Kinderboekenweek

Te laat komen met een eendje in je zak

‘Superhelden’ is het thema van de Kinderboekenweek (5-15 oktober). Een goed idee, want superhelden zijn kinderboekenhelden bij uitstek. Maar er steekt een addertje onder het gras.

Benny Lindelauf, Superhelp! € 12,95
Gideon Samson, Hoe word ik een superheld. € 9,95
Janneke Schotveld, Superjuffie! € 10,99
Anna Woltz, Het geheim van held nummer zes. € 6,95

Loop op een dag dat de kinderen verkleed naar school mogen een klaslokaal binnen en je ziet prinsesjes, ridders, piraten en vooral veel superhelden. Kleine jongens in het bekende strakke supermanpak, het rood-gele logo met grote S trots op de borst en een wapperende cape om de schouders. Ze springen van de schoolbanken en tafels alsof ze kunnen vliegen. Het gevecht gaan ze aan met de spidermannen in even nauw omsloten pak in helblauw en rood, voorzien van spinnenwebpatroon. Soms is het spidermanpak voorzien van spieren van schuimrubber. Het ziet er ronduit ontroerend uit, de spierballen en het wasbord van een bodybuilder op die tengere kinderlijfjes.
Als je erover nadenkt, is het opmerkelijk, die aantrekkingskracht van superhelden op kinderen die, zeker als ze klein zijn, van de achtergrond van Superman en Spiderman nog geen weet hebben. Nu ja, ze weten dus dat Superman kan vliegen en Spiderman tegen muren op kan kruipen, en dat ze allebei supersterk zijn natuurlijk en heel dapper. Het zijn mythische figuren geworden die, onafhankelijk van hun bedenkers en van de oorspronkelijke verhalen waarin ze figureren, een eigen leven leiden.
Dat past helemaal bij de mythe van Superman die Umberto Eco ontrafelde in zijn boek De structuur van de slechte smaak, waarin zijn essays uit de jaren zestig en zeventig zijn gebundeld. Daarin stelt hij dat we leven in een tijd van ontmythologisering. Dat wil zeggen in een tijd dat beelden en verhalen die eeuwenlang van symbolische waarde zijn geweest en een diepe sacrale betekenis hadden - de mythen uit de Oudheid, het repertoire van het christendom - nauwelijks nog van kracht zijn. Mythevorming, zo legt hij uit, werd institutioneel gestuurd, bijvoorbeeld om de beginselen van het christelijke geloof op de eenvoudigen van geest over te dragen. Denk aan de beelden op en in kathedralen, de bijbel voor de armen. De beelden hadden een metafysische betekenis; in de verbeelding van het volk kwamen ze tot leven en stonden ze voor morele en bovennatuurlijke waarden.
De mythe is dood, lang leve de mythe. Want Eco beschrijft dat naast de ontmythologisering in onze tijd ook een proces van nieuwe mythevorming is waar te nemen dat veel lijkt op dat in primitieve beschavingen. Die mythevorming heeft een universeel karakter, de hele maatschappij is ervan doordrongen en het lijkt alsof zij van onderaf, door het volk, is gecreëerd. Natuurlijk is er daarbij sprake van mystificatie, want de populaire beelden die symbolisch worden, zijn ooit door iemand bedacht. Superman, Spiderman, Tarzan en Peter Pan, ze zijn de mythische figuren van de twintigste eeuw. Omdat ze mythisch zijn, lijkt het alsof ze er altijd vanzelfsprekend zijn geweest. Ze zijn weggevlogen van hun creator en leven zelfstandig voort. Wie weet nog dat Superman een stripheld is die in de jaren dertig is gemaakt door de Amerikaanse tekenaars Jerry Siegel en Joe Shuster? Dat Spiderman het leven zag in een strip in de jaren zestig? Dat Tarzan verzonnen is door de schrijvende middenstander Edgar Rice Burroughs? Een man van twaalf ambachten, dertien ongelukken die zijn eerste verhalen op de achterkant van briefpapier krabbelde omdat hij vruchteloos in zijn kantoor zat te wachten tot zijn subagenten, die handelden in puntenslijpers, iets hadden verkocht. En dat Peter Pan zo'n honderd jaar geleden is bedacht door James Matthew Barrie, in de verhalen die hij de vijf broers Davies al spelend in het park opdiste?
