Te midden van punkers en sprekende herten

Robert Anker, Volledig ontstemde piano. Uitgeverij Querido, 200 blz., f29,90
IN DE VERHALEN die Robert Anker bijeen heeft gebracht in zijn bundel Volledig ontstemde piano wordt het oor te luisteren gelegd. De helden van deze verhalen zijn op zoek naar een toon, die wordt overstemd door de kakofonie van de stad, de dissonanten van de markt. Misschien is die toon niet veel anders dan een continu zoemen, nauwelijks hoorbaar, op de achtergrond. De helden bevroeden dat die zich verbergende toon een akoestische vertaling van iets onvervreemdbaars is, iets van hen zelf. Ze doen uiterste pogingen zichzelf te horen te midden van dat lawaai. Soms lijkt dat te lukken, juist wanneer ze er niet op bedacht zijn. Ze zouden die lichte toon wel willen zien, en soms gebeurt dat in ‘wilde beelden’, zoals de titel van een van de verhalen luidt, in beelden die nergens in passen en ook geen betekenis hebben. Wat dan zomaar op het netvlies valt, brengt iets onvoorstelbaars teweeg, opent een gat waardoor men uit de kakofonie van beelden en geluiden kan ontsnappen, voor een ijdel moment.

Zo begint het eerste verhaal in de nieuwe bundel van Robert Anker: ‘Hij droomde dat hij in de verte zag heien maar dat het vertraagde geluid, waar hij na elke val van het blok op wachtte, hem niet bereikte. Toen hij dichterbij kwam, stond er een vrouw naar hem te wenken en te roepen maar ook haar stem hoorde hij niet. Intussen gloeide de zon onheilspellend aan en uit. Nog dichterbij gekomen zag hij, of eigenlijk was het meer een weten, dat op de plaats waar geheid werd, zijn huis had gestaan.’
Het zijn de nabeelden van de droom, die hier worden beschreven. De held van het verhaal is namelijk wakker geworden door een geluid in zijn huis. Aan het niet te loochenen gestommel maakt hij op dat iemand ongewenst zijn territorium is binnengedrongen. De openingsscene beeldt op kiene wijze een disconnectie uit: in het dromend bewustzijn ziet hij beelden, maar mist hij de geluiden die erbij horen. Wakker geworden hoort hij een gerucht, maar hij ziet niet waardoor het wordt veroorzaakt.
WAAR OOR EN OOG niet harmonisch samenwerken, overbrugt de fantasie de afstand tussen de zintuigen. Schrijvers maken graag gebruik van deze disconnectie, die zich vaak voordoet op de grens van slapen en waken: in de halfslaap lijkt het bewustzijn iets te vernemen van een aanwezigheid die op klaarlichte dag in geen velden of wegen te bekennen is, maar in de droom aanraakbaar lijkt. Deze wereld die zich in de plooien van het bewustzijn ophoudt, is het gebied dat menig schrijver in kaart probeert te brengen. De gegevens zijn schaars: men kan er alleen maar glimpen van waarnemen, in een toevallige dissonant, een raadselachtige eerste indruk.
De openingsscene van Robert Anker herinnert aan het vergelijkbare begin van Van der Heijdens Advocaat van de hanen: ook daar schrikt de held wakker uit een koortsachtige droom. Ook hij ligt in opperste concentratie de stilte van het huis af te tasten op zoek naar het gerucht, waarvan hij nog niet weet of het tot de droomwereld behoort of dat het zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. De vergelijking met de roman van Van der Heijden is op zijn plaats omdat Anker (evenals in zijn andere gedichten en verhalen) het dagelijks leven in Amsterdam tot zijn jachtterrein heeft gemaakt. Evenals Van der Heydens advocaat voelen de helden in Ankers verhalen zich onthecht en gefascineerd door de vele subculturen van de stad. Ze zijn er door geintrigeerd, maar blijven op afstand. En allen ondergaan de sensatie van lucide en vederlichte bewustzijnstoestanden, voortgebracht door angst en alertheid die de zintuigen op scherp zetten. En waar de advocaat hanekammen voorbij het raam ziet schuiven, komt de held van Ankers verhaal oog in oog te staan met een vrouwelijke indringster, die hij overmeestert. En die zijn erotische fantasie op gang brengt.
