Te veel woorden

EDWIN FAGEL
UW AFWEZIGHEID
Nieuw Amsterdam, 70 blz., € 14,90

Met het toenemend aantal bundels dat verschijnt, wordt er minder besproken. De aandacht voor leesclubs die reeds gecanoniseerde boeken lezen, groeit alom. Met de krimpende ruimte in de kranten voor oorspronkelijk werk dreigt een Franse situatie te ontstaan, waar een literatuurlezer een door Pléiades snuffelende historicus wordt. Wie daar iets van nieuwe poëzie wil vernemen, dient te grasduinen op boekentafels bij de ingang van galeries, allerhande marginale bladen zien te verkrijgen, of – nog moeilijker – zich in de verwarrende wereld van het wereldwijde web zien wegwijs te maken.

Er zijn Engelstalige websites waar lezers nog aardig met elkaar discussiëren over waarom de Canadees Ken Babstock zijn derde bundel Airstream Land Yacht noemt, waarom hij in een bepaalde regel de verleden tijd en niet de tegenwoordige tijd hanteert. Op het Nederlandse domein gaat het over heel andere dingen. Amateurdichters zijn er met elkaar aan het haarkloven over status, reputaties en googlehits, een webmaster bant mensen die er een andere mening over hoofddoekjes op nahouden. Dichters, in een niche tot elkaar veroordeeld, blijken beroerde gespreksgenoten. Te midden van dat tranendal schijnt, na héél goed zoeken, een klein lichtje. Het is een knus en bijna onvindbaar hoekje waar een verlichte geest zijn licht over nieuwe dichtbundels laat schijnen en er vaak op zachtaardige wijze iets over beweert. Een klein wakkerend vlammetje dat je in je hart zou willen sluiten. De website heet De Recensent en de bespreker Edwin Fagel.

Edwin Fagel. De naam duikt andermaal op bij de nominaties van de Jo Peterse Poëzieprijs, vernoemd naar de uitgever van een fraaie reeks bibliofiele uitgaven. Naast de Buddingh’-prijs en de Het Liegend Konijn-prijs voor debutanten, is de prijs een aanmoediging voor auteurs van één of twee bundels. De jury van ‘de JPPp’ nomineerde een uiterst uiteenlopend kwartet: van de dolzinnig wijdlopende componist Micha Hamel tot de strakke versificator Esther Naomi Perquin. Van de surrealistische beeldverbouwer Ruth Lasters tot Edwin Fagel, die op een kalme manier zijn regels met beelden weet te omkleden. Als leuninkjes voor een afgrond, zo lijkt het soms.

Uw afwezigheid heet de bundel, en daar zal getuige de serie Gebeden het verscheiden van God mee bedoeld worden. Het gemis daarvan is in de bundel waarneembaar. Als een personage over straat loopt, gebeurt er vaak iets. Er klinkt een sirene of een kat haalt de overkant niet zonder dat een kind huilt. Na die suggestieve ongelukken schakelt Fagel weer terug naar rustige of statische beelden, die daarmee een zekere beladenheid krijgen.

Dat is een procédé dat werkt als de dichter zich beheerst en concentreert. Er zit een aangename helderheid in veel van zijn werk. Een ik-figuur hield zijn vriendin vast, haar ogen waren open en ‘aan het einde van de rails lag het station’. Even verderop lijkt het stel te liggen en maakt de ik zich los ‘voor een droom die ik vaak heb/ maar telkens vergeet’. Ook elders in deze serie is er klaarte:

Ik herkende de groene jas die je altijd droeg,

stak over, en riep je naam. Je keek langzaam

om naar mij, en leek me te herkennen. We
 stonden stil

op de natte straat, zodat je op me toe kon lopen,

je tegen me aan kon drukken; je hand ging
 over mijn rug.

Ik moet je spreken, zei ik, ik moet proberen

in je gedachten te komen. Zonder iets te zeggen
 liep je door.

Het verkeer hervond zijn weg.

Je kunt je afvragen of het woordje ‘ging’ de suggestiviteit van de omhelzing niet tenietdoet, maar dit zijn precaire regels. In een spreektaal die in de verte aan Martin Reints doet denken, beschrijft Edwin Fagel een steriele wereld. Jammer genoeg bestaan zijn regels soms uit te veel woorden: ‘bomen, dacht ik, bidden niet, maar nu we dan toch/ de vergissing hebben gemaakt zou ons een zeker/ geloof daarin wel sieren’. Daar klinkt net te veel retoriek. En soms is een enjambement geforceerd: ‘hij lachte// weg wat hij wist’.

In het gedicht Vergeet de toiletjuffrouw niet heeft Fagel een dubbelzinnigheid te pakken: het te geven kwartje en haar gezicht dat een hij-figuur niet wil vergeten. De ik-figuur moet wel in het etablissement zitten waar de scène zich afspeelt. Plotseling springen we naar proza:

Steeds de gedachte dat dit mijn plek niet is. Toen ik wakker werd bijvoorbeeld was ik naakt, ik had zin in een sigaret, ik luisterde naar het verkeer en ik had enorm veel zin in een sigaret, mijn hond zat naast me op de vloer en toen ik eindelijk opstond om er een op te steken zag ik pas het bloed. Ik keek in de spiegel en schrok me dood.

Het is een zeldzaam moment in deze doorpratende bundel dat er spanning komt te staan op de regels. Elders wordt die doorbroken door platitudes, bedoelde en te verzonnen grapjes (‘ja sorry hoor/ ik ben nu eenmaal gewend om zo te borrelen’), cabaretregels (‘wat is er met mijn neus mevrouw?/ Meneer die zit in mijn oor’). Als die zich al vermengen met de ernst van de bundel, dan nog op een houterige en wrange manier. En soms vreemd kinderlijk: ‘beloof me/ dat je in doodsnood mijn voicemail inspreekt,/ alleen de mijne, wat zou ik dat lief vinden’.

Er zit iets ontstellend Nijhoffs in Uw afwezigheid, een dichter waar sinds de bezuinigingen op het letterenonderwijs een hele jongere generatie zich en masse op lijkt te hebben gestort. Die ouwelijkheid is niet erg bevorderlijk voor het leesplezier van de bundel. We lezen gedichten in de stem van Ter Braak of Du Perron of Gorter, of van Bomans die moederziel alleen op de Rottumerplaat werd achtergelaten. Dat zijn leuke literair-historische anekdotes, maar helaas maakt Fagel er geen sterke gedichten van. Als hij naar de moderne tijd schiet, in de serie agendapunten, beschrijft hij een vergadering waarvan de voorzitter niet meer levend van de wc komt, het thuisfront wordt gebeld dat het laat wordt en allerhande grapjes over seks, hazelnootgebakjes en afvallen volgen. Die serie heeft iets ergerlijk besmuikts.

Mocht Fagel op een precieze manier blijven schrijven en niet de kokette kant op gaan, dan kan hij goed worden. Deze gedichten hoeft hij niet nog een keer te schrijven. Ik zou zijn vuurtje graag een beetje aanblazen en waar nodig oppoken. Talent heeft hij zeker en dat is een aanmoediging waard.