KUNST

Te knus

Paris Central

Het affiche van Paris Central. Vrije stad, vrije kunst toont de besnorde schilder Georges Mathieu (1921), met wilde haarlok en geïnspireerde blik, bezig zijn ziel op het doek te smijten. Het is een mooi beeld. Mathieu belichaamt in een oogopslag ‘de Kunstenaar’, zoals die in de Nederlandse mythologie sinds Karel Appel bestaat, maar ook de spontane, vitale reputatie van Parijs, waar de scène zich afspeelt. De tentoonstelling die ermee aangekondigd wordt is echter allesbehalve een evocatie van het fameuze kunstenaarsleven van de stad. Het blijft bij die ene foto. Er hangt geen groepsfoto van de mannen van Cobra, geen portret van kerels als De Staël en Wolvecamp, en ook niet van al die andere Nederlandse motten die op de Franse gloeilamp waren afgekomen, de Kousbroeken, Camperts en Vinkenogen, die er naar verluidt de tijd van hun leven hadden. Paris Central is een presentatie van een nerveus makend groot aantal schilderijen, vervaardigd tussen 1939 en 1977 door kunstenaars uit alle uithoeken van Europa die gemeen hebben dat ze allemaal in min of meer dezelfde periode – zeg: 1945-1960 – in Parijs verzeild raakten.
Dat is op zich al heel wat. De spierkracht van het Cobra Museum is vanzelfsprekend beperkt en de samenstellers hadden te kampen met vervelende tegenslag, dus het resultaat is zonder meer indrukwekkend te noemen – en toch moet gezegd dat Paris Central een curieus ding is. Er hangen bijzondere doeken, veel uit privé-bezit, maar die schilderijen moeten het allemaal zelf doen. Ze moeten zelf een beeld oproepen van hun onderlinge relaties, zelf vertellen wie hun schilders zo ongeveer waren, zelf een idee geven van de geest die na de oorlog vaardig was over Parijs. Dat is een flinke opdracht. Ik ben bang dat ze er niet in slagen. Er is een grootste gemene deler, in de kleurige, expressieve abstractie, maar een coherente verzameling kunst is het zeker niet, getuige alleen al de massa etiketten die indertijd op dat werk geplakt werden, van Abstraction Lyrique, Art Informel, Art Brut en Cobra tot Tachisme en Abstract-surrealisme, et cetera. Er wordt geen aanzet gedaan tot een ordening of vergelijking, willens en wetens, want afgaand op de catalogustekst van drs. Werner van den Belt hebben deze kunstenaars altijd zeer geleden onder ‘de behoefte de moderne en eigentijdse kunst te rubriceren en canoniseren’. De tentoonstelling verklaart dus niet waarom een Compositie van André Lanskoy uit 1949 hangt naast een ongetiteld werk van Henri Michaux uit 1970. U mag het zelf zeggen.
Er is nog een reden waarom het gebrek aan context zo merkwaardig is. Volgens de catalogus zijn de getoonde kunstenaars door de kunstgeschiedenis min of meer vergeten. Ze zijn de slachtoffers van de strijd tussen het Amerikaanse Expressionisme (met overheidssteun in Europa gepresenteerd) en de Parijse ‘scholen’, die in die controverse werden weggezet als te slap, te esthetisch en (volgens Karel Appel zelf) ‘te knus’. Het was een echte kunstoorlog: op de Biënnale van Venetië van 1960 raakten de Fransman Fautrier en de Amerikaan Kline zelfs openlijk slaags. De Parijse Nederlanders zouden in de strijd het onderspit gedolven hebben en door de Nederlandse musea zijn vergeten. De tentoonstelling wil die ‘omissie’ herstellen. Waarom dan niet iets meer opgeroepen van die bijzondere Parijse context, of dat transatlantische verschil? Waarom niet één of twee Amerikaanse expressionisten toegevoegd? Die hangen toch maar te verstoffen in het depot van het Stedelijk.

Paris Central, Cobra Museum voor Moderne Kunst, Amstelveen, t/m 17 januari. Audiotour door Arthur Japin. www.cobra-museum.nl