Kunst - De uitdaging van protest

Tatoeëren tegen Trump

Het kunstenaarsprotest tegen Donald Trump als president van de Verenigde Staten komt op stoom. Voor het eerst lijkt er sprake van een internationale coalitie.

Medium anp 49698488
Acteur Shia LaBeouf bij zijn ‘He Will Not Divide Us’-live-stream bij het Museum of the Moving Image, New York, 2017 © Timothy A Clary / Getty Images

Hij kwam op uit het niets, hij riep over alles, hij won en hij gaat nu aan de slag. Voor iedere fase uit de verkiezing van Donald Trump tot president is wel een passend protestkunstwerk aan te wijzen. Het begon ludiek, met de campagneposter van Deborah Kass bijvoorbeeld. Zij maakte een parodie op Andy Warhols affiche voor de verkiezingen van 1972 met het gezicht van Richard Nixon in blauwe verf boven een roze jasje en zijn stemadvies: ‘Vote McGovern’. Kass gaf het gezicht van Trump dezelfde blauwe gloed, inclusief de tong in zijn opengesperde mond en liet hem zeggen: ‘Vote Hillary’.

Maar gelijk met de eerste dagen van de nieuwe realiteit versoberde de toon. Kunstenaars in een positie lieten zich verleiden tot grote gebaren. Richard Prince stortte een groot geldbedrag terug voor een kunstwerk dat hij als opdracht van Ivanka Trump had gemaakt. Hij hoopte daarmee afstand te doen van zijn eigen werk, op Twitter verklaarde hij dat deze daad fake art was. ‘Het was gewoon een eerlijke manier voor mij om te protesteren’, vertelde hij aan The New York Times. ‘Het was een manier om te beslissen wat goed is en wat fout. En wat goed is is kunst, en wat fout is is geen kunst. Ik heb besloten dat de Trumps geen kunst zijn.’

Het grootste statement kwam van de Bulgaars-Amerikaanse Christo, beroemd van het ‘inpakken’ van gebouwen, die aankondigde zijn werk Over the River te staken. Twintig jaar aan voorbereiding stak hij in het idee om een deel van de rivier de Arkansas tijdelijk met zilverkleurig doek te overspannen, en tevens vijftien miljoen dollar van zijn eigen geld. Toch is de beslissing om het project nu af te blazen niet meer dan logisch, zei hij in de krant. ‘Ik kom uit een communistisch land. Ik gebruik mijn eigen geld en mijn eigen werk en mijn eigen plannen omdat ik graag volledig vrij ben. Maar de federale overheid is hier onze landheer. Zij bezit het land. En ik kan geen project neerzetten waar deze landheer van profiteert.’ De vraag is of dit het hart is om deze landheer in te raken.

Protestkunst, dat is kunst gericht tégen in dit geval Donald Trump, doet vooral de ronde op blogs en sociale media, zoals onlangs de billen van Abel Azcona. De kunstenaar liet ‘Make America Great Again’ rond zijn anus tatoeëren. ‘We moeten aanvallen’, verklaarde hij. ‘We moeten ons lichaam gebruiken als een wapen van macht. Wij zijn flikkers, vrouwen, Mexicanen, zwarten en anders. En we zijn dapper. Kunst is het beste kritische, sociale en politieke wapen dat ik ken.’ Zijn actie vat samen wat veel protestkunst ook is: hoogst particulier maar altijd beschikbaar voor de media, met een boodschap waar bijna niemand het mee oneens zal kunnen zijn.

