Te hoog voor de aarde, te laag voor de hemel

BIJ ZIJN LEVEN werd Ferdinand Domela Nieuwenhuis veelvuldig vergeleken met Jezus. ‘Us verlosser’ noemden de Friese landarbeiders hem. Zelf hielp hij dit imago een handje door de bijbelse allure van zijn baard en haardracht. Toen hij in 1887 de gevangenis in moest wegens majesteitsschennis, vergeleek hij zijn lot met de lijdensweg van Jezus. Toch zullen weinigen hebben geloofd dat hij, na zijn crematie op 22 november 1919, zou verrijzen uit de dood. Niettemin dachten eind 1931 enkele trouwe volgelingen heel even dat de grote voorman was teruggekeerd.

Liep hij niet rond bij zijn eigen, pas onthulde, monument op het Amsterdamse Nassauplein? Het was echter zijn jongere broer Adriaan, die een kijkje kwam nemen bij het standbeeld van de grote propagandist van het Nederlandse socialisme. De oude man raakte zo in gesprek met enkele anarchisten. Het moet een merkwaardig gezicht zijn geweest: de look alike van de gevreesde agitator samen met vertegenwoordigers van een beweging die in dit land elke betekenis verloren had.
De brief waarin Adriaan Domela Nieuwenhuis deze ontmoeting beschrijft, is de laatste uit de onlangs verschenen uitgave van de familiecorrespondentie van en over zijn beroemde en beruchte broer. In dit fraai verzorgde boek zijn niet alleen de brieven opgenomen die Ferdinand Domela Nieuwenhuis schreef aan en ontving van zijn familie, maar tevens die fragmenten uit de correspondentie van de overige familieleden die over hem gaan. Hoewel veel brieven verloren zijn gegaan, biedt wat is overgebleven een bijzonder boeiend inkijkje in het leven van een familie van rijke notabelen in de zo standsbewuste negentiende eeuw. Bovendien is het heel interessant om te zien hoe deze familie omging met iemand die - zo voelde men dat althans - niet alleen zijn eigen goede naam te grabbel gooide, maar ook zijn familie grote schade berokkende.
DE NIEUWENHUISEN kwamen oorspronkelijk uit Denemarken, waar ze luisterden naar de naam Nyegaard. Ferdinands overgrootvader was in de achttiende eeuw als drenkeling aangespoeld op de West-Friese kust. Hij werd handelaar te Alkmaar en verhollandste zijn achternaam, omdat die nogal eens verhaspeld werd tot ‘nijdigaard’. Zijn zoon en kleinzoon werden luthers predikant. De laatste, die als eerbetoon aan zijn moeder de naam Domela toevoegde aan zijn achternaam, werd zelfs hoogleraar aan het Evangelisch-Luthers Seminarium te Amsterdam. Hij koesterde grote verwachtingen omtrent zijn vijfde zoon, Ferdinand, die in zijn voetsporen zou treden.
De familie was rijk en werd nog rijker door het tweede huwelijk van Ferdinands vader. De Domela’s verhuisden van het Amsterdamse Singel, op zich al geen achterbuurt, naar de Herengracht en ze brachten de zomers door op een landgoed te Zeist.
Behalve het lutherse geloof en een stevig standsbewustzijn hadden de meeste familieleden nog enige andere eigenschappen gemeen. Ze waren eerzuchtig, koppig, driftig, humorloos en behept met een nauwelijks te beteugelen aandrift tot Prinzipienreiterei. De in 1846 geboren Ferdinand was dus every inch een Nieuwenhuis. Zelfs in zijn linkse en atheïstische denkbeelden stond hij binnen de familie niet helemaal alleen. Zijn oom Adriaan had als advocaat geweigerd de eed af te leggen, en kon dus zijn beroep niet uitoefenen. Bovendien was hij in de jaren vijftig een aanhanger van de 'utopisch socialist’ Saint Simon en speelde hij een zeer bescheiden rolletje in de Parijse Commune.
