Tast

Ik ben terug in de gevangenis waar ik ooit bewaarder was, voor een afscheidsfeestje. Over een maand of wat begint de projectontwikkelaar. Kantoren worden het. Appartementen. En een park eromheen. Tussen de cellen zijn vrolijke lampjes opgehangen. Een rockband speelt harde muziek, die echoot over de kale galerijen. Er staan tafels met glazen erop en er lopen echte obers rond, met hapjes op schalen. ‘Griezelig hè?’ zegt iemand die ik niet ken. ‘Alle deuren staan open.’ Nog één keer mogen we allemaal onder de poort door, de gebarsten trappen op, de lange gangen in. Ik zie mannen met wie ik jaren geleden dagelijks werkte, die ik toen vaker zag en beter dacht te kennen dan mijn eigen broers. Bijna iedereen is dikker geworden. Of grijzer. Zo nu en dan val ik iemand om de hals. De intelligente vrouw die mij leerde hoe je je staande houdt in een mannenwereld. De jongen die mij ooit net op tijd wegtrok bij een vechtpartij. De collega die T.S. Eliot citeerde na een afschuwelijk incident. Hun verhalen. Koopwoning. Echtscheiding. Trouwdatum. Uitzaaiing. Er zijn gezichten die ik ooit feilloos kon lezen en die me nu vreemd voorkomen. Op een van de vleugels zie ik R. staan, zijn armen losjes op de ijzeren leuning. Grote, onbereikbare liefde van destijds. Staat nog net zo stevig als vroeger, een kapitein op de brug van zijn schip. Ik praat even met iemand die mij lang geleden, tijdens een nachtdienst, een groot geheim toevertrouwde en mij nu niet meer herkent. Wat onthou je ook, van alle uren die je samen doorbrengt? Hele levens vinden plaats wanneer je iemand eventjes niet ziet. Een paar minuten, tien jaar. Complete werelden ontstaan en gaan ten onder. Ik loop weg van het feestgedruis, een onverlichte gang in. De trap op. Links. Op de tast vind ik de juiste deur, knip een lampje aan. Volkomen lege ruimte. De barst in de muur, het ontbrekende tegeltje. Ik ga op mijn hurken zitten. De letters zijn nog net te zien in het schemerlicht. Ooit door een boef in de kalk gekrast en door mij ontdekt: ‘Je kop moet levenslang.’