Te paard in Atjeh

Tussen 1889 en 1906 bekleedde Christiaan Snouck Hurgronje een ongehoord invloedrijke positie in het bestuur van Nederlands-Indië. In zijn eentje verbeterde hij ons begrip van de islam.

Bivak tijdens de Pidië-expeditie, 1898. Links (in witte jas) Christiaan Snouck Hurgronje, links zittend achter de tafel kolonel J.B. van Heutsz © UBL KITLV

Het blijft leuk om af en toe in conversatie op te merken dat het Koninkrijk der Nederlanden ooit de grootste moslimnatie ter wereld was. Je moet er dan eerlijkheidshalve wel bij zeggen dat dat Koninkrijk tot aan het eind van de negentiende eeuw eigenlijk geen donder van die godsdienst afwist, en nog veel minder van de rol van de islam in het leven van de (toen) 35 miljoen moslims in Nederlands-Indië. Dat begrip verbeterde ingrijpend door toedoen van feitelijk één man, Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936), een unieke verschijning in de Nederlandse wetenschap én in het bestuur van Nederlands-Indië, waar hij tussen 1889 en 1906 een ongehoord invloedrijke positie bekleedde.

De auteur van zijn biografie, Wim van den Doel, promoveerde in 1994 op dat koloniale bestuur en kwam Snouck daar toen al overal tegen, als onderzoeker, schrijver, beleidsadviseur, polemist en bemoeial. De biografie is dik, want Snouck was extreem getalenteerd en hyperactief, en zijn productie en correspondentie waren werkelijk gigantisch. Alleen al de bundeling van zijn Ambtelijke adviezen 1889-1936 telt meer dan tweeduizend pagina’s. Het is een geluk dat Van den Doel een uitgesproken heldere, vloeiende stijl van schrijven heeft, neutraal en nauwkeurig is in zijn feiten en terughoudend in zijn opinies – daarvoor is Snouck zelf al uitgesproken genoeg.

Snouck promoveerde in 1880 in Leiden op een proefschrift over de hadj, de bedevaart naar Mekka. Hij maakte die daarna zelf mee, in 1884, waarvoor hij zich om praktische redenen bekeerde en liet besnijden. In Nederlands-Indië werd hij daarna aangesteld als adviseur van het koloniaal bestuur inzake religieuze, taalkundige en culturele kwesties. In de praktijk hield hij zich verre van de bestuursdienst, om onafhankelijk te kunnen optreden en op eigen doft met intellectuelen, aristocraten, religieuzen en regenten te kunnen spreken. Hij reisde ijverig rond en verbleef dan nooit bij de plaatselijke Hollandse resident, maar logeerde bij zijn nieuwe inlandse kennissen, van wie hij al spoedig de talen sprak, met wie hij bevriend raakte en die hij om hun hoge beschaving waardeerde. Hij zou tot twee keer toe met een van hun dochters trouwen.

Die eigenzinnigheid was typisch. Snouck noemde zichzelf liefst ‘ein halb-muhammedanischer verwildter Kulturmensch’ en volgens zijn assistent Van Ronkel had hij ‘een wilde haat’ tegen ‘dilletanten, halve naturen, laffen en intriganten en baantjesjagers’, waar de Hollandse koloniale gemeenschap mee vol zat. Hij was volgens Van Ronkel ‘zeldzaam algemeen ontwikkeld, onpartijdig en vrij van allen eigenwaan’, maar ook ‘hypercritisch’ en had ‘een ongelooflijke prikkelbaarheid’. De assistent werd ‘tot wanhoop ontmoedigd’ en hield het precies 57 dagen bij hem uit.

De islam was Snoucks hoofdonderwerp. Nederlands-Indië was een islamitisch land, daar moest volgens Snouck niemand zich in vergissen, maar een zuivere islam bestond niet. Zoals overal in de wereld waren de richtlijnen van de profeet onherkenbaar vermengd met de lokale cultuur van alledag, het bijgeloof en het gewoonterecht. De sleutelfiguur voor het contact tussen bevolking en bestuur was de penghoeloe, die zowel moefti, rechter, ambtenaar van de burgerlijke stand als hoofd van de moskee was. Als het bestuur toezicht zou houden op de opleiding en benoeming van deze penghoeloes, dan hoefde men zich over de islam eigenlijk geen zorgen te maken. Hij vond wel dat het bestuur in Indië waakzaam moest zijn voor de ontwikkeling van antikoloniale en nationalistische vormen van de islam, maar hij vond weer niet dat men nerveus moest worden van de hadji’s, de moslims die terugkeerden uit Mekka en in eigen land een bijzondere status genoten – net als Snouck zelf, overigens, want hij was er ook een.

De pacificatie kon volgens Snouck alleen slagen als die was gebaseerd op ‘grondige kennis van land en volk’

Misschien het belangrijkste deel van Snoucks leven – en dus van deze biografie – behelst zijn betrokkenheid bij de oorlog in Atjeh. In 1891 reisde hij daar voor het eerst naartoe. In de hoofdstad Koeta Raja konden de Nederlanders zich toen alleen achter een ‘geconcentreerde linie’ veilig wanen. Daarbuiten heerste een permanente guerrilla, waar men na een kwart eeuw vechten nog altijd geen enkele greep op had. De regering aarzelde om op grote schaal militair op te treden, vanwege de kosten, en hield vast aan een beleid van pappen, nathouden en omkopen. Binnen drie maanden presenteerde Snouck een rapport, wat tevens het begin was van zijn enorme tweedelige werk De Atjehers (1893-1894). Met de afwachtende houding moest worden gebroken, schreef hij, omdat Atjeh ‘met zijn hopelooze inwendige verdeeldheid, zijn gebrek aan alle centraal gezag, zijne diep gewortelde kafirverachting, het verraderlijke en volstrekt onbetrouwbare karakter zijner bewoners, voor het beschaafde verkeer niet anders te winnen (…) was, dan door volledige onderwerping.’ Snouck pleitte voor ‘krachtige tuchtiging’ en uitschakeling van de ‘woelgeesten’ in de Atjehse samenleving. Het ging hem uitsluitend om de toplaag; Snouck was ervan overtuigd dat de gewone Atjehers zoals alle eenvoudige mensen conservatief van aard waren, ‘gehecht aan hunne velden, hunne gampongs, hunne huizen’.