Dit voorval bepaalt de rode draad voor de zes andere verhalen van de bundel: de helden onderzoeken de wortels van hun onbestemde angst, die verstikkend en aanlokkelijk tegelijkertijd is. In het tweede verhaal is er een scene in de tram, waar de held van het verhaal het slachtoffer wordt van jeugdige zakkenrollers. De gebeurtenis maakt ambivalente gevoelens in hem los. Een zware vermoeidheid maakt zich van hem meester, gevolgd door een plezierige droefheid die niets te maken heeft met het materiele verlies. Zijn belagers heeft hij - net als de vrouwelijke binnendringster in het andere verhaal - in de toestand van paniek niet echt goed kunnen waarnemen: ze hadden zich al uit de voeten gemaakt voordat hij goed en wel besefte wat er aan de hand was. Merkwaardig genoeg heeft het moment van overrompeling iets in de held aangeraakt waarvan hij de oorsprong niet kent. Met een onverschrokkenheid die hij niet in zichzelf had vermoed, gaat hij op zoek in de hem vreemde subcultuur van krakers en punkers. Daar ontdekt hij een vrouw die afkomstig moet zijn uit een andere wereld, een wonderlijk schepsel dat in het wit van de hemel verdwijnt.
STEEDS OPNIEUW schuiven dergelijke fantastische fragmenten de wereld van alledag in. Bijvoorbeeld de reus van een agent die de held van een ander verhaal betrapte op het moment dat hij in de klokketoren het uurwerkmechanisme onklaar maakte. Het lawaai van de klok hield hem uit zijn slaap en bracht hem tot zijn daad. En in het verhaal 'De taper getapet’ komt een sprekend hert voor. De dwaaltocht van de held uit het verhaal door een door krakers bewoond klooster brengt hem een eerder verblijf in een landelijk gelegen klooster in herinnering - daar had hij op een nacht het mysterieuze sprekende hert waargenomen waarover in het klooster verhalen gingen. Hij had toen de stem van het hert op een recorder weten vast te leggen - net zoals hij in de gewone wereld de stem van Paul had getapet toen hij een raadselachtige tekst voorlas voor de krakerszender. Achter die stemmen was iets hoorbaar van een onwezenlijke aanwezigheid, die de held elke keer wanneer hij de band afluisterde, in een lichte staat van opwinding bracht. 'Het begint - met een onbestemd ruisen - regen, zee, oude film - waaruit de stem aanspoelt op de kust van het gehoor en waarin hij aan het eind weer verdwijnt.’
In deze fantastische arrangementen vermengt de wereld zoals we die kennen zich met sprookjesachtige en mythische motieven. De helden uit de verhalen - je krijgt de indruk dat ze de verschillende intonaties van een stem verpersoonlijken - zijn gebiologeerd door de vrijhavens in het stadsleven waar de nieuwe nomaden zijn aangespoeld. Toch romantiseren de helden dat vrijgevochten leven allerminst, ze zouden er ook geen onderdeel van willen uitmaken. Hun heimwee geldt eerder het idyllische dorpsleven van vroeger, waar de geluiden nog noodzakelijk waren, voortkomend uit eerbiedwaardige ambachten. Als dorpsjongens zijn ze nooit echt gehecht geraakt aan de stad, maar ze weten maar al te goed dat er geen weg terug is. Het liefst zouden ze de stad bevaren als een nachtelijke oceaan, zoals kapitein Rob. In Ankers verhalen wordt dan ook druk gebruik gemaakt van nautische metaforen wanneer de helden aan de loden last van het leven proberen te ontsnappen. Lichtheid, dat is wat in deze verhalen wordt nagestreefd, als een wensdroom. Ze zouden zo licht willen zijn, zoals in het laatste verhaal in een paar mooie beelden wordt gesuggereerd, als sneeuwvlokken, neerdalend op aarde, geluidloos.
Anker heeft een mooi boek geschreven, met op elkaar rijmende verhalen, waarin wordt gezocht naar de kristalzuivere toon die onder de vervalsende angsten en verlangens van zijn helden doortrilt.