De mythische helden uit de populaire cultuur hebben net als die uit de antieke tijd bovenmenselijke eigenschappen. Ze zijn slimmer, sterker, dapperder, hebben scherpere zintuigen en de zwaartekracht heeft veel minder vat op ze dan op normale stervelingen. Ze verrichten heldendaden waar gewone mensen alleen maar van kunnen dromen. Tegelijkertijd zijn ze vaak tragisch. Superman bijvoorbeeld is in het dagelijks leven de middelmatige journalist Clark Kent, een bangelijk, bijziend type. Hij is verliefd op Loïs Lane, maar zij ziet hem niet staan omdat ze hoteldebotel is van Superman. Ook Spiderman moet zijn identiteit als superheld in het dagelijks leven verbergen. Tarzan is een nazaat van een adellijke familie, maar is opgegroeid bij de apen in de jungle, waardoor hij zich in geen enkele wereld echt thuis voelt. En Peter Pan leeft op zijn droomeiland Neverland, waar hij vliegend vecht met kapitein Haak en heerlijke avonturen beleeft met de Lost Boys. Hij zal altijd een jongen blijven, maar zijn eeuwige leven kent ook een keerzijde, omdat hij in feite een onsterfelijke eendagsvlieg is. Hij heeft geen geheugen; zijn avonturen heeft hij nog niet beleefd of ze zijn vervlogen.
In zijn essay over Superman wijst Umberto Eco er dan ook op dat al die moderne mythische figuren heldhaftig, blijmoedig en benijdenswaardig lijken, maar dat ze, als je beter kijkt, geen voorbeeld, maar een waarschuwing zijn. Oppervlakkig gezien zijn ze een toonbeeld van moed, maar onder de oppervlakte wekken ze vooral medelijden. De mythische helden zijn eenzaam en roepen niet zo zeer op tot navolging, maar eerder tot verzoening met onze menselijkheid, met alle zwaktes van dien. Dat komt omdat de superhelden net als de godenzonen uit de klassieke Oudheid een dubbele identiteit hebben. De antieke helden waren godenzoon en mensenkind tegelijk. Superman heeft, geboren op Krypton, een buitenaardse oorsprong en is door zijn ouders met een ruimteschip naar aarde gezonden toen die planeet verging. Spiderman ondergaat zijn transformatie als hij wordt gebeten door een radioactieve spin; hij krijgt daarna spinachtige eigenschappen. Al die populaire helden zijn een soort tussenwezens, ze zijn gezegend en gedoemd tegelijk, ze zijn niet ‘heel’ en daardoor overal ontheemd.
Zo bezien was het een goed idee om de superhelden uit te roepen tot het thema van de nieuwste Kinderboekenweek. Superhelden zijn kinderboekenhelden bij uitstek. Je kunt ademloos meeleven met hun avonturen, ze leveren een heldere strijd tegen het kwaad en je weet dat ze dankzij hun bovenmenselijke eigenschappen altijd winnen. Heel anders dan in grotemensenboeken, waarin de strijd tegen het kwaad meestal een morsig en rommelig gedoe is, en zich bovendien vaak in de mens zelf afspeelt. En de superhelden hebben dus ook een tragische kant, leren dat gewone mensen geen supermannen zijn, en dat dat maar goed is ook.
Er steekt echter een addertje onder het gras, en wel in de ondertitel bij het thema. Die luidt: 'Over dapper durven zijn’. Dat duwt het thema wel naar een heel simplistische psychologische les. In veel van de boeken die aanhaken bij de Kinderboekenweek lijkt de aansporing dat we dapperder zijn dan we denken ook belangrijker dan het avontuur en de verbeelding.
Neem Hoe word ik een superheld van Gideon Samson, een how to-boek voor kinderen. Het is een zelfhulpboek met een knipoog, vol bizarre afkortingen en geheugensteuntjes. Zoals de Z.E.T., de Zeven Echte Talenten waar de superheld aan moet voldoen, van doorzetten en improviseren tot eerlijk zijn en sterk zijn. Maar uiteindelijk komt het erop neer dat sommige mensen als superheld worden geboren en de jonge lezer waarschijnlijk niet, maar dat dat helemaal niks geeft, omdat je in het boek kunt leren hoe je een superheld kunt worden. De Echte Talenten van de superhelden zijn inderdaad niet zo uitzonderlijk. En geboren superhelden streden natuurlijk tegen het kwaad, maar gelukkig zijn de meeste superschurken al uitgeschakeld door oudere superhelden en anders bevinden ze zich wel op onbekende schuilplaatsen. De nieuwe superhelden kunnen zich daarom beter richten op het Kwaad In De Straat (K.I.D.S.). Op de jongens die hun colablikjes zomaar op de grond gooien bijvoorbeeld. Of op de pesters op het schoolplein.
