Te veel goede bedoelingen film

Het heet dat elke beslissing bij het filmfestival van Berlijn een politieke achtergrond heeft. Berlijn doet aan verschillende soorten politiek. Ook tien jaar na de val van de Muur schijnt hier nog een soort oost-west-overgevoeligheid te bestaan die resulteert in de selectie van oppervlakkige Amerikanen en krakkemikkige Russen. Films waar niemand een plezier mee wordt gedaan, maar die op papier voor een balans in het programma zorgen.

Daarnaast gaat Berlijn gebukt onder vele andere politiek correcte gevoeligheden. Er is altijd een onderdeel dat de holocaust in herinnering brengt, er is een speciale prijs voor de beste homofilm en met grote geografische nauwkeurigheid wordt een zo exotisch mogelijke reeks landen in het programma vertegenwoordigd. Het heeft uiteraard tot gevolg dat de kwaliteit moet lijden onder de overmacht aan goede bedoelingen. Ik heb me dit jaar op een exotisch dieet gezet. Deels is dat vragen om tegenvallers. Een speelfilm uit Azerbeidjan, zoals Aila van Rustam Ibragimbekov, is niet meer dan een curiositeit, en ik vraag me af wat zo'n film op een prestigieus festival doet. Na Sled Kraja Na Sveta (After the End of the World) van de Bulgaar Ivan Nitschev vergaat de lust naar meer. De Iraniër Dariush Mehrjui heeft betere en mindere films gemaakt en zijn Banu (The Lady) behoort tot de laatste categorie. De film was jarenlang verboden en dat lijkt de voornaamste overweging voor Berlijn te zijn geweest om hem te vertonen. Regelrecht onbeholpen was de Iraanse film Ajanse Schischeï (The Glass Agency) van Ebrahim Hatamikia. Naar de overwegingen om zo'n film in het programma op te nemen kun je alleen raden, maar met filmische kwaliteit heeft het in ieder geval niet te maken. Het is niet mijn bedoeling hier een uitputtende lijst van tegenvallende exotische films te geven. De twee mooiste films die ik dit jaar in Berlijn zag maakten deel uit van hetzelfde dieet. Ze kwamen allebei uit Kazachstan en hadden wat betreft hun stijl van filmmaken ook veel met elkaar gemeen. Ik ben bang dat ze in het programma zijn opgenomen omdat ze uit Kazachstan komen en niet omdat het goede films zijn. Toch zou dat in deze gevallen nu juist wel te rechtvaardigen zijn geweest. Het zijn twee films die veel over hun land te vertellen hebben. 1997 van Ardak Amirkulov heeft als ondertitel Sapisi Rustema s Risunkami (Rustem’s Notes with Illustrations) en volgt zijn hoofdpersoon Rustem door het hedendaagse Almaty. De film is rustig en impressionistisch en heeft een grillig verlopende dunne verhaallijn. De ware motor van de film is zijn atmosfeer. De film geeft als het ware indrukken uit de dagboeken van een achttienjarige. Het gaat om de laatste drie dagen uit zijn leven, maar weinig wijst eigenlijk op een dramatische afloop. Rustem hangt wat rond met zijn vrienden en ontmoet een meisje op wie hij verliefd zou kunnen worden. Hij laat zich meenemen op de stroom van het dagelijkse leven en juist door zijn indolentie is hij de ideale gids door een slechts ogenschijnlijk gewone wereld. Op het eerste gezicht lijkt Aksuat van Serik Aprymov een veel dramatischer film, maar in zijn uitwerking heeft de film eenzelfde berustende en beschouwende sfeer. Een jonge man en zijn zwangere vrouw vluchten naar zijn geboortedorp, het op het platteland gelegen gehucht Aksuat. Ze vinden een onderkomen bij zijn oudere broer die niet de nieuwe rijkdom in de stad heeft gezocht. De film geeft niet prijs wie achtervolgd wordt door wie en waarom. De maffia is overal, zelfs in Aksuat, en dan kun je maar beter zwijgen. Aprymov geeft louter met beelden wel veel prijs van de sfeer in Aksuat en ook voor de relationele spanningen tussen de twee broers en de zwangere vrouw heeft hij niet veel woorden nodig. Amirkulov en Aprymov zijn sterke visuele vertellers die een groot gevoel voor timing hebben. Om welke reden ze ook naar Berlijn zijn gehaald, ze vertellen hun eigen verhaal op hun eigen manier. En daarom ga je naar een film uit een ver en vreemd land. Om eens wat anders te zien. Op een andere manier. + Velvet Goldmine van Todd Haynes is niet alleen een knappe reconstructie van het verschijnsel glitterpop zoals dat in de jaren zeventig bestond, het is ook een knappe uitvinding van een popheld die nooit echt heeft bestaan. Het ziet er goed uit, het klinkt goed en vertelt ook nog een goed verhaal.