De creatieve stad

Te duur voor de middenklasse

Volgens de Amerikaanse socioloog Richard Florida moet een stad creatief talent koesteren om economisch succesvol te blijven. Maar neemt de creatieve klasse de stad niet te veel in bezit?

Medium floridacreatibe

Zef Hemel is nergens te vinden. De adjunct-directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam schijnt zich op de tweede verdieping te bevinden. Maar waar? Op de open vloer staan vooral veel lege bureaus en in het zithoekje met twee knalrode banken is hij ook niet. Een tweede rondje om het faciliteitenblok, met trappengat, toiletten en koffiezetapparaat levert ook geen resultaat op.

Gangen, deuren en naambordjes bestaan niet meer in deze wereld van flexwerkers. Iedere ochtend zoek je opnieuw een plekje. Dan maar even vragen aan een van de medewerkers achter een beeldscherm. ‘Weet je waar ik Zef Hemel kan vinden?’ ‘Zit hij niet bij Simone?’ Behulpzaam leidt hij de weg naar een paar rijen bureaus achter een halfhoge boekenkast. ‘Dat is Simone.’ De directiesecretaresse zit aan een bureau aan het raam tussen stapels spullen. Ze heeft zich duidelijk onttrokken aan het flexibele bestaan. Maar waar is Hemel? ‘Hij komt er zo aan. Ga maar even zitten.’

Na een paar minuten komt de adjunct-directeur waarachtig aanlopen. Zoals altijd met een iPhone in de ene hand en een iPad in de andere. Altijd druk met projecten hier, adviezen daar en tussendoor nog wat colleges. Want naast zijn baan bij de Dienst Ruimtelijke Ordening werkt hij als bijzonder hoogleraar grootstedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam.

Vandaag heeft hij een uurtje vrij gemaakt om te praten over Amsterdam en over Richard Florida, de Lady Gaga van de stedelijke ontwikkeling. Of, zoals Hemel het zelf verwoordt: ‘De verpersoonlijking van de neoliberale goednieuwsshow. Hij reist als een rockster de wereld rond.’ Alleen treedt hij niet op voor gillende tienermeisjes maar voor stadsbestuurders, beleidsmakers en politici.

Een verdieping hoger is een bespreekruimte gereserveerd. ‘Maar eerst haal ik hier even koffie. Die is hier beter dan op de derde.’ Onderweg loopt hij een bekende tegen het lijf. Een oud-student die stage blijkt te lopen bij een collega. ‘Wat leuk!’ roept Hemel enthousiast. De interactie van de flexwerkvloer is hem op het lijf geschreven. Hier een praatje, daar een kopje koffie, informele kennisoverdracht op microniveau. Precies zoals Florida het vertelde in zijn internationale megabestseller The Rise of the Creative Class uit 2002. Het samenklonteren in steden van hoogopgeleide kenniswerkers zorgt vanzelf voor het delen van kennis. Een ontmoeting op een terras, in de rij bij de bakker of op de werkvloer leidt bewust of onbewust tot kruisbestuiving, tot nieuwe ideeën en inzichten.

Achter een glazen deur bevindt zich een moderne, kleine bespreekkamer. Tientallen meters lager dendert het verkeer onophoudelijk over de Weesperstraat. Florida dus, hoogleraar economie aan University of Toronto. De man die als eerste aan een groot publiek duidelijk maakte dat de moderne economie, die niet draait om goederen maar om kennis en het verwerken van informatie, wordt gedragen door mensen die niet handelen op routine maar op basis van eigen inzichten en ideeën. Deze groep mensen noemt hij de ‘creatieve klasse’. En deze klasse, zo toont hij aan, woont het liefst in leuke steden – New York, San Francisco, Chicago, Londen, Parijs, Barcelona, Berlijn, Amsterdam – waar de straten en huizen mooi zijn, je veel gelijkgestemden vindt en niet ver hoeft te lopen om een café, restaurant, boekwinkel, theater of bioscoop te vinden.

Want de creatieveling houdt niet van de eentonigheid van de suburbs, maar van vermaak en inspiratie. Een duidelijke breuk met de jaren zestig, zeventig en tachtig, toen mensen de steden massaal achter zich lieten en juist kozen voor een leven in de luwte. ‘Die boodschap is door stadsbestuurders overal ter wereld met gejuich ontvangen’, zegt Hemel. ‘Het was ook een mooi verhaal. De notie dat steden niet alleen probleemgebieden waren, maar ook belangrijk konden zijn, begon toen te ontstaan.’