Hoewel dat pas blijkt wanneer de kunst naar buiten treedt. Tenminste één kunstwerk dat tegen Trump gericht was heeft de president al overleefd. Op de dag van de inauguratie werd aan de buitenmuur van het Museum of the Moving Image in Queens het project He Will Not Divide Us van acteur Shia LaBeouf (samen met anderen) gelanceerd. Een camera, een website met 24-uurs live-stream en het vooruitzicht dat deze vrijplaats vier jaar lang zou blijven bestaan, zo lang als een termijn in het Witte Huis, trok belangstellenden naar het museum. Ze scandeerden ‘He will not divide us’ als een mantra in de camera, varieerden met de klemtoon. Om half zes in de ochtend verscheen een jongen met een ooglapje voor en een blauwe das los om zijn hals, dronken, in beeld. Steeds opnieuw sprak hij de woorden – ‘He will not divide us, he will not divide us’ – eerst snel en zeker, toen langzamer en bedachtzaam, en merkte toen op dat dit net zo goed een pro-Trump-kunstwerk kon zijn. Later die dag speelde iemand voor de camera met de gedachte of ‘he’ soms God was.

He Will Not Divide Us was van begin af aan een podium voor zelfpromotie – ‘Hi, this is Aaron, A-A-R-O-N, add me on Snapchat’ – voor rappers, stand-up comedians, vloggers op zoek naar publiek. In de avonduren werd het een clip met jongeren met spandoeken en een verzoenend lied of een leus. Gevloekt werd er ’s nachts – ‘Fuck this piece of shit. Do you hear that, Mr. President?’ – en in de middag werden er bloemen gelegd, tranen van elkaars wangen geveegd en handen geschud – ‘I love your message, man.’ Het was, kortom, een vertoon van massahysterie die ook tegenstanders op de been bracht en na ruzies en vechtpartijen, waarbij LaBeouf werd gearresteerd, moest het kunstwerk verhuizen. Eerst naar twee locaties binnen Amerika en later, als nog slechts een witte vlag, naar Liverpool, aan de overkant van de oceaan. Tot mensen daar het dak beklommen om de vlag te stelen en er nergens een plek bleek voor de verbindende boodschap.

Trump zelf is inmiddels klaar om te regeren. Om ruimte te maken voor defensie en veiligheid nomineerde hij onder meer The National Endowment for the Arts als een te schrappen fonds. En hoewel de financiële ondersteuning uit het fonds gering is, blijkt uit de reacties de belangrijke rol die overheidssubsidie toch ook in Amerika speelt. Al was het maar als een alternatief bij de vraag van wie je eigenlijk geld wilt aannemen: in het net van mecenassen moeten kunstenaars zitten die zich toch maar níet uitspreken tegen Trump en zijn ideeën.

‘Wij zijn flikkers, vrouwen, Mexicanen, zwarten. En we zijn dapper. Kunst is het beste kritische, sociale en politieke wapen’

Een internationale groep mensen die werkzaam is in de kunsten heeft zich nu verenigd in de groep Hands Off Our Revolution. Een indrukwekkende lijst namen onderstreept de brede steun van de beweging die vindt ‘dat kunst kan helpen bij het verweer tegen de groeiende retoriek van rechts-populisme en fascisme, en hun steeds krachtigere uitingen van xenofobie, racisme, seksisme, homofobie, en schaamteloze intolerantie’. Vrijheid en gerechtigheid zijn in het geding. ‘Het is onze verantwoordelijkheid solidariteit te tonen. We zullen niet stilletjes verdwijnen.’ Er worden donaties gevraagd voor tentoonstellingen ‘met hedendaagse kunst die voluit de confrontatie aangaat met de opkomst van het populisme in de VS en Europa’. Hier spreekt een beroepsgroep die blaakt van eensgezindheid, een bewonderenswaardige coalitie.

Maar in elk protest staan een ik en een ander tegenover elkaar, en in de kunst, met een geschiedenis van hyperexclusiviteit, is dat een gevoelig punt. De ikken staan tegenwoordig aan de goede kant van de streep, solidair met de ander wanneer dat de zwakken betreft – homo’s, vrouwen, Mexicanen, zwarten – en recht tegenover die andere ander, de mens aan de verkeerde kant. In tentoonstellingen die het slechte aan de kaak willen stellen vergaloppeert de kunst zichzelf niet zelden.

