Te principieel om succesvol te zijn

In haar biografie van Frans Goedhart laat Madelon de Keizer overtuigend zien dat de oprichter van Het Parool, anders dan vaak wordt beweerd, geen rancuneuze gifpisser was die mentaal in de oorlog was blijven steken.

Madelon de Keizer. _Frans Goedhart: Journalist en politicus (1904-1990). _Bert Bakker, 695 blz., € 39,95

Toen na de val van de Berlijnse Muur door Frits Bolkestein en diens discipelen met veel bombarie werd gejubeld over ‘het gelijk van rechts’, werd voor het gemak vergeten dat in Nederland jarenlang de meest principiële kritiek op de communistische regimes afkomstig was van mensen die zich min of meer als sociaal-democraat beschouwden. Terwijl veel rechtse politici zich vooral zorgen maakten over de Nederlandse handels­belangen, waren het publicisten als Karel van het Reve, Renate Rubinstein en Bart Tromp die erop bleven hameren dat het in de Sovjet-Unie en China niet pluis was.

Zij stonden wat dit betreft in de traditie van een generatie oudere sociaal-democraten als Jacques de Kadt, Sal Tas, Geert van Oorschot, Joop Zwart en Frans Goedhart. Zij waren in hun jeugd communist of radicaal-socialist geweest, maar hadden in de jaren dertig ontdekt dat niet alleen het nationaal-socialisme een bedreiging voor de westerse beschaving vormde, maar dat het vanuit Moskou geleide ‘rode fascisme’ minstens even gevaarlijk was. Voor zover zij tijdens de Duitse bezetting in Nederland waren namen zij deel aan het verzet, om na de oorlog op felle wijze de strijd aan te binden tegen het binnenlandse en internationale communisme.

Vanaf de jaren zestig werden deze sociaal-democratische cold warriors verguisd als ouderwetse, rancuneuze mannetjes die door de oorlog zo getraumatiseerd waren dat ze geen oog hadden voor het feit dat de wereld in hoog tempo veranderde. Het heeft dan ook geruime tijd geduurd eer er weer belangstelling kwam voor hun ideeën en daden. Over Jacques de Kadt schreef Ronald Havenaar reeds in 1990 een prachtige intellectuele biografie en aan boeken over Sal Tas en Geert van Oorschot wordt gewerkt. Hoewel De Kadt van deze mannen zonder meer de meest oorspronkelijke denker was, was het ook zonder meer Frans Goedhart die, op allerlei manieren, het meest invloedrijk was. Over hem publiceerde Madelon de Keizer vorige week een omvangrijke biografie.

Na een ongelukkige en armoedige jeugd – toen hij zes jaar was overleed zijn vader, waarna zijn moeder als huishoudster de kost moest verdienen en hem en zijn broertje onderbracht in een hele reeks weeshuizen – werd Goedhart in de jaren twintig journalist en was hij samen met de schrijver Maurits Dekker tevens betrokken bij allerlei vormen van kleine oplichterij. In 1931 sloot hij zich aan bij de communistische partij en werd hij redacteur van de partijkrant De Tribune. Door zijn jeugd, waarin hij naar eigen zeggen ‘met weinig eten, veel ransel en veel christendom’ was grootgebracht, had hij een scherp oog voor maatschappelijk onrecht. Doordat Goedhart al vroeg op eigen benen moest staan en er geen beschermende en leidende vader- of moederfiguur was geweest, was hij ook heel kritisch en weinig autoriteitsgevoelig. Het kon dus niet lang duren eer hij doorhad hoe slaafs de Nederlandse communisten zich opstelden en hoe leugenachtig hun pers was. Na een korte periode waarin hij met enkele anderen vergeefs trachtte een oppositioneel communistisch clubje van de grond te tillen, ontpopte hij zich vanaf 1935 als fel anticommunist.

Goedharts finest hour sloeg tijdens de bezetting, toen hij al op 25 juli 1940 de eerste, gestencilde Nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen publiceerde, genoemd naar de patriottische journalist die met zijn Post van den Neder-Rhijn het vermolmde regime van stadhouder Willem V had aangevallen. Uit deze Nieuwsbrief ontstond begin 1941 Het Parool, waarvan Goedhart de drijvende kracht was. Nadat hij begin 1942 was gearresteerd werd hij ter dood veroordeeld, maar in augustus 1943 wist hij tijdens een transport te ontsnappen, waarna hij zich weer vol­ledig aan Het Parool wijdde.