De keuze was helder: het despotisme van de eigen hoofden, die de bevolking al eeuwen uitknepen, moest worden vervangen door het ethische bewind van de koloniale overheerser. Dat was ook een macht, natuurlijk, maar een beschermende, gericht op de sociale, zedelijke en economische verbetering van de bevolking. De aanvaarding van die macht zou een zaak van lange adem zijn; optreden met te grote wreedheid zou dat proces bemoeilijken. Er moest met kleine colonnes onverbiddelijk en met grote vasthoudendheid worden opgetreden. Dat daarbij spaanders zouden vallen was onvermijdelijk.

Vanaf 1896 nam gouverneur-generaal Van der Wijck Snoucks visie over. Toen de aanpak zijn eerste vruchten had afgeworpen werd – op Snoucks aandringen – kolonel J.B. van Heutsz benoemd tot gouverneur van Atjeh en leider van de militaire operaties, met Snouck als ‘adviseur voor Inlandse en Arabische Zaken’. Tussen 1898 en 1901 maakte Snouck in Atjeh te paard de campagnes mee, tot zijn genoegen. Hij vormde een succesvol duo met Van Heutsz, maar de samenwerking stagneerde toen Van Heutsz van Snoucks strategie begon af te wijken en de campagnes tot ongekende excessen leidden. Volgens Snouck kon de praktijk van de pacificatie alleen succes hebben als die gebaseerd was op een goede theorie, die weer gegrond moest zijn in ‘grondige kennis van land en volk, gepaard aan het gebruik van gezond verstand’, kortom: de soldaat diende de wetenschapper te volgen, en Van Heutsz Snouck.

Het militaire aspect valt begrijpelijkerwijs buiten het bestek van het boek – de biografieën van Colijn en Van Heutsz voorzien erin – maar je vraagt je af hoe Snoucks theorieën over dat ‘temmingsproces’ van Atjeh zich verhielden tot, bijvoorbeeld, het optreden van het Franse koloniaal bestuur in Algerije of dat van het Britse in India, om van dat van de Belgen in Congo maar te zwijgen. De ‘pacificatie’ van Atjeh geldt hoe dan ook als een voorbeeld van succesvolle anti-guerrilla of counterinsurgency, zoals wij dat nu noemen. Vonden Snoucks theorieën over pacificatie ook internationaal weerklank? Hebben die kolonialen elkaar de kunst afgekeken?

De Atjeh-oorlog vormt in de biografie een aangrijpende episode. De lezer heeft Snouck leren kennen als een man met een on-Hollandse sympathie voor de Indische en islamitische cultuur, maar hij wordt hier bijna tot een levende karikatuur van een wetenschapper met een absoluut geloof in de juistheid van zijn opvattingen, die door een militair apparaat in een bloedige werkelijkheid worden omgezet. Dit is niet de uitzondering. De oorlog in Atjeh ís het koloniaal bewind, in zijn harde essentie, de uitvoering van een imperialisme met een wetenschappelijke basis dat ‘ethisch’ werd genoemd maar met de blanke wapens en de karabijn werd opgelegd. Dat die Atjehse boertjes in ‘hunne velden en hunne gampongs’ wel eens een fundamentele weerzin tegen de Europese overheersing zouden kunnen hebben lijkt bij Snouck en Van Heutsz domweg niet te zijn opgekomen.

Bij Snouck kwam dat besef later pas. In 1906 keerde hij terug naar Nederland en werd hoogleraar in Leiden. Door de collaps van de Europese beschaving in de Eerste Wereldoorlog en de tendens naar democratie erkende Snouck dat de ontwikkeling naar een autonoom Indonesië onvermijdelijk was (‘een jeugdig volk ontwaakt tot mondigheid’) en dat het Nederlands bestuur zich zou moeten aanpassen, als het wilde voortbestaan. Het belangrijkste middel daartoe was, voor Snouck, de integratie van de Indonesische elite – beter gezegd: de zonen daarvan – in het Nederlands bestuursapparaat, inclusief de rechtspraak.

Het is opvallend dat Snouck bij al zijn inspanningen voor de koloniale machine geen racistische theorie onderschreef. Hij had als geen ander gezien dat de Indische en de Indisch-Europese samenleving in feite al geheel gemengd was, hij had zelf ervaren hoe ontwikkeld de lokale elite was en hij vond het uitsluiten van getalenteerde inlanders op basis van vermeende raskenmerken dan ook absurd. Hij spande zich in voor de toelating van Indonesiërs tot het ambtenaarsexamen, en voor de totstandkoming van een Indonesische rechtsschool. De dualistische bestuursstructuur zou zo op den duur kunnen verdwijnen. Snouck zou daar pas in de jaren twintig voor het eerst resultaten van zien, toen bij wijze van proef regenten in een district werden ‘ontvoogd’ en een mate van autonomie kregen. Voor het groeiend zelfbewustzijn van de Indonesiërs was dat te weinig. En te laat.