Onder deskundigen en beleidsmakers werd de hernieuwde aantrekkingskracht zichtbaar vanaf het einde van de jaren negentig. In grote steden trok de economie aan en werden de eerste stappen in het proces van gentrification gezet, maar een sluitend verhaal over het hoe en waarom ontbrak nog.

Zef Hemel noemt Florida ‘een spannende denker’. Zelf schreef hij in 2001 in opdracht van toenmalig minister Jan Pronk het boekje Creatieve steden. ‘Er ontstond een nieuwe, creatieve economie. In Nederland kon men daar niets mee. Mensen wilden er niet aan dat je de grens van creatieve beroepen kon oprekken. Het moest in de cbs-definities passen. Je had fotografen en architecten en dat was het wel een beetje. Dat is ongeveer drie procent van de beroepsbevolking. Maar Florida zei dat de creatieve economie die aan het ontstaan was wel zestig tot zeventig procent van de beroepsbevolking omvatte.’

Inmiddels begrijpen we wat het zijn, creatieve beroepen. Het gaat niet om het vak dat je uitoefent, maar om de wijze waarop je je werk doet. Of de vrijheid die je krijgt om je werk te doen. Volg je bij iedere handeling een standaardprocedure of is er de ruimte of zelfs noodzaak om er je eigen draai aan te geven? Die nieuwe creatieve economie is intussen ook een geaccepteerd feit. ‘Maar we weten niet hoe ver we zijn’, zegt Hemel. ‘Staan we pas aan het begin of zitten we er al middenin?’ En als we pas aan het begin staan, waar gaat het dan heen?

Hemel staart naar buiten. ‘Neem een caissière bij de Albert Heijn. Die verricht bijna alleen maar routinehandelingen. Als je een volledige creatieve economie hebt, dan zou je die baan afschaffen en vervangen door een geautomatiseerd systeem. In plaats daarvan creëer je een functie die wel creativiteit vereist.’ Positief denkend wordt de Albert Heijn op die manier nog een stapje slimmer en dus beter. Goed voor de werknemer, goed voor het bedrijf en goed voor de economie waar de werknemer en het bedrijf deel van uitmaken.

‘Florida was de eerste die de opkomst van bepaalde steden en het verval van andere steden plausibel maakte’, zegt Jeroen Slot, hoofd van de Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam en sociaal-geograaf van huis uit. Hij is een goede collega van Hemel. Het wereldje is klein, je komt elkaar vaak tegen en de koers van de stad wordt onder ambtenaren breed gedragen. Met hier en daar een nuanceverschil. Waar Hemel zijn dagen slijt in een klassiek kantoorgebouw aan een brede doorgaande weg, is Slot te vinden in een monumentaal pand in het oude hart van de stad, aan de Oudezijds Voorburgwal. Daar zit hij in een eigen kamer, achter een ouderwets bureau. ‘Ik heb zo’n hekel aan dat flexwerken’, zegt hij. ‘Het heeft iets van een religie. Ik geloof er niets van dat een organisatie er beter van wordt. Het is net zoiets als wijn drinken op de stoep. Dat doen mensen niet omdat ze wijn zo lekker vinden, maar om de waarde van hun huis te verhogen. Om hun eigen gelijk te halen en te laten zien in wat voor leuke buurt ze wonen.’

In de creatieve stad gaan de ‘blue collar workers’ er netto flink op achteruit

Over religie gesproken. Slot pakt een boek uit de kast en wijst op de cover. Het is The Rise of the Creative Class en op de voorkant zijn twee vrouwenbenen op hakken te zien, ze lopen langs een bureau. ‘Terugkijkend kun je zeggen dat de cover van zijn boek Florida al verraadde. Hij is niet zozeer wetenschapper, maar eerder een consultant.’ Allereerst wil Slot zeggen dat er veel interessante aspecten aan het verhaal van Florida zitten. ‘Het heeft alleen al belangrijke waarde gehad omdat het de aanzet heeft gegeven tot een heel nieuw discours van denken en praten over de stad, de stedelijke economie en de mensen die in de stad wonen.’ Maar volgens critici is het allemaal wel heel optimistisch en misschien ook wel te simplistisch. ‘Vanaf het begin zijn er twijfels geweest over zijn data en methode. De wetenschappelijke consideratie ontbreekt. Waar zijn de keerzijde, de twijfels en de nuance?’