Zoals het MoMA, daags na het presidentiële verbod op de toegang tot de VS van burgers uit zeven moslimlanden. Het museum diepte kunstwerken met een achtergrond in deze landen op uit het depot, Picasso en Matisse moesten plaatsmaken voor Ibrahim el-Salahi en Marcos Grigorian. Het klassieke verhaal van het modernisme werd ermee verstoord, een bordje gaf toelichting: ‘Dit werk is van een kunstenaar afkomstig uit een natie wiens burgers toegang tot de Verenigde Staten is ontzegd volgens een presidentiële executive order van 27 januari, 2017. Dit is een van verschillende van zulke kunstwerken uit de collectie van het museum die geïnstalleerd zijn door de zalen van de vijfde verdieping heen om het belang van idealen van gastvrijheid en vrijheid voor dit museum, en voor de Verenigde Staten, te bekrachtigen.’

Cultuurhistoricus Shiva Balaghi, verbonden aan Brown University, stelde in een essay voor de kunstwebsite Hyperallergic dat de meeste van deze uitheemse kunstwerken in de jaren zestig door het MoMA werden aangekocht en nooit meer uit het depot kwamen. Ze noemt het een voorbeeld van ‘opgesloten modernisme’: kunst die deel uitmaakt van de kunstgeschiedenis maar in de kast bleef liggen. Door ze daar nu uit te halen zegt het museum: stel je voor dat deze kunst hier niet welkom zou zijn! Maar de interventie bewijst ook het tegendeel, want kon het verhaal van de moderne kunst niet al decennia lang prima zonder?

Na een analyse van de positie van deze kunst is Balaghi mild in haar oordeel over het MoMA. Te hopen valt echter dat de gelegenheidsformatie, het ‘gebaar van inclusiviteit’ zoals een conservator van het MoMA het noemde, tot een volgende stap aanzet. Want ja, de werken hangen op een prominente plek, maar niet omdat ze passen in de geschiedenis die het instituut vertelt, maar om de herkomst van de makers. Die, stelt Balaghi, evengoed exposeerden met Warhol en thee dronken met De Kooning. Dat het louter tonen van hun werk als daad van verzet tegen Trump wordt bejubeld is beschamend.

In Nederland wil het Stedelijk Museum in Amsterdam vijf tentoonstellingen aan het begrip migratie wijden. Directeur Beatrix Ruf verklaarde in een persbericht dat het belangrijk is om met de kunst steeds nieuwe verhalen te vertellen. ‘Juist nu, als tegenwicht van het populisme dat steeds meer in opkomst is in Europa. Ik vind het belangrijk dat in het Stedelijk Museum te zien is hoe er vanuit de kunst wordt gekeken naar dit onderwerp, en hoe kunst ons kan confronteren met onze eigen denkbeelden.’ De aangekondigde collectietentoonstelling Ik ben een geboren buitenlander maakt nieuwsgierig, twee andere roepen bij voorbaat vragen op.

Zanele Muholi is een Zuid-Afrikaanse fotograaf die ‘de zwarte lgbtqi-identiteit’ in haar land vastlegt. De Colombiaan Carlos Motta maakt voor het Stedelijk tien videoportretten van ‘lgbtqi-moslimvluchtelingen’ in Nederland. Hoe de kunst van Muholi bij migratie past spreekt niet voor zich. En Motta’s project zal vast mooi worden, confronterend, wie weet, maar op papier klinkt het geheel als het zoveelste themafeest in de kunst. Waar men hokjes afvinkt, beducht is op de volgende letter uit het lgbtqi-abc, en de ik en de ander overeind blijven.

De uitdaging van het protest tegen Trump, tegen het populisme, ligt erin de kunst niet als alternatieve tijdelijke opvang in te richten maar tot een vanzelfsprekend thuis te maken. Door voor iedere muur die wordt opgebouwd er zelf een af te breken. Musea kunnen met werkelijk elke tentoonstelling hun belang aantonen wanneer die een afspiegeling vormt van de universele waarden van nu. De nieuwe route die het Stedelijk momenteel door de collectie uitstippelt kan een goed begin zijn.