Richard Rorty 4 oktober 1931

Te laat

Voor Richard Rorty was ik te laat. Ik kreeg dan wel zijn oude kamer op Stanford toegewezen, hemzelf zou ik niet meer meemaken. Van collega’s hoorde ik wat ik gemist had: hoe Rorty tijdens verhitte discussies door alle moeilijkdoenerij heen sneed en met zachte, dwingende stem dingen zei die zelfs op deze vrijgevochten universiteit ongehoord waren. Zoals de tumultueuze bijeenkomst aan het begin van de Bush-jaren, waarop hij in alle ernst voorstelde om geen mensen met Republikeinse sympathieën meer aan te stellen. En dat hij niet alleen gepassioneerd zei wat hij vond, maar zijn denkbeelden ook zo weer kon loslaten – een eigenschap waardoor ik me kon voorstellen dat Rorty voor ‘postmodern’ of ‘ironisch’ gehouden werd. Hij had bijvoorbeeld hartelijk en, naar ik begreep, ook een beetje opgelucht gelachen om de tegenwerping dat het weren van Republikeinen de universiteit zou degraderen tot ‘heropvoedingskamp’.

De verhalen sloten aan bij het beeld dat ik van hem had. Voor mij was Rorty niet in de eerste plaats de man van Philosophy and the Mirror of Nature, waarmee hij in 1979 de filosofie bevrijdde van haar grondslagenobsessie. Dat geruchtmakende boek, waarvoor ik óók al te laat was geweest, vertegenwoordigde voor mij iets algemeners: het inzicht dat veel van het denkwerk dat voor filosofie doorgaat in het geheim gedreven wordt door iets wat er strijdig mee is, namelijk de behoefte ooit een punt te bereiken waarop het denken gestaakt zou kunnen worden.

Rorty vond dat we moesten ophouden met zoeken naar een definitief antwoord op de vraag hoe we als individu of als samenleving ons leven zouden moeten inrichten. Hij verbond hieraan een volkomen logische en misschien ook typisch Amerikaanse conclusie: mensen die zich laten betalen voor het denkwerk dat ze verrichten, kunnen maar beter proberen werkelijk verschil te maken. En niet slechts in academische tijdschriften. Waar het om ging, was dat filosofen bijdroegen aan ‘humanity’s ongoing conversation about what to do with itself’.

Behalve van zijn radicale uitgangspunt was ik in de loop der jaren ook onder de indruk geraakt van zijn vermogen dingen simpel te zeggen. Een vermogen dat het best tot uiting komt in de essays die hij vanaf het eind van de jaren tachtig schreef. Je leest er soms gemakkelijk overheen. Uit een van die essays herinner ik me de zin: ‘The imagination endlessly consumes its own artifacts’ – een uitspraak die onmogelijk korter of helderder kan. Je zou het bij een aanstichter van de linguistic turn misschien niet verwachten, maar het gaat bij Rorty nooit om de woorden, altijd om de zaak. Als je Rorty leest, weet je zeker dat het gaat over dingen die reëel in de wereld bestaan – wat mij aangenaam vaak een gevoel oplevert dat ik bij minder grote denkers nogal eens mis, namelijk het gevoel dat ik het snap.

Eind januari liep ik hem opnieuw mis. Tijdens het grasduinen in antiquariaat Bell’s Bookshop werd ik me vaag gewaar van een witharige, enigszins pafferige man met een grote bril die bij de kassa rond schuifelde. Twee vrouwen die hem gezelschap hielden, rekenden de door hem uitgezochte boeken af. Toen ik aan de beurt was, vroeg de kassadame of ik wist dat de man die zojuist de winkel verlaten had Richard Rorty was. Naar huis fietsend zag ik het drietal voor een voetgangersstoplicht wachten. En ik deed iets wat not done is. Ik kneep in de remmen en sprak hem pardoes aan. Een stroever gesprek heb ik zelden gevoerd. Hij was zo onhandig en verlegen dat de dames na vijf minuten een eind maakten aan de martelgang: ‘Thank you for calling on us.’

Toen ik eind juni terugkwam van een week in de natuur hoorde ik van Sepp Gumbrecht, die naast hem woonde, dat hij was overleden. Gumbrecht vertelde dat Rorty zo’n hekel aan small talk had dat hij zich op de verjaardagen van zijn vrouw in een groen schort hulde en hapjes ronddeelde, liever dan zich te verliezen in wezenloze gesprekken. Het gaf me te denken. Over de vraag hoe een denker die filosofie beschouwt als een vorm van conversatie zelf converseert. En over wat ik hem had aangedaan door hem op straat zomaar aan te spreken.

8 juni 2007

Psycholoog en historicus Eelco Runia is gastdocent vergelijkende literatuurwetenschap aan Stanford University. Hij schreef onder meer Waterloo, Verdun, Auschwitz: De liquidatie van het verleden (1999) en Inkomend vuur (2003)