Hemel, die binnen het wereldje bekendstaat als liefhebber van het werk van de Amerikaan, begrijpt wat Slot bedoelt. ‘In het kielzog van Florida is een leger aan adviseurs ontstaan dat zijn werk als standaardmodel voor iedere stad hanteerde. Bouw een theater en de creatieve klasse komt vanzelf naar je stad toe. Maar dat kun je Florida niet aanrekenen. Je moet met dit verhaal natuurlijk niet bij het stadsbestuur van Doetinchem aankomen.’

Het verhaal van Florida, legt Hemel uit, is veel breder dan ‘de drie T’s’ waaraan hij zijn theorie heeft opgehangen. Een stad heeft volgens de Amerikaan grote kans op succes wanneer ze goed scoort op het gebied van talent, tolerantie en technologische infrastructuur. Op basis van deze drie elementen zijn bestuurders overal ter wereld vol enthousiasme aan het bouwen en ontwikkelen geslagen. Ook in steden, dorpen en regio’s waar de kansen op succes nihil waren.

‘En dat kun je Florida wel degelijk aanrekenen’, vindt Slot. Hij haalt de beroemde stadsgeograaf Peter Hall aan, die een paar jaar eerder het meer dan duizend pagina’s tellende boek Cities in Civilization: Culture, Technology and Urban Order uitbracht en daarin dezelfde trends en factoren zichtbaar maakte. Maar volgens deskundigen wel met de consideratie die bij een wetenschappelijk werk past. ‘Hij zei dat door het werk van Florida elke stad van het ene op het andere moment een creatieve kennisstad wilde worden’, vertelt Slot. ‘Daar heeft hij gelijk in.’ Sinds het uitkomen van The Rise of the Creative Class verdiende Florida zelf bovendien miljoenen met een eigen adviesbureau. ‘Hij heeft nooit een boek geschreven met: pas op, dit is mijn voorbehoud. Hij heeft een vervolg geschreven, Cities and the Creative Class, waarin hij het verhaal voortzet.’

En hij heeft de aanzet gegeven voor een internationale euforie waar Slot zich moeilijk in kan vinden. ‘Alsof steden het niet ook weer moeilijk kunnen krijgen. Het triomfalisme, ook in het boek Triumph of the City van Edward Glaeser een paar jaar later, heeft me vanaf het begin verbaasd. Het leek wel een opstand of een coup van de stedelingen. Zo, nu zijn wij de baas.’

In januari van dit jaar kwam er een opmerkelijk bericht vanuit de Verenigde Staten. In het wetenschappelijk tijdschrift The Atlantic Cities had Richard Florida een artikel gepubliceerd waarin hij zelf een van de keerzijden van zijn verhaal zichtbaar maakte. In steden met een bloeiende creatieve economie en een grote aantrekkingskracht op de creatieve klasse worden de andere klassen geleidelijk verdreven. Het is precies het effect waar critici al tien jaar geleden op wezen. Hoewel Florida zelf geloofde in een _trickle down-_effect, waarbij ook leraren en politieagenten, serveersters en schoonmakers, automonteurs en bouwvakkers zouden profiteren van het economische succes van de stad, blijkt de praktijk minder mooi te zijn.

De grafieken in het artikel More Winners than Losers in America’s New Economy zijn duidelijk. Het goede nieuws is dat de salarissen in de succesvolle steden in vrijwel alle sectoren van de arbeidsmarkt zijn gestegen. In een stad met veel kennis en creativiteit nemen het productieniveau en dus ook de omzet en de geldstromen toe. ‘Volgens onze analyse volgen de lonen van alle soorten en klassen werknemers de loonontwikkeling van de groep met de meeste vaardigheden, (…) de creatieve kenniswerkers.’ Ook de bevolkingsomvang blijkt een positief effect te hebben op het inkomen. Hoe groter de populatie, hoe hoger de salarissen. ‘Iedereen lijkt ook baat te hebben bij de clustering van talent in grotere stedelijke regio’s’, schrijft Florida. Het agglomeratie-effect is in die regio’s het sterkst. Ze hebben ‘een sneller metabolisme en een groter innovatievermogen’.

