Tartuffelen (2)

Het neologisme ‘tartuffelen’ blijft ook in De mensenhater van toepassing. Het betekent ‘bedrog’ of ‘zelfbedrog’. De titelrol, Alceste, is een zelfbedrieger. Vanaf ongeveer de eerste zin van het stuk heeft hij de wijsheid in pacht. Iedereen liegt, Alceste liegt niet. Iedereen veinst, Alceste veinst niets. Iedereen flikt en flooit, Alceste flikflooit nooit niet. Een soort Marijnissen avant la lêttre - Alceste stemt altijd tegen. Hij wordt om die reden diep bewonderd, er lopen om die reden talloze processen tegen hem. Maar hij houdt stand. Zijn puberale recalcitrantie zit vriendschap en liefde in de weg. Zijn vriend Philinte begrijpt niet waarom hij niet wat water in de wijn doet. Zijn minnares Célimène, een jonge weduwe, breekt ook niet door de muur van gelijkhebberigheid heen.

Alcestes eerste grote beproeving vindt plaats in de tweede scène van het stuk. Een zelfingenomen blaaskaak, Oronte geheten, komt Alceste zijn vriendschap aanbieden. Hij levert er gratis en voor niets een sonnet bij met de wanhopige titel ‘De hoop’. Oronte vraagt Alceste om commentaar. In eerste instantie levert de mensenhater dat commentaar als een briljant biljarter: over de band. Ooit gaf hij een aspirant-dichter het advies vooral niet meer te dichten, en zeker niet ernaar te streven zijn poesiealbumpoëmen in druk te laten verschijnen.
Als dat verhaal niet helpt - en de verwaande Oronte verstaat geen ironie - snijdt Alceste diens sonnet finaal aan flarden, in een overigens weergaloze tekstanalyse. Oronte wordt daarover zo pisnijdig dat hij een proces tegen Alceste aanspant en probeert aan te pappen met diens minnares Célimène. De Grote Machinerie van de misantroop komt in beweging. En aan het eind zijn er alleen maar verliezers.
Waarom Jeroen van den Berg Molières stuk gekozen heeft, weet ik niet. Op het omslag van de tekstuitgave (bewerking en vertaling is in handen van zijn broer Michiel) staat pontificaal een zin uit het stuk afgedrukt: 'Ik verdraag dat niet, ik word razend, vandaar dat ik pleit voor een frontale aanval tegen de gehele mensheid.’ Is dat ironie? Jeroen van den Berg heeft altijd een beetje smalend aangekeken tegen de jaren-zestiggeneratie, de c“terie van idealisten. Is het puberale, nikserige anarchisme van Alceste een metafoor voor Van den Bergs ontkenning van verzet?
Zijn enscenering van De mensenhater geeft daar geen antwoord op. De voorstelling etaleert voornamelijk leegte. We kijken aan tegen een lege speelvloer, omringd door twee lagen glittergordijnen. Er staan twee fauteuils. Rechts op de grond ligt het paneeltje van een intercom. Achter staat een zwartwit-tv waarop permanent een tekenfilm wordt vertoond (Jungleboek?). Molières dialogen - in een houtenklazerige herberijming - worden mooi gesproken. Mathieu Güthschmidt (Alceste) en ook de valse roddelaarster Arsinoé (Loes Wouterson) jongleren briljant met die teksten. De plotlijn van het stuk wordt keurig verteld. Maar mij rest de vraag: waarom, waartoe, voor wie?
Tegen het eind van de vertoning ging ik zelf maar een eind weg fantaseren. Alceste verlaat deze wereld van glittergordijnen: 'Ik verlaat deze duistere grot die beheerst wordt door het kwade/ Ik ga de wereld in, op zoek naar een verre woestijn, / Waar men als fatsoenlijk mens de vrijheid heeft gewoon zichzelf te zijn.’ Jeroen van den Berg verlaat het Randstedelijk toneel, bevolkt door drammerige gelijkhebbers, hij vertrekt naar de provincie. Mijn zegen heeft-ie. Ik hoop hem daar opnieuw tegen te komen. Met ensceneringen waarvan ik het bestaansrecht beter snap.

  • Naast de twee versies van Molières Tartuffe, die in mei nog in ruime mate te zien zijn (in Utrecht en Amsterdam), is er een derde versie: in boekvorm. Maestro-vertaler Ernst van Altena komt met een herdichting van Molières meesterwerk, bij uitgeverij Aristos (010-4183815).