één dag naar huis. Ze was nog net op tijd voor de begrafenis.’

Riek liet nooit haar ongenoegen blijken over deze strenge regels, maar ze was verheugd toen ze een paar jaar later versoepeld werden. Eindelijk kon ze haar familie weer opzoeken, die in de tussentijd flink was uitgebreid. In habijt reisde ze dan met de trein naar Twente, waar ze als eregast werd onthaald. ‘Het was altijd een feest als zij op bezoek kwam’, vertelt haar schoonzus terwijl ze de fotoalbums erbij pakt. Op iedere groepsfoto staat zuster Plechelmus pontificaal in het midden, breed glimlachend tussen haar broers en zussen.

‘Ze was dol op onze kinderen’, zegt Riet. En haar nichtjes en neefjes – waarvan er verscheidene Carel of Carol heten, vernoemd naar haar congregatie Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus – waren ook erg dol op haar. Tante Riek was niet alleen altijd vrolijk, maar ze nam ook van alles mee. Uit haar tas haalde ze een onwaarschijnlijke hoeveelheid koetjesrepen, zeepjes, zakdoekjes, sigarenbandjes en snoepjes. Dingen die ze zelf ook had gekregen, en had opgespaard voor deze bezoekjes.

Ruim twintig jaar heeft Riek in het Hilversumse ziekenhuis gewerkt, gevolgd door een paar jaar in het Radboud-ziekenhuis in Nijmegen. Toen mocht ze eindelijk met pensioen, en kon ze terug naar het kloosterleven waar ze zo naar verlangde. Ze kwam terecht in Nieuw-Heeten, een gehucht in Overijssel, waar ze langzaam weer een beetje begon te wennen aan het religieuze leven. Totdat haar werd gevraagd of ze niet toevallig drie maanden wilde invallen voor een zuster die inwoonde bij Louk, een invalide dame in Amsterdam. Louk zat in een rolstoel, woonde op tweehoog en had dagelijks hulp nodig. Riek zegde toe en stapte niet veel later met haar koffer in de trein. Ze wist niet dat ze nog ruim twintig jaar, tot haar 84ste, in Amsterdam zou blijven wonen.

‘Louk was katholiek en had oorspronkelijk zelf ook zuster willen worden’, vertelt Riet. ‘Door een ongeluk in Zwitserland zag ze die droom aan zich voorbij gaan.’ Met een zuster in huis kon ze het gevoel van een kloosterleven toch nog een beetje benaderen. Riek kreeg haar eigen kamer in het appartement op de Overtoom, met een eenpersoonsbed, een kledingkast, een radiootje en Maria aan de muur. De zuster voor wie ze inviel, kwam nooit meer terug.

Terwijl haar familie morde dat het ook wel eens tijd werd dat ze van haar rust zou gaan genieten, ontdekte Riek met gretigheid haar nieuwe leven in Amsterdam. ‘Ze vond het geweldig’, vertelt Riet, die haar een paar keer opzocht op de Overtoom. ‘De grote stad, in haar eentje wandelen door het Vondelpark, boodschappen doen: ze genoot er erg van.’ In die periode trok ze haar habijt uit en ging burgerkleding dragen. ‘Ze zag er altijd prachtig uit’, vertelt haar zus Tinie. ‘Louk hielp haar daarmee, ze had vaak nog mooiere rokjes dan ik.’ Kwamen de rokken eerst nog tot ver over de knieën, ze werden steeds korter. Wel bleef ze altijd een kruisje dragen: een antiek, met Jezus eraan.

Toch zat er ook een andere kant aan deze nieuwe episode: opnieuw kon Riek nooit met verlof. Louk werd niet alleen fysiek afhankelijk van haar, maar begon haar ook op geestelijk niveau steeds meer te claimen. ‘Ik heb me er nooit zo druk om gemaakt, maar Annie kon er op een gegeven moment niet meer tegen’, zegt Tinie. Annie zat qua leeftijd precies tussen Riek en Tinie in, en voelde zich verantwoordelijk voor het welbevinden van haar oudere zus. ‘Zij vond dat Louk haar misbruikte, het riekte volgens haar naar moderne slavernij. Als ze weg wilde, zei Louk altijd: “En ik dan?” Van tijdelijke vervangers wilde ze ook niets weten. Riek kon niet voor zichzelf opkomen, en durfde haar niet meer alleen te laten. Zelfs toen ze hoogbejaard was en haar lichaam steeds meer mankementen begon te vertonen, bleef ze gedienstig en plichtsgetrouw – Annie vond dat vreselijk.’

Tijdens de schaarse keren dat Riek toch naar Twente kwam, praatte Annie op haar in. ‘Wordt het niet eens tijd dat je aan jezelf denkt?’ vroeg ze dan. Maar Riek was uiteindelijk net zo opofferingsgezind als haar zus Bertha, en stapte altijd weer met een vrolijke glimlach op de trein naar de hoofdstad. Na haar tachtigste verjaardag vond Annie dat de maat vol was. Ze belde met de moeder-overste in Maastricht om te gebieden dat haar zus terug mocht naar het klooster. Zonder resultaat. Pas toen Louk niet meer zelfstandig kon wonen en naar een verzorgingstehuis moest, nam Riek gedwongen afscheid van haar. Ruim tien jaar heeft ze daarna nog van het kloosterleven kunnen genieten, maar veel kon ze toen al niet meer. In 2005 is ze aan ouderdom gestorven, op 95-jarige leeftijd. Met zuster Thomasia en zuster Hermanna ligt ze in één graf, op de kloosterbegraafplaats in Limburg.


Met dank aan de archivaris van de kloostercongregatie Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus in Maastricht

Beeld: (1) De familie Boudrie. Achterste rij, tweede van links: Annie, derde Riek. Voor Riek zit Tinie met grijs truitje en zwart kraagje. Middelste rij, naast moeder: Bertha. (2) Onderste foto: Riek tussen haar broers en zussen. (3) Riek, midden, viert haart vijftigjarige kloosterbestaan in Twente.