Tartuffelen (1)

De moeilijkheidsgraad van Molières Tartuffe (geschreven tussen 1664 en 1670) wordt bepaald door de afwezigheid van de titelfiguur gedurende de eerste twee bedrijven. In het gezin van huistiran Orgon is een soort burgeroorlog uitgebroken, en het ziet er naar uit dat Orgon de zeloot en malloot Tartuffe in huis heeft gehaald om zijn eigen macht te herstellen. Twee bedrijven lang horen we over Tartuffe praten: hij heeft een oogje op de vrouw des huizes, Elmire. Hij heeft grootmoeder Pernelle ingepalmd. Een voorgenomen huwelijk van dochter Marianne met Valère gaat niet door - Tartuffe zal aan Marianne worden gekoppeld. We horen de woede over al die ellende, maar we zien de veroorzaker almaar niet. Eindelijk, in de tweede scène van de derde acte, komt Tartuffe op. Diens eerste tekst is een bevel aan zijn knecht: ‘Zorg dat mijn boetekleed en ook mijn geselroede naar mijn kamer worden gebracht. Breng brood en veel wijn. Als men naar mij vraagt, zeg dat ik naar de gevangenis ben gegaan om daar de aalmoezen te verdelen die ik ontving.’

Hoe speel je zo'n opkomst?
Laat dat rustig aan Dirk Tanghe over. Tartuffe heeft in zijn enscenering niet één maar wel vijf knechten. En het zijn geen knechten die figureren in de barokke aankleding van deze regie, nee, het zijn maffiose buitenstaanders in modern kostuum. Zij zetten bij de aanvang van het derde bedrijf eerst de speelvloer in toneelrook. En onder tromgeroffel verschijnt daar Tartuffe, als een narcistische popster, die zich ontdoet van zijn monnikspij, om ons te laten zien hoe mooi dat jonge lijf is. Terwijl zijn vijf knechten driftig meebewegen, danst hij de dans van de overwinnaar. Want overwinnen zal hij.
De in staat van oorlog verkerende familie lokt hem meteen in een val. Tartuffe verleidt de vrouw des huizes (een prachtscène, waarin Pieter Embrechts slechts aan de lange sleep van Marie-Louise Stheins robe hoeft te trekken om haar over de gladde balletvloer te slepen tot hij de houding heeft bereikt die hij verlangt). Dat de zoon (Damis, een mooie creatie van Herman Bolten) hen heeft ontdekt, doet niet terzake. Als hij het geënsceneerde overspel verraadt aan zijn vader Orgon, heeft deze maar een paar zalvende woorden van zijn vriend nodig om overstag te gaan: Tartuffe wordt opnieuw omarmd, de zoon wordt uit huis gezet en onterfd, de geile goeroe wordt als enig erfgenaam aangewezen.
Vanaf dat moment wordt Tanghes enscenering van Tartuffe inktzwart. Niemand lijkt meer greep op de situatie te hebben. De vrouw des huizes, Elmire, doet de ultieme machtsgreep. Ze zal demonstreren dat Tartuffe maar één ding wil: haar neuken. En ze zal die meesterzet volvoeren terwijl haar man onder tafel toehoort (en hopelijk ingrijpt). Wat Marie-Louise Stheins in deze scène doet grenst aan het ongelofelijke. Met een tomeloze woede sleurt ze de godsdienstwaanzinnige in de val - een val die een smerige verkrachting wordt. Pas dan gelooft Orgon dat hij een duivel in huis heeft gehaald. Die ontdekking komt te laat.
Het laatste bedrijf van Tartuffe wordt niet gespeeld, alleen getoond, een wanhopige kakofonie, ergens achter op het speelvlak. De familie is uitgetartuffeld, en Tartuffe wint op alle fronten. Hij drinkt een wijntje, rookt een sigaret en laat de familie het huis uit slepen. De ontmaskering van de bedrieger, die Molière (waarschijnlijk uit wanhoop, Tartuffe was zes jaar lang verboden) voor het slot bedacht, wordt wijselijk weggelaten. De bedrieger wint, de burgerlijke familie is kapot. De schijnvrome hoeft slechts het hoofd te buigen en het kille licht dooft. Eind van een theateravond die een waar feest is geworden. Wel een bitter feest, waarbij de lach in de keel smoort.