Dan volgt de ‘maar’: niet alleen de inkomens zijn gestegen, ook de kosten, en dan vooral de woonkosten. In vier simpele grafieken wordt de keerzijde van het creatieve succes duidelijk. In de eerste laat Florida zien dat over de gehele bevolking van de bewuste steden een flinke netto winst is behaald als de gestegen kosten van de gestegen inkomsten worden afgetrokken. Iedereen is beter af, zou je zeggen. Daarna volgt een grafiek die aantoont dat deze netto winst onder de creatieve klasse veel hoger is dan onder de totale bevolking. Met de laatste twee grafieken als gevolg. Zowel de ‘lower skilled service workers’ als de ‘blue collar workers’ zijn er netto flink op achteruit gegaan. Door de gestegen woonkosten in de populaire steden is het restinkomen na aftrek van huur of hypotheek beduidend lager dan in minder succesvolle steden.

In het kamertje aan de Weesperstraat kijkt Hemel naar de grafieken. ‘Het verbaast me niks. Saskia Sassen heeft in Global Cities al aangetoond dat het trickle down-effect een illusie is. Maar het is wel een tragische ontwikkeling. Er vindt keiharde uitsortering plaats.’ Misschien nog wel zorgwekkender vindt hij het onderscheid dat Florida, oud-marxist, maakt tussen de drie klassen. ‘In The Rise of the Creative Class begon het als een grapje, de herintroductie van een klassenonderscheid. Maar nu lijkt hij het wel heel serieus te nemen.’ Terug naar de uitsortering. ‘Florida heeft zelf ook altijd op dit gevaar gewezen. Maar ik snap dat dit voer is voor zijn critici. Die hebben al die jaren geen gehoor gekregen en zien nu kans om hem van zijn troon te stoten.’

‘Het is geen verrassende conclusie’, stelt ook Peter Boelhouwer, hoogleraar woningmarkten aan de TU Delft. ‘In de Verenigde Staten krijgt de markt alle vrijheid om zijn werk te doen. Toeslagen zoals wij die kennen bestaan daar in zeer beperkte mate en sociale woningbouw bestaat daar nauwelijks. Als die er al is, dan zijn het van die naargeestige flatwijken aan de rand van de stad. Zoals de banlieues in Parijs.’

Daar komt bij dat er geen bescherming is op de arbeidsmarkt, legt Jeroen Slot uit. ‘Salarissen worden bepaald door vraag en aanbod. Als je bedenkt dat Amerika echt een immigratieland is, dan betekent het een heel groot aanbod aan arbeidskrachten die bereid zijn voor weinig geld hard te werken.’ Zonder vastgestelde ondergrens dalen de salarissen in veel sectoren naar een onwaarschijnlijk laag niveau.

Ook in Amsterdam is de segregatie de afgelopen twintig jaar, de periode waarin de stad grote economische successen boekte, flink toegenomen. In april bracht Onderzoek Statistiek (O+S) het rapport Een stad voor iedereen uit, met daarin een overzicht van de ontwikkelingen in de afgelopen decennia. In het rapport staan twee trends centraal: de economische groei en de toenemende ongelijkheid. ‘Tussen 1986 en 2012 is het aantal banen in Amsterdam met 180.000 toegenomen tot 475.000. Hier hebben vooral hoogopgeleiden van geprofiteerd. Tussen 2000 en 2012 is het aantal banen voor hen met vijftig procent toegenomen. Het aantal lagere banen nam ook toe, maar minder.’ En later: ‘Het aandeel hoge inkomens nam toe van zeven procent in 2001 naar twaalf procent in 2009. Hierdoor is het verschil tussen arm en rijk toegenomen, vooral in het centrale deel van de stad.’

Via de woningmarkt betalen de rijken op grote schaal mee aan het levensonderhoud van de armen

Slot stond als directeur van O+S aan de wieg van het document. ‘De kloof tussen arm en rijk neemt in Amsterdam al ruim 25 jaar toe. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. Het is veelzeggend dat het gemiddelde welvaartsniveau in de stad sinds 2008 ondanks de crisis gelijk is gebleven, terwijl de werkloosheid aanzienlijk is gestegen. De winst is bij de bovenklasse terechtgekomen.’

