© Spencer Platt / Getty Images

De man ligt in een ziekenhuisbed, hij is zojuist in elkaar geslagen tijdens een demonstratie – en dat was precies de bedoeling. Om sympathie voor de ‘armen en zieken’ te winnen. Dat heeft de man niet zelf bedacht, het is hem kortgeleden opgelegd, door instellingsmedewerkers die al tijden om hem heen bewegen en bevelen uitdelen, zonder dat duidelijk wordt waarom precies. Hij begrijpt trouwens ook sommige woorden die ze gebruiken nog niet. Of niet meer. Waar kent hij die medewerkers van? Waarom noemen ze hem eerst alleen ‘89’ en later ‘Greg’?

Elliot Spencer is een fascinerend, ingenieus verhaal, waarbij de ik-figuur zichzelf gaandeweg beter leert praten. Nou ja, eigenlijk wordt hem dat geleerd: na de staccato openingsalinea’s gaat het vrij zijdelings over een bandje dat ’s nachts wordt afgespeeld om zijn taal aan te scherpen. Niet alleen voor hem overigens, ook voor anderen die min of meer gehersenspoeld in dezelfde instelling zijn ondergebracht als Greg, en massaal ‘zoals zombies’ naar protesten worden gestuurd. ‘89’ blijkt te midden van dit alles een scherpe leerling, na een tijdje dringen zich flarden van zijn vroegere persoonlijke leven bij hem op is. Elliot Spencer, heette hij niet zo? Wat is er gebeurd?

Die laatste vraag duikt vaker op in het proza van George Saunders (1958), zeker in zijn nieuwste werk Bevrijdingsdag. Het is onmogelijk om geen link te leggen tussen deze verhalenbundel en de hedendaagse Amerikaanse politiek. In het bondige verhaal Liefdesbrief richt een opa zich tot zijn kleinzoon. De grootvader schetst hoe mak hij toekeek toen een halvegare in het Witte Huis belandde. Liefdesbrief is een verklaring, verontschuldiging en waarschuwing ineen: kleinzoon, we dachten dat het onmogelijk was, deze gevaarlijke en fascistoïde man als president, toen bleek het toch mogelijk en dat heeft ons onomkeerbare ellende gebracht. Zo kan het gaan.

In het wonderlijke titelverhaal, veruit het langste van de bundel, neemt een van drie ‘Sprekers’ het woord en blijft het lang vaag wat zij precies doen. Die sprekers moeten voor een rijk gezin een toneelstuk opvoeren waarin de gruwelijke nederlaag van Generaal Custer wordt nagedaan, tot de situatie werkelijk escaleert: agenten vallen de ruimte binnen om de acteurs te bevrijden. Verleden, toneel en werkelijkheid vloeien in elkaar over. En het blijft schimmig of die sprekers wel bevrijd willen worden, of ze eveneens zijn gehersenspoeld of gevangen genomen, of dat ze hier stiekem willen zijn.

Zo uitgeschreven klinkt de plot wellicht vol, een beetje geforceerd, maar Saunders houdt moeiteloos greep op zijn materie. Zijn werk is mede daarom al veelvuldig geprezen, en in Bevrijdingsdag onderstreept hij eens te meer hoe goed hij het korte verhaal beheerst. Er valt simpelweg geen valse noot te detecteren in deze ingetogen, overigens ook voortreffelijk vertaalde bundel; of het moet zijn dat ik soms niet bijster veel voelde voor de personages zelf, ik voelde vooral bewondering voor hoe kundig alles in elkaar steekt. Steeds is het vertrekpunt uitnodigend ongrijpbaar, en wordt vervolgens heel naturel een wereld opgebouwd. Niet met tromgeroffel of geijkte plottrucjes, maar door het verhaal bochten te laten nemen die onvoorzien zijn en toch volkomen logisch aanvoelen.

Terug naar Elliot Spencer, een van de allerbeste verhalen uit Bevrijdingsdag. Saunders maakt daar veel meer van dan alleen een verslag van verwarring. Aan de hand van zijn groeiende taalvermogen gaat de hoofdpersoon almaar geraffineerder naar zijn omgeving kijken. Het mechanische van de instelling, de medewerkers, de protocollen wordt fraai vermengd met de paar opspelende herinneringen, die zowaar bijzonder ontroerend zijn.

