Menno Hurenkamp

Te veel intellectuelen

Blanke mannen van middelbare leeftijd maken zich zorgen om de vraag waar de woordvoerders van de allochtone gemeenschappen in Nederland zijn. Nu de media dagelijks het vuur openen op criminele Marokkaanse jongeren en halfgare imams vinden schrijvers als Paul Scheffer en Bas Heijne het nodig dat mensen met gezag opstaan die de opinie van dé immigrant verwoorden.

Vier typische reacties onderstreepten dit probleem. Mohammed Benzakour betoogde dat migranten nog niet genoeg intel lectueel ontwikkeld zijn om zo'n rol met verve te vervullen. Farhad Golyardi stelde dat dat misschien voor arbeidsmigranten als de Marokkanen geldt, maar zeker niet voor vluchtelingen. Punt is volgens hem dat migranten van Nederlanders alleen zuur mogen schrijven over migrantenkwesties, en verder hun mond moeten houden. Chris Keulemans en Shervin Nekuee argumenteren dat zulke «transnationale» burgers desondanks de plicht hebben zich te mengen in de publieke discussie. Die gaat immers over een maatschappij waarvan migranten een onlosmakelijk deel vormen. Dit alles in de Volkskrant. De laatste reactie stond in Vrij Nederland, kwam voort uit een interview met zes potentiële Marokkaanse aanvoerders en luidde ruwweg: wij gaan niet op commando aan een debat deelnemen omdat links Nederland in paniek is. Die criminele jeugd is het probleem van iedereen, niet alleen van de Marokkaanse gemeenschap en trouwens die gemeenschap bestaat helemaal niet.

Het klopt allemaal. Maar de antwoorden zijn zo geformuleerd dat je je afvraagt of er nog iets te bevechten valt voor migranten of dat wonen in Nederland een kwestie is van adem inhouden tot je carrière hebt gemaakt. Politiek lijkt, zoals op veel plekken in Nederland, ook hier niet meer ter zake te doen. Nieuwsgierigheid (Keulemans en Nekuee) moet de toon zetten in het gesprek tussen autochtonen en nieuwkomers. Machtsvragen — wie beslist over discriminatie, sociale uitsluiting, onderwijsachterstanden — worden niet gesteld, en als ze ter sprake komen ontloopt de migrant ze door naar Europese vrienden uit te wijken (Golyardi). Daarmee wordt de vraag naar leiderschap van immigrantenbewegingen impliciet irrelevant verklaard. Anders dan vroeger verdraagt door de verregaande individualisering niemand nog pretentieuze roergangers.

Het zou ook kunnen dat in deze discussie juist te veel intellectuelen aan het woord zijn. De schrijvers die reageren op de vraag naar de migrantenwoordvoerders, zijn geoefend in de nuance, bewust van de schaduwzijden van elk argument. Lastig worden ze niet. Het is verleidelijk je de populaire cabaretiers Najib Amhali en Jorgen Raymann in de arena van het multicultureel debat voor te stellen. Geen domme jongens. Een paar eenduidige boodschappen en ze groeien uit tot politieke stoorzenders met groot bereik, die al westbroekend en links en rechts parlementszeteltjes snoepend enige noodzakelijke politieke verwarring stichten in de gewijde sfeer van de opiniepagina’s.