De cijfers geven ook een duidelijk beeld van de grenzen waarlangs de toenemende ongelijkheid zich voltrekt. Niet-westerse allochtonen zijn gemiddeld lager opgeleid en vaker werkloos en hebben een lager inkomen. Van de Amsterdamse allochtonen heeft 44 procent moeite met rondkomen, tegen 26 procent van de autochtone Amsterdammers. Voor laagopgeleiden in het algemeen geldt dat ze vaker werkloos zijn en een lager inkomen hebben dan hoger opgeleiden. Opmerkelijk is ook dat de segregatie zich steeds vaker afspeelt langs ruimtelijke grenzen, precies zoals ook het geval is in de steden die werden onderzocht door Richard Florida. Het gebied binnen de ring wordt steeds meer het domein van autochtone hoogopgeleiden met een goed inkomen, terwijl in de wijken buiten de ring het aantal allochtonen en laagopgeleiden toeneemt.

‘De kloof tussen het deel van de stad binnen de ring en het deel buiten de ring wordt steeds groter. Dat geldt voor gemiddelde inkomens, voor werkloosheidpercentages en ook voor opleidingsniveau’, zegt Slot. En juist in die ruimtelijke segregatie schuilt volgens hem gevaar. Als de trends zich doorzetten, krijgen ‘binnen de ring’ en ‘buiten de ring’ een heel nieuwe dimensie. ‘Dit is het moment dat je moet waken voor echte problemen. Die ontstaan als de mogelijkheden tot sociale mobiliteit worden aangetast. Als de plek waar je wordt geboren bepaalt wat je kansen zijn in het leven. Als je buiten de ring matig onderwijs krijgt en binnen de ring goed onderwijs en als op die manier je kansen op een goede baan al bij voorbaat vaststaan.’

Het is een van de onderwerpen die ook bij Zef Hemel bijzonder gevoelig liggen. Hoewel het onderwerp in de gemakzucht van veel bestuurders, politici en beleidsmakers wordt vergeten, is onderwijs voor hem een essentieel onderdeel van een samenleving in een creatieve economie. ‘Dat vindt Florida trouwens ook. Die hamert daar constant op. Zolang je iedereen de kans geeft op goed onderwijs geef je mensen ook de kans om economisch te slagen.’ Juist in deze nieuwe economie, die drijft op denkkracht, is onderwijs cruciaal, vindt hij. ‘En daar zijn we ons in Amsterdam erg van bewust. Asscher heeft hier in de stad geweldig werk gedaan. Hij weigerde te accepteren dat scholen hun leerlingen middelmatig onderwijs aanbieden en ze daarmee kansen ontnemen.’

Omdat het werk van Lodewijk Asscher, die voordat hij in 2012 naar het Binnenhof vertrok zes jaar wethouder in Amsterdam was, nog vers is, is het moeilijk de cijfers van O+S op het gebied van onderwijs goed te duiden. Uit de cijfers blijkt weliswaar dat het basisonderwijs gesegregeerd is, maar als gevolg van het beleid van Asscher zijn de prestaties van veel zwarte scholen de afgelopen jaren flink verbeterd. Ook geven de cijfers aan dat 55 procent van de kinderen op een zwarte basisschool naar een zwarte middelbare school gaat. Maar doordat de zwarte scholen beter onderwijs aanbieden, zullen de keuzemogelijkheden van de leerlingen groter worden, denkt Hemel.

Toch erkent hij de dreiging van segregatie, ook in Amsterdam. Hij durft zelfs te spreken van een beangstigende tijd. Door de crisis zullen de kansarmen en de kansrijken volgens hem verder uit elkaar groeien. ‘En we weten nu nog niet waar de grens wordt getrokken. Wie vallen er allemaal buiten de boot? Misschien is dat ook wel een deel van de creatieve klasse. Je weet het niet.’

Maar, benadrukt hij, de segregatie zoals in de grafieken van Florida zullen we hier niet meemaken: ‘Dit soort ontwikkelingen, eigenlijk alle ontwikkelingen, worden in Nederland altijd gedempt vergeleken met het Amerikaanse voorbeeld.’