Veel invloed schijnt deze oom echter niet gehad te hebben op Ferdinand. Deze werd aanvankelijk een keurige predikant, met goede vooruitzichten op een kerkelijke en/of wetenschappelijke carrière. Wel hielden zijn vader en stiefmoeder hun hart vast, aangezien Ferdinand er in theologisch opzicht angstwekkend 'moderne’ opvattingen op nahield. In hun pogingen het geloof der vaderen in overeenstemming te brengen met de zich in spectaculair tempo ontwikkelende natuurwetenschappen vielen nogal wat moderne theologen van hun geloof af. Domela worstelde ook met deze problemen, maar bij hem gaf de dood van zijn innig geliefde eerste vrouw de doorslag. Een god die zoiets toeliet, en die de afgrijselijke sociale misstanden accepteerde, was een wrede, liefdeloze god waarin men geen vertrouwen kon hebben. Of hij was een onmachtige god, en daar had je niets aan. In de mode van de dag, het filosofische materialisme, zag hij ook niets: het miste 'de bezielende adem des levens en wordt bij de meesten - ik spreek hier niet van de groote mannen - een zelfzuchtige en eenzijdige beschouwing’. Domela werd agnost en idealist. Op zoek naar werkbare idealen werd hij al snel geconfronteerd met de eerste, nog aarzelende pogingen iets te doen aan de gruwelijke ellende van het werkende volk.
In maart 1879, enkele maanden voor hij met de kerk brak, begon hij de uitgave van Recht voor Allen, dat later het orgaan werd van de in 1881 opgerichte Sociaal Democratische Bond, waarvan Domela de onbetwiste leider was. Toch had het enige tijd geduurd eer Domela socialist werd. Bij zijn studie naar wat toen de 'sociale quaestie’ heette, liet hij zich aanvankelijk leiden door zijn drie jaar jongere broer, de in Duitsland studerende en werkende Adriaan. Deze had in 1872 het roemruchte Haagse congres van de eerste Internationale - waar Marx de aanhangers van Bakoenin eruit werkte - bijgewoond en was goed op de hoogte van de talloze theorieën en stromingen op dit gebied. Socialist werd hij niet, in tegenstelling tot Ferdinand, die in 1878 aan hem schreef: 'Het roode spook verliest zooveel van zijn verschrikking als men het flink onder oogen ziet.’ Kort daarop noemde hij zich socialist, 'al ben ik niet geheel sociaaldemokraat’.
Vooral de praktijk van de sociaal-democratische beweging in Duitsland kon hem niet echt bekoren. In blauwdrukken voor de toekomst, in tot in alle details uitgewerkte Utopia’s, geloofde hij niet. Hierin zat hij op één lijn met Marx, van wie hij toen nog slechts het vierentwintigste hoofdstuk uit het eerste deel van Das Kapital had gelezen. Een echte marxist zou hij echter nooit worden. Niet omdat hij, zoals Nederlandse marxisten ons lang hebben willen laten geloven, de theorie van Marx niet begreep, maar omdat voor de sterk door John Stuart Mill beïnvloede Domela het socialisme meer was dan een louter economische kwestie. Zijn socialisme was uitgesproken moralistisch, want gericht tegen het egoïsme.
WAREN DE MEESTE familieleden al niet gelukkig met Ferdinands theologische ontwikkeling, zijn breuk met de kerk en zijn keuze voor de arbeidersbeweging vielen helemaal niet in goede aarde. Broer Hendrik schreef begin 1880 dat Ferdinand volkomen in de war was, hij leed aan 'eene manie’ en was een dolende ziel, die 'voor geene dwaasheid schijnt terug te deinzen’. Dezelfde broer ergerde zich later aan 'den rampzaligen socialistischen vegetarischen hocuspocus’ van Ferdinand, terwijl zijn stiefmoeder zich vooral zorgen maakte om de goede naam van de familie. Zij schreef Adriaan dat deze het zwarte schaap beslist geen onderdak moest verschaffen, omdat dat slecht zou zijn voor zijn carrière. 'De broeders hier hebben er reeds zooveel last van.’ Zus Fanny vergeleek Ferdinand in 1886 - niet alleen het jaar van het Palingoproer, maar tevens van de Doleantie - met Abraham Kuyper. Beiden waren in haar ogen heerszuchtige dwepers, met wie niet te praten viel. Twee jaar later noemde zij Ferdinands zetel in de Tweede Kamer 'een slag in het aangezicht des konings’.
