Du Gardijn laat in zijn boek melancholie en vergeefsheid overheersen © Elisabeth van Sandick

In het eerste verhaal van deze roman vertelt Willem du Gardijn de tragische geschiedenis van Aimée die haar man, leraar oude talen Adriaan, met Yves bedriegt. Het komt uit, Yves verdwijnt uit haar leven, maar zij kan hem niet vergeten. Klassieker kan haast niet, zou je zeggen, maar Du Gardijn maakt er een hartverscheurende geschiedenis van waarin Aimée langzamerhand de afgrond in gaat en Adriaan haar tevergeefs probeert aan te zetten om ‘erover te praten’, hij probeert zijn relatie met haar te herstellen.

We zitten in het hoofd van Aimée, Adriaan is een bijfiguur die veel begrip voor haar opbrengt maar steeds langs haar heen praat en haar tot wanhoop drijft met zijn rationaliserende en begripvolle praatjes. ‘Zo moedig van je, Aimée, ik zit naast je, ik ga je ondersteunen met al mijn kracht. Het belangrijkste is dat wij beiden sterk zijn, als individuen en als stel.’ Of dit: ‘Ik ben bij je, we komen erdoorheen! Ik hou van je!’

Maar Aimée zelf wil helemaal niet sterk zijn en ze verdwijnt steeds meer in sombere bespiegelingen en wanhoop. Voor Aimée staat alles stil. Larmoyant? Misschien… in de huidige literaire mores tref je een geschiedenis als deze in ieder geval niet vaak meer aan. Volledig losgezongen van ironie, dramatisch en onafwendbaar. Du Gardijn verplaatst ons met volle kracht in de denkwereld van zijn wanhopige heldin, die niet meer in staat is zich uit haar depressie te bevrijden. Maar wel doet alsof.

Dit verhaal kreeg me stevig in zijn greep: wat is die Adriaan een eikel, met zijn opgewekte praatjes, dacht ik steeds en Aimée, ja Aimée, wie ongevoelig voor haar blijft moet maar ophouden literatuur te lezen. Schrijfkunst tot en met: ‘De klok had de tijd tot na enen weggetikt. Ze hoorde slechte stemmen, varianten op varianten. Ik ben te dun aan de buitenkant. Voel me veel, behalve mijn naam. Waarom hielpen die pillen niet? De zenuwen rukten op vanuit haar middenrif, benen volledig bezet.’

Aimée, wie ongevoelig voor haar blijft moet maar ophouden literatuur te lezen

En in het tweede verhaal, een ik-verhaal, zitten we ineens in het hoofd van die vermaledijde Adriaan over wie ik net zo negatief berichtte. Daar heb je hem, in Napels, waar hij onderzoek doet naar de precieze plaats van overlijden van keizer Hadrianus (76-138). Adriaan blijkt een groot kenner te zijn van de wetenschappelijke literatuur over deze succesvolle keizer. Duidelijk is dat Hadrianus aan het einde van zijn leven naar de omgeving van Napels afreisde, om daar te kunnen sterven, maar over de precieze plaats spreken de bronnen elkaar tegen. Er is een aantal mogelijkheden en tijdens zijn verblijf in Napels probeert Adriaan het geheel te reconstrueren. Hij bezoekt mogelijke sterfplaatsen, bepeinst de mogelijkheden en begint erin te geloven dat hij dit raadsel eindelijk kan oplossen. Tegelijkertijd doet hij pogingen de dood van Aimée te verwerken.

Adriaan bezoekt in Napels en omgeving allerlei Italiaanse collega-kenners van Hadrianus, maar heeft het gevoel van het kastje naar de muur te worden gestuurd. Wil men liever geen vreemde pottenkijkers? Wil men hem niet verder helpen? Bovendien voelt hij zich in zijn Napolitaanse appartement steeds meer een buitenstaander die geen idee heeft wat zich in de huizen van zijn buren afspeelt.

Du Gardijn schreef dit verhaal overigens niet in de stijl van de psychologische roman, zoals het eerste verhaal, maar in die van de wetenschappelijke zoektocht.

In de derde geschiedenis laat Du Gardijn keizer Hadrianus tot in details de laatste tocht beschrijven die hij naar zijn sterfplek maakte. Hij leunt in deze vertelling duidelijk op stijl en toon van Marguerite Yourcenars fameuze historische roman Hadrianus’ gedenkschriften. Zij beschreef die laatste tocht van Hadrianus niet, Du Gardijn vult haar aan. Overtuigend kroop hij in de denkwereld van de stervende keizer, hij geeft uitvoerige beschrijvingen van de reisweg, van het publiek langs de weg, van de ontberingen en van de medische bijstand die de keizer onderweg kreeg. Uiteindelijk komt hij in Baiae aan, in een villa vlak bij het water, waar hij overlijdt. ‘Hermogenes ontwaakte mij uit mijn hallucinatie. Hij had mij zien liggen en was op mij toegesneld. Hij beroerde met zachte vegen van zijn hand mijn natte gezicht. Hij hoorde wat ik wilde, hij hoorde mijn haperende zinnen.’

Van Aimée via Adriaan naar Hadrianus. Drie verhalen, drie stijlen die met elkaar op wonderlijke wijze een samenhangende roman vormen. Ze grijpen in elkaar, het ene verhaal loopt in het andere over, terwijl de stijlen en opzetten sterk verschillen, maar toch vormt het geheel een krachtige eenheid. Niet alleen omdat de hoofdfiguren erin terugkeren, maar ook omdat gevoelens van melancholie en vergeefsheid sterk overheersen, elementen waarmee Du Gardijn zich in eerder werk nooit uitvoerig inliet. Het lijkt erop dat hij een nieuwe weg is ingeslagen. In vorige romans en verhalen werkte hij vaak met vervreemdende elementen of hilarische verhaalingrediënten, dit alles vermengd met de nodige ironie. Daarvan is nu geen sprake.

Met het ijzersterke verhaal over Aimée schreef Du Gardijn een uiterst geloofwaardig en ontroerend portret van een vrouw. Geen ironie meer, maar gevoel, verlangen en inzicht. Ook in de twee andere verhalen lijkt hij zich te bekeren tot een meer traditionele vertelkunst waaruit vervreemdende elementen zijn weggesneden. Gaat het bij hem deze kant op? Is dit een eerste oefening, die is dan meteen zeer geslaagd. Ik las het allemaal ademloos en zonder reserves, bewonderend ook, ik kwam bij dit boek weer toe aan mijn kinderlijk stille lezen van vroeger waar ik zo smartelijk naar terug kan verlangen.