Te voet, te paard en op kamelen

Ibn Batoeta, De reis. Vertaald en becommentarieerd door Richard van Leeuwen, uitg. Bulaaq, 387 blz., gebonden (met leeslint!), 369,50
Als er ooit een verkiezing gehouden zou worden voor de beroemdste ontdekkingsreiziger aller tijden, is de kans zeer gering dat Aboe Abdallah Mohammed ibn Abdallah ibn Mohammed ibn Ibrahiem al-Lawati at-Tandji uiteindelijk als winnaar uit de bus zal komen. En toch is deze veertiende-eeuwse islamitische ontdekkingsreiziger in alle opzichten de beste kandidaat voor die eretitel.

Want welk criterium je ook hanteert, Ibn Batoeta, zoals hij zichzelf kortweg noemde, steekt met kop en schouders boven alle andere ontdekkingsreizigers uit. Het enige dat aan zijn reizen ontbreekt, is dat hij er niet in is gebleven. Ibn Batoeta keerde na zijn laatste reis door donker Afrika (rond 1353) gewoon naar zijn geboorteland terug.
Het verslag van al zijn reizen, dat Ibn Batoeta in 1355 in opdracht van de sultan van Marokko schreef, is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald. Richard van Leeuwen, die ook verantwoordelijk is voor de vertaling uit het Arabisch van de Vertellingen van duizend-en-één nacht, heeft met De reis opnieuw een meesterwerk afgeleverd. De avonturen en belevenissen van Ibn Batoeta lezen in het Nederlands als een avonturenroman, en het commentaar dat Van Leeuwen heeft opgenomen is deskundig en terzake.
Het reizende leven van Ibn Batoeta begint in 1325, een jaar nadat Marco Polo, een andere grote middeleeuwse reiziger, in het gevang is gestorven. Op 14 juni vertrekt de dan eenentwintig jaar oude Ibn Batoeta uit zijn geboortestad Tanger voor wat een normale hadjj (de rituele pelgrimage naar Mekka) moet gaan worden. Maar eenmaal op pad krijgt hij de smaak van het reizen te pakken. Vanuit Mekka gaat hij verder naar Bagdad en daarna is hij niet meer te stuiten. Met alle mogelijke manieren van transport - te voet, te paard, in karren, met boten en op kamelen - trekt hij door Turkije, Rusland, Centraal-Azië en India, om uiteindelijk zelfs in China aan te komen. Vandaar keert hij via een omweg, die hem opnieuw in Mekka brengt, in 1349 terug in Noord-Afrika. Hij vestigt zich dan in Fez en treedt in dienst van de beroemde Marinieden Sultan Aboe Inaan.
Dat betekent overigens nog niet het einde van zijn reizen. In 1352 bezoekt hij Spanje, waar op dat moment nog enkele islamitische bolwerken over zijn. Direct na terugkeer van die reis krijgt hij een opdracht voor een officieel bezoek namens de Sultan aan het koninkrijk Mali. Deze reis dwars door de Sahara naar het legendarische goudrijk Mali is zijn laatste. Hij vestigt zich definitief in Fez, waar hij uiteindelijk op 65-jarige leeftijd sterft.
Over de persoon Ibn Batoeta is, behalve wat hij zelf in zijn reisverslag schrijft, niet veel bekend. Hij was waarschijnlijk een niet erg succesvol rechtsgeleerde in Tanger. Er wordt wel gesuggereerd dat hij zijn reis begonnen is omdat hij in zijn geboorteland door gebrek aan kwaliteit niet aan de bak kwam. Door een reis naar Mekka, Medina en alle andere islamitische heiligdommen te maken, zou hij hebben geprobeerd zijn godsdienstig aanzien te verhogen. Of hij hoopte tijdens zijn reizen ergens aan het hof van een vorst een baantje als rechter of bestuursfunctionaris te krijgen. Dat laatste is niet geheel ondenkbaar, want overal in Azië, en met name in het pas vlak daarvoor geïslamiseerde Hind (het huidige India), was een grote vraag naar islamitische rechtsgeleerden.
Het eerste deel van Ibn Batoeta’s reisverslag wijkt nauwelijks af van de verhalen die we van andere islamitische reizigers uit die tijd kennen. Het was niet ongebruikelijk dat mensen wanneer ze de hadjj gemaakt hadden, na terugkeer hun belevenissen op schrift stelden. De nadruk lag vooral op de beschrijving van heilige plaatsen die men onderweg aandeed en van eventuele ontmoetingen met heilige mannen. Het schrijven, of laten schrijven - ongeletterden dicteerden dikwijls hun avonturen aan een schrijver - van dergelijke reisboeken droeg bij aan de nieuwe religieuze status van de pelgrim. Ibn Batoeta doet niet anders. Op zijn reis naar Mekka, die via Egypte loopt, bezoekt hij tientallen heilige plaatsen. Het aantal heilige mannen dat hij onderweg spreekt, is nauwelijks te tellen. Het is vooral dankzij het commentaar van Richard van Leeuwen dat dit deel van het verslag leesbaar en vooral begrijpelijk blijft voor niet-islamitische lezers anno 1997.
Ibn Batoeta blijkt een grote belangstelling aan de dag te leggen voor het soefisme. Deze mystieke vorm van de islam was in die tijd zeer populair en vooral langs de verschillende pelgrimsroutes naar Mekka en Medina bevonden zich talloze soefi-kloosters waar de pelgrims een onderkomen konden vinden. Ibn Batoeta maakte regelmatig gebruik van deze instellingen. De gesprekken die hij tijdens zijn verblijf in die kloosters voert, geven een mooi inzicht in de manier waarop het mystieke kloosterleven was georganiseerd. Naarmate zijn reis vordert en hij verder van huis raakt, verandert echter de toon van zijn verhaal. Steeds meer aandacht geeft hij aan onbekende gebruiken en gewoontes. En ook de landschappen worden uitvoeriger beschreven. Het lijkt alsof Ibn Batoeta weet dat hij vanaf nu een voor zijn lezers volkomen vreemd terrein betreedt. Vooral de omstandigheden waaronder zijn geloofsgenoten in den vreemde leven worden minutieus beschreven. Juist door die nauwkeurigheid is het boek van groot historisch belang. Het laat zien dat hoewel het islamitische rijk in de veertiende eeuw allang geen hechte politieke eenheid meer was, er toch nog een uitgebreid netwerk van religieuze centra bestond. Van Tanger tot China - in bijna elke plaats waar Ibn Batoeta komt, treft hij een gemeenschap van geloofsgenoten aan. Die bieden onderdak en waar nodig hulp. Deze religieuze centra spelen ook een belangrijke economische rol. Ze dienen als steunpunten voor islamitische handelaren die zo hun produkten over enorme afstanden kunnen verhandelen. Ook Ibn Batoeta bekostigt een groot deel van zijn reizen door handel te drijven.
Dat hij niet de enige is die in zijn tijd dergelijke enorme afstanden aflegt, wordt het mooist geïllustreerd vrijwel aan het eind van zijn boek. Ibn Batoeta beschrijft daar hoe hij in Sidjalmassa, een stad in Mali, onderdak vindt bij ene Aboe Mohammed al-Boesri, afkomstig uit Bagdad. ‘Wiens broer ik eerder in Kandjanfoe in China had ontmoet. Wat wonen zij ver uit elkaar!’