In Super Jan van Harmen van Straaten wordt Jan een superheld nadat hij een wens heeft gedaan bij een vallende ster. Opeens kan hij vliegen en is hij net zo sterk en dapper als Superman, van wie hij al alles verzameld had. Hij raakt in een groot avontuur verwikkeld en vangt twee boeven, maar veel meer nadruk krijgt dat hij een paar nare pestkoppen een lesje leert. Het boek eindigt met een zelfhulppagina. 'Word jij gepest op school?’ begint die. En hij eindigt met 'Super Jan-regels tegen pesten’ als: we blijven van elkaar en van elkaars spullen af, we lachen niemand uit, we roddelen niet over elkaar.
Flint, in Het geheim van held nummer zes van Anna Woltz, neemt het niet op tegen pesters, maar het boek is wel een pedagogische les voor kinderen die niet zo veel durven. Flint staat namelijk altijd in de schaduw van zijn tweelingzusje Fieke, dat de ene na de andere prijs wint met paardrijden en alle aandacht van hun ouders opslokt. Op een dag staat er een geheimzinnige man voor de deur die Flint in zijn snelle auto meevoert naar een brandweerkazerne, waar hij wordt gestimuleerd om enge dingen te doen als in een hoge kraan klimmen of onder water duiken om iemand uit een gezonken auto te bevrijden. Flint leert kortom een held te worden. Moraal van het verhaal: iedereen kan een held zijn, als je maar oefent en over je schroom heen stapt. Held zijn is oude dametjes beschermen tegen tasjesdieven, een peuter redden uit een te water geraakte auto, een paard bevrijden uit een brandende stal.
Pestkoppen op het schoolplein, straatvervuilers en tasjesdieven - het is vanzelfsprekend uitschot. Belangrijk dat daartegen opgetreden wordt. Maar het is ook zo braaf en klein - zijn daar nu superhelden voor nodig? Natuurlijk zijn de superschurken niet allemaal verslagen en waarom zou je kinderen lastig vallen met K.I.D.S. als er nog bloeddorstige dinosaurussen uit eeuwenoude ijsblokken kruipen, mechanische monsters door de lucht vliegen, treinen ontspoord worden door bankrovers en superschurken de hele wereld willen vernietigen? De brave kindhelden in de boeken van Samson, Van Straaten en Woltz zijn niet echt heldhaftig, en tragiek ontberen ze helemaal.
Dan liever Superhelp! van Benny Lindelauf en Superjuffie! van Janneke Schotveld. Superhelp! gaat over de zoon van een superman en een supervrouw die niet zeker weet of hij wel een superheld wil zijn. Na allerlei krankzinnige en spannende verwikkelingen komt hij uiteindelijk in actie, maar het is dubbelzinnig of zijn daden nu echt beslissend zijn, zoals hij tot het eind een dubbelzinnige superheld blijft. Superjuffie is een knotsgekke schooljuf die in een superheldin verandert als ze een hapje van een krijtje neemt. Ze komt in actie als ze dieren om hulp hoort roepen. Ze heeft ook een beetje iets tragisch, want ze wordt steeds ontslagen omdat ze ofwel met takjes in haar haar of een gered eendje in haar zak te laat op school komt, of midden in de les wegvliegt. En welke vrijer wil nu een vriendin die aan elke noodkreet gehoor moet geven? Ook zij beleeft doldwaze avonturen die het Kwaad In De Straat ontstijgen. Gelukkig maar.

Benny Lindelauf, Superhelp!, Querido, € 12,95
Gideon Samson, Hoe word ik een superheld, Leopold, € 9,95
Janneke Schotveld, Superjuffie!, Van Holkema & Warendorf, € 10,99
Harmen van Straaten, Super Jan, Pimento,
€ 7,95
Anna Woltz, Het geheim van held nummer zes, Leopold, € 6,95