Taxichauffeurs

Om kwart over twaalf gaat de laatste tram vanaf het Museumplein richting Jordaan. Ik was er half één. Dat wordt dan de taxi. Twaalf euro.

Ik zat in de taxi naast een man met een, laten we zeggen voor-Aziatisch uiterlijk.

Ik gokte Pakistaans.

Ik klets altijd met taxichauffeurs. Zit ook altijd voorin. Eerst ging het gesprek over zijn nachtdienst. Handig tijdens ramadan, vond hij.

Waar hij vandaan kwam.

‘Afghanistan’, zei hij.

‘Chaos daar nog hè’, zei ik.

‘Weet je door wie dat komt?’

Ik verwachtte, moet ik bekennen, iets met Amerikanen of Israël.

‘Arabieren. Die betalen gevaarlijke mensen. Hun schuld.’

‘Wahabieten…’, zei ik.

Even stilte aan de andere kant. Dan ging hij verder…

‘Het is hetzelfde hier. Jullie zijn helemaal gek hier.’

Een hele tirade volgde over Arabische moskeeën, rare koranscholen, terroristengroepen die klaar stonden om ons af te maken. Heel snel pratend. In zeer gebroken maar zeer begrijpelijk Nederlands.

‘Jullie praten praten maar niet kijken.’

‘Maar dat weten we toch wel? Het staat elke dag in de krant.’

‘Het gaat niet goed. Wacht maar. Geert Wilders heeft gelijk.’

Stilte aan mijn kant. Dan probeer ik:

‘Maar Wilders is ook niet echt de oplossing.’

Ik wist niet of hij van ‘minder minder’ had gehoord of ‘kopvoddentaks’. Dus die gooide ik er even niet in.

‘Wat is dan oplossing?’ ging hij verder. ‘Nu Syrië. Mensen in boot. Jullie zeggen: kom allemaal hier. Kom allemaal hier. In boten allemaal terroristen. Niet allemaal. Maar ook.’

‘Maar ook heel veel vrouwen en kinderen die vluchten voor echt oorlogsgeweld. Minderheden die anders vermoord worden door de jihadisten of Assad.’

Nu weer een pauze aan de andere kant. Gevolgd door:

‘Hier allemaal gek.’

Daar had ik niet zo 1, 2, 3 een effectief antwoord op. Dus hij bleef aan de bal.

‘Kijk. Ik werk hard… Heb jij werk?’

Ik zei ja. Net doen of films maken een betaalde baan is.

‘Goed. Jij hebt ook een baan. Betaalt belasting. Waarom betaal ik belasting en krijgt iemand die uit Syrië terugkomt en mensen vermoord heeft geld en een huis. En daarna maakt hij misschien hier mensen dood. Hier in politiek iedereen gek.’

Dan probeer ik nog:

‘Maar er zijn genoeg politici die het probleem ook zien. Asscher… en wat denk je van Aboutaleb? Die is toch heel dapper. Die neemt risico.’

‘Partij van de Arbeid…’ De man schudt zijn hoofd.

Vervolgens een lange tirade over de opstelling van de PvdA in het zorgdebat. Cabbies will be cabbies.

We staan inmiddels al voor mijn huis. De man zet de meter af en praat door.

Hij blijkt hier al achttien jaar te zijn en is dol op dit land. Zijn kinderen gaan hier naar school en hij heeft veel familie in Engeland zitten. Daar is het een stuk slechter leven, zegt hij. Allemaal getto’s. Hier niet. Zegt hij. Veel familieleden daar willen hierheen komen. Hier zijn meer kansen.

Ik vroeg nog of hij stemde.

‘Altijd’, zei hij. ‘Natuurlijk.’

Hij stemde altijd op de SP. In mijn hoofd had ik dat al een beetje zo ingeschat.