Zijn opmerking leidt indirect naar een van de belangrijkste vraagstukken binnen de Amsterdamse politiek: de woningmarkt. ‘Want’, legt Jeroen Slot uit, ‘de dempende werking is het gevolg van ons verdelingsprincipe.’ Rijken betalen op grote schaal mee aan het levensonderhoud van de armen. ‘En die verdeling gebeurt grotendeels via de woningmarkt.’ In Nederland heeft iedereen met een beperkt inkomen recht op een sociale huurwoning. Van de totale Nederlandse woningvoorraad bestaat ongeveer dertig procent uit dit soort woningen. In Amsterdam is dit percentage 62, een erfenis van het werk van Floor Wibaut.

In 2014 is het precies honderd jaar geleden dat Wibaut namens de sdap aantrad als wethouder van Volkshuisvesting en zijn verheffingsidealen toepaste op de Amsterdamse woningvoorraad. Hij vond dat iedere Amsterdammer, rijk of arm, moest kunnen wonen in een fatsoenlijke en betaalbare woning. Vanuit dat ideaal werden krotten gesloopt en vervangen door aangename woningen en werden op verschillende plekken in de stad nieuwe buurten gebouwd. Als ‘Onderkoning van Amsterdam’ timmerde hij hard aan de weg en met zijn sociaal-democratische visie als motto bestond de Amsterdamse woningvoorraad in de jaren tachtig voor ongeveer negentig procent uit sociale huurwoningen.

‘Ik vind sociale huurwoningen zo’n rare term’, zegt Frits Huffnagel, vvd’er en tussen 1998 en 2005 als raadslid en wethouder actief in de Amsterdamse gemeentepolitiek. ‘Ik vind het helemaal niet sociaal dat je alleen voor een woning in aanmerking komt als je weinig verdient. En al helemaal niet dat bijna twee derde van de woningen in Amsterdam alleen beschikbaar is voor mensen met een laag inkomen. Waar moet de rest dan wonen?’

Stel die vraag in de Amsterdamse gemeenteraad en je hebt gegarandeerd een boeiende avond. Of een saaie, het is maar hoe je het bekijkt. vvd, cda en d66 strijden al tientallen jaren voor het verkleinen van de sociale woningvoorraad en voor een groter aanbod koopwoningen en woningen in de vrije huursector. Zo willen ze meer mogelijkheden bieden aan het deel van de bevolking dat niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning, zij die meer verdienen dan 33.000 euro per jaar. ‘Maar voor de pvda is het onderwerp onbespreekbaar’, aldus Huffnagel.

Het levert een vreemde situatie op. Terwijl de Amsterdamse economie groeit en de vraag naar hoogopgeleiden almaar toeneemt, blijft de woningmarkt voor deze groep moeilijk toegankelijk. ‘Amsterdam heeft de sterkst gereguleerde woningmarkt ter wereld’, stelt Peter Boelhouwer. ‘Als je buitenlandse gasten door de stad rondleidt en je vertelt dat twee derde van de woningen is gereserveerd voor mensen met een laag inkomen, dan vallen ze steil achterover. In steden als Londen, New York of Parijs is het niet meer dan een paar procent.’

‘Je kunt je ook afvragen wat er mis is met een woning in Amstelveen of Almere, vlak bij Amsterdam’

Het onderwerp staat symbool voor een fundamenteel vraagstuk over de functie van stad. Voor wie wil je er zijn? Van wie ben je? Waar wil je heen? Volgens de pvda heeft de stad een belangrijke verantwoordelijkheid in het opvangen van de ‘onrendabelen’, zoals de minder bedeelden binnen deze discussie vaak worden genoemd. Volgens de vvd is de stad vooral van zichzelf, moet zij haar kansen kunnen grijpen en als de situatie zich daarvoor leent ruimte bieden aan economische groei en de mensen die daarvoor zorgen. Niet alleen uit eigenbelang, maar met het oog op ieders welzijn. ‘Economie is het beste sociale beleid’, verwoordt vvd-wethouder Eric Wiebes van Verkeer zijn klassiek liberale opvatting later aan de telefoon.