Ook Ferdinands oudste broer, de brave jurist Co, had het moeilijk met het enfant terrible. Naar het schijnt gaf hij Ferdinand er de schuld van dat het zo lang duurde eer hij hoogleraar werd. De felbegeerde leerstoel kreeg hij uiteindelijk wel, zodat hij in juli 1888 kon optreden als promotor van de Friese advocaat P.J. Troelstra. Een maand later vierde Co zijn zilveren huwelijksfeest, waarvoor Ferdinand niet werd uitgenodigd. Diens 'aan de gevestigde orde van zaken vijandige positie’ liet dat niet toe. Adriaan, die zich uitdrukkelijk distantieerde van Ferdinands denkbeelden en tot diens woede had verklaard Recht voor Allen niet meer in de brievenbus te willen aantreffen, bedankte hierdoor ook voor de eer. Broer Johan, met wie Ferdinand in zijn jeugd het meest was opgetrokken, probeerde een verzoenende rol te spelen: 'Laat ons toch vooral niet verwarren den broeder met den sociaal-democraat.’
Toch liet de familie Ferdinand niet vallen, zelfs niet toen deze in 1887 - wat een schande voor zo'n keurige familie! - zeven maanden gevangenisstraf uitzat. Broer Co probeerde het straffe regime enigszins te verzachten, zodat Ferdinand meer mocht lezen en studeren. Co wist wat het toen nog nieuwe systeem van eenzame opsluiting inhield, want hij was op dat onderwerp gepromoveerd. Ferdinand vroeg hem of hij hem een keer kwam opzoeken. 'Praktisch maak ik dus kennis met dat cellulaire stelsel, dat in u van den beginne van uw loopbaan af zulk een warm verdediger heeft gehad. Ben ik eenmaal vrij, dan hoop ik te zijner tijd mijn oordeel daarover te kunnen zeggen, nu onthoud ik mij daarvan. Alleen dit, ik geloof dat menschen, die voorstanders zijn van iets door theoretische beschouwingen of kamerbespiegelingen, goed zouden doen te raadplegen met dezulken, die door ervaring zoo'n stelsel hebben leeren kennen.’ De 'ervaringsdeskundige’ keek er blijkbaar iets anders tegen aan dan de wetenschapper.
Hoewel met name Co, als solide steunpilaar van de maatschappij, Ferdinands revolutionaire propaganda met lede ogen aanzag, gaf hij de moed niet op. Zo hoopte hij in 1891 dat Ferdinand zou worden herkozen als Tweede-Kamerlid. Aan zijn zoon schreef hij: 'Ik gun Oom zeer zijn plaats ook omdat dit beter voor hem is met het oog op matiging.’ Ferdinand werd echter niet herkozen, en van die matiging kwam helemaal niets terecht. Eind 1893, toen door het conflict tussen de 'parlementairen’ en de 'revolutionairen’ de SDB op springen stond, informeerde Co’s zoon Jan of Alexander Cohen, 'dien men verslaggever van Recht voor Allen noemt, een anarchist is (zoals beweerd wordt) of een van uw partijgenoten?’.
Het was ook wel schrikken voor de familie. Net hadden ze zich min of meer neergelegd bij het feit dat Ferdinand sociaal-democraat was, en daar begon hij zich in de richting van het anarchisme te ontwikkelen. En dat in een tijd waarin bomaanslagen in Frankrijk en Spanje ervoor zorgden dat de bourgeoisie hartkloppingen kreeg enkel bij het horen van het woord 'anarchisme’. Overigens werd de familie ook niet goed van het financiële wanbeheer van Ferdinand, die door gulle gaven aan de arbeidersbeweging en ondoordachte beleggingen zijn forse kapitaal over de balk gooide. Met name broer Johan, die hem redde van het faillissement, had reden om te klagen over het 'nameloos leed, dat Ferdinand ons aandoet en waarvan hij niets gevoelt’. En inderdaad, Ferdinand leek het de gewoonste zaak van de wereld te vinden dat familieleden hem uit de brand hielpen.
