Te veel kennis

Als u dit leest bent u gek. Gek van alle opinie­peilingen, debatten, exit-polls en uitslagengala’s. Gek van de duidingen en formatie-voorspellingen. En dan heeft u nog een hele periode te gaan, met ‘wisselgeld’ en het ‘spel met de poppetjes’.

Ik ben halverwege het tweede televisiedebat al afgehaakt, terwijl ik toch een bovengemiddelde belangstelling in politiek zou moeten hebben. Ik schrijf er columns over, nu ook weer.

Het grote probleem is dat er te veel kennis is. Allereerst over de feiten. Elke bewering die een lijsttrekker doet komt in een machine terecht die haar uiteenrafelt, uitvlooit wat er wel en niet aan klopt en welk belang iemand kan hebben om de feiten op die manier te verdraaien. Met als gevolg dat geen enkele politicus ook maar iets concreets durfde te zeggen. Met als gevolg dat iedereen besloot om ‘het eerlijke verhaal te vertellen’, ‘liever naar de inhoud te kijken’, ‘de mensen die het het hardst nodig hebben’, en meer van die abstracte rimram.

Er is te veel kennis. Over de feiten en cijfers, maar ook over de manier waarop de woorden van een politicus overkomen ‘bij de mensen thuis’. Na een halve eeuw tv-politiek is er waanzinnig veel wetenschappelijk inzicht verzameld over het mechaniek van de beeldvorming en de subtiele psychologie achter het overtuigen via de beeldbuis. De grote les die uit al die onderzoeken getrokken kan worden is steeds dezelfde: het publiek wil authentieke mensen zien, levensecht, oprecht betrokken, enzovoort.

Elke politieke partij heeft een dikke schil van mediaspecialisten die alles uit de kast trekken om hun lijsttrekker authentiek, levensecht en oprecht betrokken over te laten komen. Lichaamshoudingen worden gecorrigeerd. Stemoefeningen mee voor thuis. Uitgebalanceerde teksten uit het hoofd leren. Debatten oefenen en ze eindeloos terugkijken.

De verwoestende gevolgen hiervan heeft u zelf aanschouwd en ze hebben u hoofdpijn bezorgd. De trainers in authenticiteit maakten houten klazen van hun opdrachtgevers. Buiten de tovercirkel van het mediadebat waren ze misschien in staat zich menselijk te gedragen, maar zodra de microfoons open gingen, verdween elk menselijk spoor. De woordenbrij ging langs ons heen en kon alleen, net als achtergrondmuziekjes bij de Albert Heijn, een groeiende irritatie opwekken.

Wie authentiek wil doen is het al niet meer. Het duidelijkst zag je dat bij Emile Roemer, die olijke oom die al bij de vorige verkiezingen tot authenticiteitskampioen was uitgeroepen. Vanaf dan is het uitgesloten dat je dat blijft. Hero Brinkman vond ik van vergelijkbare orde. De man was altijd, op z’n eigen, wat lompe manier, oprecht nijdig. Ineens sprak hij een verkiezingsspotje in, extreem duidelijk articulerend, z’n teksten voorlezend. Niets was er over van die lompe, authentieke verontwaardiging. Houten klaas bestond en hij liep over een kaasmarkt.

De paradox van de mediatrainers en aanverwante sleutelaars is een universele. In feite hebben we hier een variatie te pakken van de onmogelijkheid om water te grijpen.

Niemand ontkomt er helemaal aan, ook niet als je geen politicus bent. Allerlei media kaatsen voortdurend ons beeld terug en we worden onophoudelijk beoordeeld. We hebben te veel kennis van de effecten van ons handelen.

Ook de schrijvers ontkomen er niet aan. Ik lees deze weken mijn eigen werk in persklaargemaakte kopij en straks in drukproeven, en begin het al te lezen door de ogen van critici en publiek. Ha, dit zullen Arie Storm en Daniëlle Serdijn wel weer verschríkkelijk vinden, denk ik opgetogen bij sommige passages. Zie dan maar de verleiding te weerstaan om ze nog meer te kwellen, en die passages nog wat aan te scherpen.

Het beste is om te schrijven alsof je niks weet, alsof er nooit één regel voor jouw tijd is geschreven, alsof er geen critici en internetfora bestaan, alsof het werk niet door de machine gaat die elke bewering uitvlooit, alsof je nog helemaal niet weet hoe literaire mechanismen in elkaar steken, alsof je gewoon maar wat zit te pielen wat toevallig iets oplevert dat anderen een roman noemen. Het beste is om altijd debutant te zijn. Maar het zou een leugen zijn om te zeggen dat dit kan. Er is te veel kennis en eenmaal vergaarde kennis kun je nooit helemaal uitschakelen. De verwoestende gevolgen hiervan zie je in elke boekwinkel. Al die verhalen die krampachtig proberen een eigen stem te hebben. Al die eendere intriges – huwelijken, scheidingen, kinderen – die afgedraaid worden.

Ergens aan een Amsterdamse kade liep ik laatst een criticus uit Vlaanderen tegen het lijf. ‘Geef me één boek!’ smeekte hij. ‘Geef me één boek dat begint te trillen op de eerste bladzijde en daar niet meer mee ophoudt! Eén boek! Eéntje maar.’ Zo heb ik ook de verkiezingen bekeken, met hun langdradige voor- en naspel. Geef me één politicus! Eéntje maar.