Wiebes, wethouder sinds 2010, schreef het vvd-programma voor de gemeenteraadsverkiezingen van volgend jaar. Met het oog op de economische kansen die Amsterdam in zijn ogen laat liggen, wordt de woningmarkt een van de speerpunten. In januari van dit jaar gooide hij alvast de knuppel in het hoenderhok. Tijdens een bijeenkomst in De Balie pleitte hij voor een halvering van het aantal sociale woningen, tot ongeveer dertig procent. ‘Gelijk aan het Nederlandse gemiddelde en bovendien gelijk aan het aandeel huishoudens met een laag inkomen.’

Al in zijn tijd als ambtenaar bij het ministerie van Economische Zaken liet hij zich inspireren door Richard Florida. ‘Ik heb The Rise of the Creative Class al jaren geleden gelezen. Een mooi verhaal. Later zijn daar harde economen als Edward Glaeser overheen gegaan. Ze laten zien dat steden tegenwoordig de motoren zijn van de economie.’ En Amsterdam, legt hij nog maar eens uit, voldoet aan alle voorwaarden waaraan een stad volgens het huidige wetenschappelijke discours moet voldoen om talent aan te trekken en economisch succesvol te zijn.

Dat biedt niet alleen mogelijkheden, maar schept ook een verantwoordelijkheid voor het creëren van banen. ‘Nu telt de stad negentigduizend mensen met een uitkering.’ Dat is in zijn ogen veel te veel voor een stad met zoveel mogelijkheden. ‘Amsterdam heeft goud in handen.’ En dat kan worden verzilverd door een liberalisering van de woningmarkt. Met meer ruimte op de woningmarkt zou de stad volgens Wiebes veel meer ‘keien’ kunnen herbergen, ‘mensen die slim zijn, innovatief en ondernemend. Die nieuwe zonnepanelen ontwikkelen, nieuwe winkelconcepten bedenken, apps maken of spijkerbroeken ontwerpen.’

Maar: ‘Bijna twee derde van onze stad is verboden toegang voor mensen die groei en dynamiek naar onze stad willen brengen. Kiest iemand voor Vancouver, dan wordt het een appartement aan de baai, kiest hij voor Amsterdam, dan wordt het Almere.’ Want de zes procent vrije-sectorhuurwoningen zijn door het beperkte aanbod bijzonder prijzig, en kopen in Amsterdam is voor de meeste starters, zzp’ers en anderen in het middensegment niet weggelegd.

De linkse fracties reageerden als een stier op een rode lap op Wiebes’ voorstel tot halvering van de sociale huursector. pvda-fractievoorzitter Marjolein Moorman deed dat via Twitter: ‘Mensen met lagere inkomens de stad uit jagen omdat de vvd ze niet succesvol genoeg vindt? Niet mijn idee van de stad versterken.’ Ze kreeg bijval van GroenLinks-fractielid Femke Roosma: ‘Lees met stijgende verbazing tweets over uitspraken Wiebes. Halveer sociale huursector in A’dam omdat mensen niet succesvol zijn?! #wtf.’ En van sp-fractievoorzitter Laurens Ivens: ‘Goedzo, na gl verwerpt ook pvda schofferende ideeën van Wiebes.’

Wiebes vindt het ongefundeerde kritiek. Ongeveer de helft van de sociale huurwoningen wordt volgens hem nu bewoond door scheefwoners. Mensen die de woning betrokken toen ze weinig verdienden, maar die ondanks een inkomstenstijging niet zijn vertrokken. ‘Omdat niemand ze dwingt te verhuizen en omdat een huurwoning in de vrije sector of een koopwoning voor veel van hen niet te betalen is.’ Zo is de cirkel van de kromgetrokken Amsterdamse woningmarkt weer rond. Zeker nu de economische hoogtijdagen voorbij zijn, is er nauwelijks mogelijkheid tot mobiliteit en is er enkel ruimte voor armen, rijken en scheefwoners. De middengroepen, waaronder een deel van de ‘keien’ van Wiebes, moeten hun heil elders zoeken.