Interessant is ook dit: ‘89’ wordt overduidelijk gebruikt, maar het blijkt dat hij zichzelf vrijwillig voor dit programma opgaf. Hij leefde hiervoor jaren onder een brug, zonder toekomstperspectief. Dus opteerde hij voor een leven in veiligheid, met ‘fantastische maaltijd en gratis medische zorg’. Hoe erg is het eigenlijk wat hem overkomt?

Saunders beheerst het vermogen om zulke vraagstukken op te werpen zonder ze zelf te gaan ontleden, dat is aan de lezer. Wat vooral opvalt aan Bevrijdingsdag is de onbestemde, dystopische ondertoon die in meerdere verhalen zit. (Al is bij Saunders de humor gelukkig nooit ver weg, in veel omschrijvingen schuilt een zekere lichtheid, bijvoorbeeld wanneer een ploeterende kinderboekenschrijfster via allerlei kronkels voor zichzelf rechtvaardigt dat ze overgaat tot lomp geweld.)

De vraag waar veel Amerikaanse schrijvers zich voor gesteld zien: hoe schrijf je fictie over Trump, en over de ontwikkeling van de wereldpolitiek in de 21ste eeuw? Het punt is natuurlijk: de werkelijkheid is de fictie de afgelopen jaren ruimschoots voorbij gestreefd, er gebeurden in en rondom het Witte Huis eindeloos veel dingen waar geen romancier mee was weggekomen. Wellicht heeft Saunders daarom zijn toevlucht gezocht tot proza waarin de werkelijkheid weliswaar steeds resoneert, maar eigenlijk amper expliciet voorkomt. Er worden geen namen of plaatsen genoemd. Veel verhalen spelen zich af in een niet nader gespecifieerde toekomst. Alsof hij wil onderzoeken wat er de komende decennia zoal kan gebeuren, of misschien via een omweg wel heimelijk wat er nu gebeurt – we worden immers al deels gehersenspoeld door onze telefoons, de democratie wankelt al op veel plekken. Juist dat Saunders nergens een nadrukkelijk waarschuwende toon aanslaat of zijn toekomstflarden verbindt met het heden, maakt de sluimerende dreiging in de bundel sterk.

De wereldpolitiek speelt ook een belangrijke rol in het proza van Maxim Osipov (1963), een andere meesterlijke korteverhalenschrijver. Hij vluchtte vorig jaar uit zijn geboorteland Rusland, is momenteel gastdocent aan de Universiteit Leiden, en na het imposante De wereld is niet stuk te krijgen is er nu de nieuwe verhalenbundel Kilometer 101.

In Rusland hoort ongelijkheid er nu eenmaal bij, dat lijkt het besef bij de personages van Maxim Osipov

Voor de duidelijkheid: er zijn meer verschillen dan overeenkomsten tussen Osipov en Saunders aan te wijzen, zowel stilistisch als thematisch. Toch is het interessant om hun nieuwe proza te vergelijken doordat ze niet alleen verschillende continenten beschrijven, maar ook voor een heel verschillende aanpak kiezen. Waar Saunders zich richt op veelal welgestelde kringen in Amerika en daarbij mogelijke toekomsten verkent, maakt Osipov een tegenstelde beweging: hij zoomt juist in op het leven van het hedendaagse Rusland, heel secuur, soms vilein, soms vol medeleven, soms uitermate geestig, al valt er strikt genomen weinig te lachen.

In het qua omvang kleine Koudwatervis - dat eerder als essay verscheen in De Groene Amsterdammer - gaat een man naar zijn eerste corona-vaccinatie, ergens in Moskou. Aanvankelijk lijkt hij niet verder te komen dan voorspelbare reflecties op corona (hoe erg is het allemaal, doe ik er goed aan om spoetnik te nemen?) maar juist die alledaagsheid dient een doel. Want eenmaal ter plaatse, vooraan in die chaotische vaccinatiehal waar zieken en gevaccineerden in dezelfde rijen belanden, blijkt er geen prik meer voorradig te zijn voor de hoofdfiguur. Er volgt geen ruzie en geen aftocht, want ‘een verzoek of een bedreiging is nooit zo effectief als kennis van zaken’. Dus zegt hij alleen tegen de verpleegkundige: ‘U bent arts. Ik ben ook arts. En we zijn hier in Rusland. En zodoende weten we… dat als iets op is, dat het dan wel op is… maar soms niet helemaal.’