OOK IN HET contact met zijn kinderen, en dan vooral die uit de eerste huwelijken, toonde Domela vaak weinig begrip. Zijn oudste zoons waren op het laatst behoorlijk van hem vervreemd. Zijn dochter Johanna leed hevig onder de hoge eisen die hij aan haar stelde. Keer op keer hamerde hij erop dat zij haar tijd nuttig moest besteden. Hij rekende haar voor dat als je dagelijks ergens maar tien minuten aan besteedt, dit op jaarbasis toch tweeëneenhalve dag van 24 uur is. Elke minuut, elk 'verloren blikje’ diende te worden besteed. 'Nu, lieve Jo, vraag jezelve eens af hoeveel minuten je wel verloren laat gaan en neem je dan voor ze goed te besteden.’ Vervolgens beschreef hij voor haar een hele dagindeling, en somde op wat zij allemaal moest doen: 'Je moet literatuur beoefenen, je moet je op de hoogte stellen van het vegetarisme en alle eischen der gezondheidsleer, van het socialisme omdat dit het vraagstuk is wat allen aangaat, want als het allen goed gaat, dan voelt elk weldenkend mensch zich ook gelukkiger.’
Je moet, je moet, je moet - keer op keer, brief op brief wordt het de kinderen perd. Vandaar dat de bezorger van deze briefwisseling, Bert Altena, er in zijn inleiding op wijst dat Jan en Annie Romein het bij het verkeerde eind hadden, toen zij 'schuldbesef’ aanwezen als Domela’s belangrijkste drijfveer. Plicht, daar draaide het om. Domela was een hopeloze workaholic, die doodnerveus werd als hij niets te doen had. Echt genieten, zich ontspannen, dat kon hij niet. Altena schrijft dat veel van die eerste socialisten zich gelukkig voelden omdat ze deel uitmaakten van een beweging met diepe idealen en erop vertrouwden dat spoedig de schone, klare dag zou aanbreken. 'Geluk vinden in het socialisme en anarchisme zelf, in het socialist zijn, was er voor Domela echter absoluut niet bij. Hierdoor hebben zijn socialisme en anarchisme iets onvolledigs en het maakt dat zijn leven bij alle grootheid iets tragisch had, dat onnodig aandoet.’
DOMELA WAS EEN uitgesproken drammer, voor wie het begrip 'compromis’ iets beangstigends had en die 'niet gewoon (was) maar eenigszins te plooien en te schikken’. In 1879 schreef hij aan Adriaan: 'Wilt gij niet in mijn richting werkzaam zijn dan staat gij tegenover de menschheid, want haar heil is mijn streven, dan stelt ge u op ’t standpunt van het egoïsme.’ Hier valt niet mee te discussiëren, want met de Messias ga je niet in debat. Je bekeert je of je bent verloren, een tussenweg is er niet, 'halfheid’ is uit den boze. Familieleden werden nogal eens kotsmisselijk van Ferdinands identificatie met de man uit Nazareth, en terecht. Zelfs nu is het nog gênant om te lezen hoe Domela de Spaanse anarchist Francisco Ferrer benijdde, toen deze in 1909 werd gefusilleerd. Sterven voor het ideaal, het martelaarschap - dat was toch eigenlijk wel het mooiste. Zelf bracht hij het niet verder dan enkele maanden celstraf en werd hij in dezen voorbijgestreefd door zijn germanofiele en racistische neefje Jan, die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen met de Duitsers collaboreerde en hiervoor ter dood werd veroordeeld.
TRAGIEK, DAT IS inderdaad wel het woord dat blijft hangen als je deze briefwisseling dichtslaat. Domela was een man van hoge idealen en grote gaven, die erin slaagde een beweging op gang te brengen, maar die niet in staat was deze te leiden. Een man die bezeten was van het verlangen om de mensheid geluk te brengen, maar die met mensen niet kon omgaan. Eigenlijk wordt dit alles mooi gesymboliseerd in het bronzen beeld te Amsterdam. Een symboliek die reeds werd geconstateerd door Adriaan. Het beeld is drieëneenhalve meter hoog, en staat op een voetstuk van eveneens drieëneenhalve meter. 'Zij staat te hoog, dus buiten aanraking met het heirleger der volgelingen, en toch wederom te laag om de zware wolken naar beneden te trekken.’