Peter Boelhouwer gelooft niet helemaal in de cijfers van Wiebes. ‘Als in heel Nederland veertig procent van de huishoudens op basis van inkomen in aanmerking komt voor sociale huur, dan zal dat in Amsterdam meer zijn. In grote steden wonen altijd meer mensen met een laag inkomen.’ Kortom, een halvering van de sociale sector zou weldegelijk betekenen dat een deel van de lage inkomensgroepen de stad uit wordt verdreven. Hij wil niet ingaan op de vraag of dit wenselijk is. ‘Dat is een puur politieke keuze.’ Wel kan hij als deskundige aangeven wat het effect is van beleidswijzigingen. ‘In steden als New York en Londen, waar de markt vrij spel heeft, is de middenklasse verdwenen omdat de woningprijzen veel te hoog zijn geworden. Mensen met een modaal inkomen wonen veel verder buiten het centrum dan nu in Amsterdam het geval is. Hoewel de aantrekkingskracht van Amsterdam veel minder groot is, zal zeker het centrum nog meer het domein van de economische elite worden.’

Het is precies het scenario waar de linkse fracties beducht voor zijn en waar de Amerikaanse stadsgeografe Susan Fainstein het boek The Just City over schreef. Hoe voorkom je dat stedelijke vooruitgang per definitie resulteert in segregatie en verdringing? Hoe combineer je economisch succes met een behoud van diversiteit en sociaal welzijn? Amsterdam voldeed in haar ogen nog aan de criteria van een eerlijke stad.

Als het aan d66-fractievoorzitter Jan Paternotte ligt, blijft dat zo. Toch kan hij zich voor een groot deel vinden in de ambities van Wiebes. Als lijsttrekker bij de aankomende gemeenteraadsverkiezingen heeft ook hij de woningmarkt hoog op de agenda staan en ook hij zou de sociale huursector graag halveren. ‘Ik zou niet weten waarom Amsterdam meer lage inkomens zou moeten herbergen dan het landelijke gemiddelde.’ Net als Wiebes ziet hij de grote hoeveelheid sociale huurwoningen als een van de oorzaken van de toenemende segregatie. ‘Vooral omdat de woningen steeds meer verdwijnen uit het centrum en zich concentreren in minder populaire buurten. In de Kolenkitbuurt bijvoorbeeld staat tachtig procent sociale huur. Dat werkt segregatie in de hand.’

Meer marktwerking zal volgens hem leiden tot meer gemengde wijken. En tot meer ruimte voor een variëteit aan middengroepen. Het internationale talent dat ook Wiebes graag in groteren getale naar de stad ziet komen. ‘Zij hebben vooral baat bij modale huurwoningen en huurwoningen in de vrije sector. Aan koopwoningen hebben ze weinig: ze willen flexibel zijn en vrij van de ene stad naar de andere bewegen’, zegt Paternotte. Maar hij denkt ook aan de onderwijzers, verplegers en politieagenten. ‘Zij moeten ook in Amsterdam kunnen wonen.’

Het klinkt mooi, maar je kunt je afvragen of het realistisch is om onderwijzers, verplegers en politieagenten met een gezin in de stad te huisvesten. ‘Je kunt je ook afvragen wat er mis is met een woning in Amstelveen of Almere, vlak bij Amsterdam’, vraagt Boelhouwer zich af.

Een vraag waar Zef Hemel ook geen eenduidig antwoord op heeft. Hij denkt graag in termen van de metropoolregio, die veel groter is dan Amsterdam zelf. ‘In deze tijd kun je niet meer enkel denken in gemeentegrenzen, je moet het groter zien.’ Vanuit het kamertje aan de Weesperstraat kijkt hij naar buiten. Zijn papieren koffiebekertje is leeg. Hij voelt zich verleid door de kansen die Amsterdam voor het grijpen heeft, maar wil niemand laten vallen. Nog maar eens een blik op de grafieken van Florida. ‘Je moet goedkope woningen blijven toevoegen aan de metropool’, zegt hij ineens op ernstige toon. ‘En voorkomen dat het centrum het domein wordt van de rijken en de superrijken. Amsterdam moet een stad blijven voor iedereen.’ Een stad die goed zorgt voor haar mensen, maar ook voor zichzelf. ‘Daarom moeten we nu goed opletten dat de middenklasse niet volledig verdwijnt. Het is de lijm tussen onderkant en bovenkant. Starters, kunstenaars, accountmanagers, ze houden een stad in balans.’