Tatoeages

Eén dichter kon niet komen. Van de vijf dichters uit Turkije die onlangs wel in Rotterdam voorlazen, hoorde ik alleen Bejan Matur (1968), uit het oosten van Turkije. Ik hoorde haar stem en andere dingen, keek nu en dan naar de vertaling op een scherm, nu en dan niet. Luisterde met graagte naar wat ik niet kon verstaan en bemerkte, toen Bejan Matur antwoordde op een vraag, hoe ik op mijn stoeltje zat. Deed ik de ziel van het stoeltje recht of moest ik gaan verzitten? Ik voelde me plotseling en voor een paar tellen ongemakkelijk.

Later ben ik benieuwd naar wat ik van haar gedichten heb gemist. Ik lees en blader in het boekje dat de lezing van Bejan Matur vergezelde, begroet schoonouders en ga met mijn vrouw naar dierbare vrienden. Drink bier, rook sigaretten, informeer naar allerlei, vertel verhalen over mijn dochtertje, geniet van gebeurtenissen en grappen, eet olijven en taart, slaap en wandel door een mij onbekende stad. Ik heb een plastic tas bij me, waarin ‘VAN WIND VERVULDE LANDHUIZEN’, 'DE GODIN OUDEMAAGD’, 'EEN BOT MES UIT MARASJ’ en meer, maar ik lees geen van de gedichten omdat ik de plastic tas niet bij me heb. Eerlijk is eerlijk, ik herinner me al niet meer hoe de stem van Bejan Matur klonk. Ik ben ook haar gezicht vergeten. Ik herinner me wel dat ik geboeid keek en luisterde, maar ik weet niet meer welke bijvoeglijke naamwoorden haar Turks bij me opriep; of ik het misschien zangerig vond, of stroef, of kaal, of weids, of oud, of geurend, of bergachtig, of bedroefd, of groenogig. 'Vrouwen wier borsten zijn verslapt/ Denken aan de hardheid van het houtblok dat ze zullen grijpen/ In de angstaanjagende magerte van hun handen/ En zwijgen.’ Ik sluip in het donker een trap af.
Dan kom ik bij water. Appelbloesems, rokken, rode haren, bruidskisten, zilveren spiegels, stenen van lazuur en stoffen gesmokkeld uit Aleppo, die vind ik niet. Dan begint het te waaien. Blauwe tatoeages, zwarte ketels, bebloede adem, soldaten, oorbellen, halssnoeren, ik zie ze niet. Maar het water en de wind overtuigen. Ik kom langs etalages en bars en kantoren, en drink koffie met mijn vrienden, zittend op een stoeltje met of zonder ziel.
Ik haal het boekje uit de tas die ik niet bij me heb en lees hardop: 'Een mens leren we het best kennen als we met hem vrijen.’ Nu is het tijd voor een glas port. Eén van ons schiet in de lach. 'Waar denk je aan?’ vraag ik. En mijn vriend zegt: 'Aan het mogelijke verschil tussen zinnen die in gedichten staan en zinnen die niet in gedichten staan.’
We hebben het een tijdje over vaders en moeders en gaan de deur uit, naar een gelegenheid waar we iets kunnen eten. Onderweg passeren we eenlingen, echtparen, gezinnen met drie kinderen, kleding, schoeisel, speelgoed. Onze stemmen zijn achtergebleven in de wijk met de huizen van vandaag en vroeger, waar de auto’s met vaste regelmaat hun parkeerplaatsen ruilen: van overkant naar overkant, van dal naar dal, van oever naar oever, van heuvel naar heuvel, van zee naar zee. In de verte en nabij.