De verpleegkundige sputtert niet tegen, ze geeft hem vrijwel meteen gelijk: inderdaad, er zijn nog drie doses over, loopt u maar verder.

Juist die kalme, terloopse manier waarop dit alles zich voltrekt, maakt de scène krachtig. Rusland is een klassenmaatschappij, ongelijkheid hoort erbij, dat lijkt het besef bij Osipovs personages. En zo laat de schrijver via indringende, aardse scènes voortdurend zien hoe het is om te leven in het disfunctionele Rusland. Ongelijkheid, corruptie, geweld, antisemitisme, geldzucht: het zijn de bekende Osipov-thema’s, ze komen allemaal terug in deze bijna vierhonderd pagina’s verhalen. En toch is Kilometer 101 geen zware bundel (net zoals Bevrijdingsdag dat nergens wordt.) Die man die zich laat vaccineren moppert nauwelijks, hij dobbert vrij mild en zelfs een beetje sardonisch grappig mee. ‘Ik weet niet hoe het u vergaat’, merkt hij op tegen de lezer, ‘maar in staatsinstellingen ga ik meteen in de halve-slaapstand om me af te schermen tegen de te verwachten vernederingen.’

Veel personages in deze bundel zouden iets vergelijkbaars kunnen zeggen, op hetzelfde moment ernstig en relativerend. Soms zijn ze ondanks alles zelfs best gelukkig, soms maken ze er gewoon het beste van. Zoals de man in het lange, geweldige verhaal Matthew Ivanov, waarin hoofdpersoon Ivanov zojuist aan een amateurschaaktoernooi heeft deelgenomen. De schakers kwamen uit allerlei verschillende kringen en landen, ‘waren zelf zowel toeschouwer, scheidsrechter als organisator’, maar vooral: rondom dat bord, met eenduidige regels, waren ze even allemaal gelijk. Maar na afloop, in het vliegtuig terug, is dat verbond alweer opgeheven: Ivanov kijkt naar zijn medespelers van zojuist, tot op het bot succesvolle Amerikanen, een gewezen ambassadeur en de stevig gebouwde Don. Ze maken een gebaar naar hem, maar wat het betekent kan hij maar niet achterhalen. Kort daarna staat er: ‘Waarom kan hij eigenlijk niet in zo’n comfortabele brede stoel zitten? (…)

Omdat hij een ticket heeft voor de economyclass, antwoordt de stewardess.

Wat dan nog? Hij stoort toch niemand? (…)

Nee, zegt de stewardess, het zou onrechtvaardig zijn (…) en immoreel.’

Ivanov denkt lang na over dat laatste woord, waarom wordt het met zo veel genoegen uitgesproken?

En zo is de klassenstrijd alweer begonnen, nog voor Ivanov terug is in Rusland. Osipov is een meester in het tonen van zulke maatschappelijke mechanismes via kleine, af en toe komisch banale taferelen. Wat verder opvalt aan Kilometer 101, ook in vergelijking met eerder werk van Osipov: hij kiest ervoor om behalve vrij klassieke korte verhalen ook essayistische stukken in de bundel op te nemen, over de dood van zijn moeder bijvoorbeeld. Een verhaal bevat een naschrift uit maart 2022, toen de grootschalige invasie van Oekraïne net begonnen was.

Alsof fictie alleen voor Osipov niet meer volstond. Misschien is fantaseren en ongeremd vooruitkijken simpelweg een luxe, voorbehouden aan degenen die nog niet midden in een oorlog hebben gezeten. Misschien heeft het verschil tussen deze twee verhalenschrijvers vooral te maken met hun literatuuropvatting: Saunders neemt de vrijheid om te verzinnen rondom de werkelijkheid, Osipov zet zijn proza juist in om door te dringen tot in de poriën van Rusland. En allebei laten ze heel overtuigend hetzelfde zien: hoe mensen vrij makkelijk accepteren dat het systeem waarin ze leven verrot is. En dat ze ondanks alle verschillen toch veelal hetzelfde nastreven: de dag zo ongeschonden mogelijk doorkomen. 