Pleidooi voor vrijhandel

Tariefmuren zijn geen oplossing

AMSTERDAM – Exportsubsidies deugen niet. Dat Europa en de Verenigde Staten nog altijd de overschotten van de eigen, gesubsidieerde landbouwsector in ontwikkelingslanden dumpen is een grof schandaal. Lokale producenten worden op oneerlijke achterstand gezet, en de getroffen landen worden onterecht gedwongen zich te specialiseren in andere producten. Iedere Europese politicus moet zich diep schamen iedere keer als hij of zij van een Brusselse vergadering terugkeert zonder deze misstand uit de wereld te hebben geholpen. In plaats van over het schrappen van het Europese volkslied en de Europese vlag uit het nieuwe Europese Verdrag zou premier Balkenende zich de afgelopen tijd beter druk hebben kunnen maken over het schrappen van de subsidies voor Europese landbouwproducten. Productie- en exportsubsidies zijn de kanker van de internationale handel. Zo, dat is eruit. Nu Kameroen, het land waar Jeroen Corduwener met eigen ogen de desastreuze gevolgen van (gesubsidieerde) voedselimport heeft waargenomen. Melk, rijst en kip, in Kameroen eet en drinkt men al meer niet-Afrikaanse producten, ten koste van de eigen boeren. Zij zijn de verliezers van het spel van de globalisering, dat door rijke Europeanen en Amerikanen oneerlijk wordt gespeeld.

Ik heb echter sterk de indruk dat als het Westen niet meer vals zou spelen en de subsidies zou stopzetten het verhaal van de Afrikaanse boer nog steeds behoorlijk treurig zou zijn. Ook zonder subsidies kunnen efficiënte westerse landbouwbedrijven de lokale boeren wegconcurreren. De Europese subsidies op melkpoeder, bijvoorbeeld, zullen dit jaar waarschijnlijk geheel verdwijnen. Door de stijgende vraag uit Azië is de wereldmelkprijs voldoende opgelopen om financiële hulp voor Europese zuivelboeren overbodig te maken. Maar Kameroen zal melkpoeder blijven importeren. De negatieve gevolgen voor lokale boeren van voedselimport worden daarom niet veroorzaakt, maar slechts versterkt door de subsidies. Wie de lokale boer uit de wind wil houden, moet zich dus niet alleen druk maken over de subsidies, maar de import van voedsel an sich bestrijden, bijvoorbeeld door tariefmuren aan de grens op te richten – iets waar het artikel van Corduwener impliciet voor pleit.

Maar importtarieven brengen hun eigen problemen mee. Allereerst wordt meestal alleen de heersende klasse beter van importbeperkingen. Hoe meer regels aan de grens, des te groter de potentiële opbrengst van corruptie. Bovendien dwingt buitenlandse concurrentie de landbouwsector tot hervormingen. De boerengemeenschap uit Corduweners artikel begint een zuivelfabriekje, maar dat mislukt omdat er ‘geen financiële middelen zijn voor transport en opslag’. Dat heeft natuurlijk weinig met melkimport te maken, maar duidt eerder op beroerd ondernemerschap. Alleen met concurrentie zijn dergelijke blunders uit te roeien. Handelsliberalisering levert die concurrentie.

Tariefmuren bieden geen structurele oplossing voor de Afrikaanse boer. Niet de efficiënte landbouw in het Westen is het probleem, maar de inefficiënte landbouw in Afrika. Importtarieven fixeren de inefficiënties. Misschien dat ze tijdelijk soelaas bieden voor oneerlijke handelspraktijken van het buitenland, maar uiteindelijk zal de Afrikaanse landbouw zelf moeten hervormen. Grotere bedrijven, beter management, meer investeringen in irrigatie, erosiemaatregelen, kunstmest, gewassen et cetera. De ambitie van de kippenboer in Kameroen moet zijn om zulke lekkere en goed geprijsde kipfilets te produceren dat Europeanen ze willen importeren. Dat is niet eenvoudig te realiseren, maar tariefmuren helpen in elk geval niets bij die ambitie.

Ten slotte mist er in het indrukwekkende verhaal van Corduwener een essentiële partij. Wie zijn die Afrikaanse consumenten die Amerikaanse rijst en Europese kippenkarkassen kopen? Een ding is zeker, ze zijn arm. De Afrikaanse middenklasse eet liever een lokale kip dan een Hollands karkas. En het feit dat de (relatief rijke) Nigeriaan wél bereid blijkt te zijn om de dure rijst uit Kameroen te importeren, geeft aan dat de importrijst vooral uit armoede wordt gekocht. Voor de armen betekent de goedkope import een belangrijke koopkrachtverbetering. Voedselimport zorgt in ontwikkelingslanden dan ook in de eerste plaats voor een herverdeling van de armoede. De arme stedeling gaat erop vooruit, de arme boer gaat erop achteruit. De vraag of het land er per saldo iets mee opschiet is moeilijk te beantwoorden, maar in elk geval zijn er ook winnaars.

Mathijs Bouman is econoom en journalist. Vorig jaar verscheen zijn boek Hollandse overmoed: Hoe de beste economie van de wereld ontspoorde (uitgeverij Balans)