Economie

‘Te vol’ is relatief, ook in economisch opzicht

Bruisend van energie keken ze in de lens. Twee pubers met aanstekelijke lach.

Ze gingen naar Engeland of Duitsland, studeren. Jongens die er iets van willen maken. Hippe kleren, redelijk Engels, gegoede middenklasse, schatte ik in. Maar dit was het journaal. Ze kwamen uit Syrië, ze stonden naast een hek en ze mochten er niet in.

De toevloed van vluchtelingen stelt Europa voor de keus: afschrikking en xenofobie, of opvang en integratie. De eerste optie wint terrein. Waarom ontwikkelen mensen wantrouwen en afkeer tegenover nieuwelingen? Een moeilijke vraag, waarbij meestal naar voor de hand liggende economische antwoorden gegrepen wordt. Ze pikken onze banen, huizen en uitkeringen in.

Als economisch antwoord op een psychologische vraag is dat al een nonstarter. Maar ook de economie erachter klopt niet. De vluchteling of gastarbeider die vandaag op de stoep staat heeft nu wel bed, bad en brood nodig, maar is meestal slechts een aantal jaren later (met dank aan lange procedures) onze pensioenen aan het betalen.

De denkfout is dat een economie een beperkt aantal mensen kan ondersteunen, en dan is het op. Trek je die gedachte door, dan zou je zelfs uitstroom van autochtonen moeten stimuleren – zoals de Nederlandse regering in de naoorlogse jaren inderdaad deed. Het Nederlandse productie-apparaat lag in puin of was naar Duitsland verplaatst (en lag daar in puin). De behoeften waren groter dan de middelen. Bevolkingsafname was de oplossing, werd gedacht. In Canada en Australië was nog plek, maar Nederland was met tien miljoen mensen te vol. Het idee is van alle tijden.

Waar veel mensen samen­leven, verspreiden ideeën zich sneller

De aartsvader van deze gedachte was de Brit Thomas Robert Malthus (1766-1834). Hoewel hij een veelzijdig politiek econoom was, wordt met malthusianisme nog steeds dit bedoeld: als de verhouding tussen wat het land kan opbrengen en de omvang van de bevolking zoek is, zal de bevolking krimpen. In de natuur gebeurt dit spontaan door ziekte en hongersnood. Politici die deze gedachte volgen, snappen dat je dit maar beter voor kunt zijn, wil je herkozen worden. Ze zullen bevolkingsgroei – door instroom of geboortes – tijdig proberen te beperken.

Als je het vluchtelingendebat beluistert zou je het niet zeggen, maar in de economische wetenschap weten we inmiddels beter. Er zijn best situaties waarin Malthus relevant is, maar veel meer waarin we van Boserup kunnen leren. Wie? Ester Boserup (1910-1999), Deens ontwikkelingseconoom. In haar tijd (de jaren vijftig en zestig) werd aan de nieuwe, dunbevolkte staten in Afrika groot ontwikkelingspotentieel toegedicht. Ruimte zat, immers. Azië met haar mensenmassa’s was gedoemd tot armoede, zo luidde de consensus. Boserup keek nauwkeurig en ontdekte dat bevolkingsdruk ook voordelen heeft. In China – dat altijd al tekort aan landbouwgrond had – vonden boeren manieren om meer voedsel van dezelfde grond te halen: natte rijstbouw met karperteelt tussen de rijstplanten. Waar de noodzaak groter is, komen meer landbouwkundige innovaties, die zich in dichtbevolkte gebieden ook nog eens sneller verspreiden, met hogere productiviteitsgroei tot gevolg. Het liep dan ook anders dan gedacht in Azië – en helaas ook in Afrika.

De moderne economische geografie bevestigt dat Boserups idee niet alleen in de landbouw werkt. Waar veel mensen samenleven, verspreiden ideeën zich sneller, worden slimme combinaties eerder gemaakt, en zijn markten sneller groot genoeg voor nieuwe producten. De les is dat meer mensen niet alleen meer nodig hebben, maar ook meer kunnen bedenken, samenwerken, innoveren en produceren. ‘Te vol’ is dus relatief. Vernieuwing door immigranten – vaak jonge, goed opgeleide mensen – houdt het proces gaande. Het migratie-malthusianisme miskent dat mensen zelf de economie zijn. De draagkracht van de economie wordt niet ondermijnd, maar vergroot door meer menselijk kapitaal. Laat die jongens toch komen.

Al met al zijn we nog steeds een economisch antwoord aan het geven op een vraag die niet economisch is – waarom die weerstand tegen de nieuweling? Laten we het eens kantelen. Wanneer accepteren mensen nieuwkomers wél? Misschien helpt bewustzijn van de geschiedenis. Duitsland kreeg eind jaren veertig twaalf miljoen Duitssprekenden uit Oost-Europa te verwerken. Is het land daarom nu het royaalst met opvangfaciliteiten? Je ondersteunt de vreemdeling als jij (of je opa) dat zelf ook geweest bent. Tegenover de enkelingen die brand stichten staan duizenden Duitsers die hulpnetwerken oprichten, taalles geven, voedsel brengen. Dit goede nieuws is groter dan het slechte, al haalt het de media misschien minder vaak. Veel Duitsers weten via familieverhalen wat het is om vluchteling te zijn (leestip voor xenofoben: Laura Starinks Duitse wortels). Die verhalen in het collectieve bewustzijn helpen – als tegengeluid tegen makkelijke, maar vaak misleidende economische argumenten.

Welke verhalen vertellen wij elkaar?