Als oprichter en belangrijkste auteur van het illegale blad achtte hij het niet meer dan logisch dat hij de hoofdredacteur zou worden van het dagblad Het Parool, dat na de bevrijding begon te verschijnen. Dat de overige leden van de _Parool-_groep dit toen, en ook daarna, ver­hinderden is voor hem een levenslange frustratie geweest. Dat hij een briljant journalist was, die in de oorlog velen een hart onder de riem had gestoken, werd door niemand bestreden, maar met zijn licht ontvlambare temperament en zijn onverzoenlijke politieke opvattingen leek hij niet de aangewezen man.

Over het illegale Parool schreef Madelon de Keizer eerder een dissertatie, terwijl de eerste 25 jaar van het dagblad uitvoerig zijn geboekstaafd door Gerard Mulder en Paul Koedijk. De toegevoegde waarde van deze biografie bestaat, naast de schets van Goedharts leven vóór 1940, vooral uit de bijzonder gedetailleerde wijze waarop De Keizer zijn naoorlogse journalistieke en politieke loopbaan schildert. Hoewel, voor Goedhart bestond er geen verschil tussen zijn journalistieke en politieke activiteiten. De eerste stonden zonder meer in dienst van de tweede, en die waren gericht op de onaflatende, onverzoenlijke strijd tegen het ‘rode fascisme’ dat inmiddels tot halverwege Duitsland was opgerukt.

Als Tweede-Kamerlid voor de pvda ont­wikkelde Goedhart zich tot een van de belangrijkste buitenlandspecialisten, waarbij hij er net als De Kadt niet voor terugdeinsde tegen zijn eigen partij in te gaan. Dit bleek al tijdens de koloniale oorlog in Indonesië, maar ook toen de pvda onder invloed van Nieuw Links afscheid nam van het anticommunisme. De aan­houdende kritiek op het Amerikaanse optreden in Zuidoost-Azië was voor hem de aanleiding om in 1970 uit de fractie te stappen en zich aan te sluiten bij ds’70. In de tussenliggende jaren was hij ook actief geweest in allerlei commissies van de Raad van Europa en de Navo, en werd hij lange tijd in Washington gezien als invloedrijk Europees politicus.

Hoewel de hoofdstukken die De Keizer aan deze activiteiten wijdt niet bijster meeslepend zijn, is het goed dat zij aandacht heeft besteed aan deze Alltagsgeschichte van de Koude Oorlog. Bovendien laat zij vrij overtuigend zien dat het vaak geschetste beeld van Goedhart als rancuneuze gifpisser die mentaal in de oorlog was blijven steken niet klopt, en dat hij wel degelijk een uiterst principieel, en daardoor niet altijd succesvol, politicus was.

Het valt echter te vrezen dat de ongeremde uitvoerigheid en de wat dorre stijl van de biografe zullen verhinderen dat veel mensen kennis nemen van het boeiende leven van de eigen­gereide, dappere Goedhart. Voor de echte liefhebber is dit boek uiterst interessant, maar met een biografie die half zo dik was geweest zou een breder publiek bereikt kunnen worden.

Wat bovendien jammer is, is dat De Keizers boek wordt ontsierd door nogal wat slordig­heden. Zo schrijft ze dat Goedhart, toen hij eind jaren twintig voor De Telegraaf werkte, goed kon opschieten met de anarchist Alexander Cohen, terwijl deze toen al decennia in Frankrijk woonde en inmiddels aanhanger was van de protofasctistische Action Française. Ook is het niet waar dat Goedhart in 1956, na het neerslaan van de Hongaarse opstand, het straatnaambordje van de Amsterdamse Stalin­laan losschroefde. Het was zijn vriend Joop Zwart die dat samen met zijn twaalfjarige zoon deed. Kwalijker is echter dat De Keizer schrijft dat Goedhart een relatie had met zijn secretaresse, die getrouwd was met dezelfde Joop Zwart. Uit het notenapparaat valt niet op te maken waarop zij dit baseert, terwijl zij de twee op zeker moment naar Parijs laat reizen terwijl deze vrouw nog in Duitsland woonde en nog niet Goedharts secretaresse was. De voormalige secretaresse, die opmerkelijk genoeg niet door De Keizer is geïnterviewd, ontkent desgevraagd de relatie ten stelligste.