de oppositie juicht te vroeg

Te vroeg gejuicht

Opgetogen reageert links Nederland op de voortijdige val van Balkenende II. Volgens pvda, GroenLinks en sp is het nu aan de kiezer om zich uit te spreken. Maar waarover?

Uitgelaten en zelfs met een enkel feestje – het anti-Balkenende-platform Keer het Tij organiseerde afgelopen zondag een «valpartijtje» in Amsterdam – heeft links gereageerd op het vervroegde einde van het kabinet. «Dit was een regering zonder volk geworden dat geen beter en leuker land heeft achtergelaten», aldus sp-leider Jan Marijnissen. «Ik sta niet graag op andermans graf te dansen, maar ik kan natuurlijk niet zeggen dat ik rouwig ben om de conclusie die de premier heeft getrokken. Na vier jaar Balkenende is het nu tijd de kiezer weer eens aan het woord te laten.»

De boodschap is helder: het schrikbewind van de ploeg van Balkenende is voorbij, de linkse lente kan beginnen. De vraag is echter waar de kiezer zich in november nog over uit kan spreken. Balkenende II heeft het overgrote deel van zijn hervormingsagenda uitgevoerd, de soms hoogoplopende protesten van links en het maatschappelijk middenveld ten spijt. Zo zijn op sociaal vlak de WW en het prepensioen flink versoberd. De oude wao is vervangen door de wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (wia). Gemeenten zijn inmiddels redelijk gewend geraakt aan de Wet Werk en Bijstand die hen verantwoordelijk maakt voor het aan werk helpen van werklozen, ondanks klachten over het functioneren van de commerciële reïntegratiebureaus.

Ook het nieuwe zorgstelsel is op hoofdlijnen een fait accompli. De lijken die straks mogelijk uit de kast vallen – denk aan de cijfers van het aantal onverzekerden of premies die omhoog schieten – veranderen daar niets meer aan. Hetzelfde geldt voor de ingeslagen koers in de oorlog tegen het terrorisme, meer concreet de missie in Uruzgan en de al aangenomen antiterrorismewetgeving. Een generaal pardon is evenmin aan de orde, nu Verdonk de dossiers van de groep van «26.000» oude asielzoekers grotendeels heeft afgewerkt. De nieuwe onderwijswet en de invoering van het zogenoemde leerrechtenstelsel op universiteit en hbo zijn nog niet door het parlement, maar zullen naar alle waarschijnlijkheid op weinig weerstand stuiten. Over de andere nog niet afgeronde dossiers zal informateur Ruud Lubbers zich de komende weken buigen. Hij bekijkt welke zaken het tussenkabinet Balkenende III nog kan afwerken. De mierzoete begroting voor 2007 gaat er zeker komen.

Onduidelijker is de afloop van de vorming van een nationale politieorganisatie. Moeilijk wordt het in ieder geval voor de splitsingswet voor de energiesector (waar het cda nooit wat in heeft gezien), de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (na veel gesteggel is er wel brede consensus, maar ontbreekt het aan tijd), de inburgeringswet (veel juridische haken en ogen) en de omstreden huurliberalisering, evenals een kraakverbod (stokpaardje lpf). Voor een versoepeling van het ontslagrecht door dit kabinet is het waarschijnlijk al helemaal te laat. En van de omroepkwestie zullen we met het vertrek van d66 voorlopig niets meer horen.

Maar ondanks deze losse eindjes staat de kern van het door Balkenende II gecreëerde nieuwe Nederland als een huis. En minstens zo belangrijk: de oppositiepartijen hebben al aangegeven de meeste hervormingen niet terug te willen draaien. In het geval van het zorgstelsel wijst de pvda op het risico van torenhoge schadeclaims. Betrokken bedrijven zouden die wel eens kunnen indienen, mochten hun investeringen onder een nieuwe regering in gevaar komen. Los daarvan heeft de pvda met een groot deel van de genomen maatregelen op details na helemaal niet zoveel moeite. Niet voor niets kwamen cda en pvda bij de mislukte formatie in 2003 bijna tot een akkoord dat toenmalig fnv-voorzitter De Waal als «nog erger» dan het beleid van Balkenende I betitelde. De partijen hadden al overeenstemming bereikt over een pakket van 20,5 miljard euro aan bezuinigingen en lastenverzwaringen.

De pvda mag een andere visie hebben op de publieke sector dan vvd en cda, over de private wereld die daarbuiten ligt, lopen de meningen niet ver uiteen. De marges voor een ander beleid zijn daarmee nog smaller dan ten tijde van Den Uyl. Hoge belastingen zijn geen optie en het bedrijfsleven moet in een globaliserende economie tevreden gehouden worden. Wouter Bos heeft dan ook al meermalen aangekondigd dat hij de hervormingen van Balkenende II niet wil terugdraaien. Sterker nog: om de kosten van de vergrijzing het hoofd te bieden zijn nieuwe stappen nodig, zoals langer doorwerken.

GroenLinks en sp nemen ten aanzien van de hervormingen van Balkenende geen wezenlijk ander standpunt in dan de pvda, zij het dat zij op iets meer gebieden aanpassingen wensen. Ze zien zichzelf immers nog steeds als potentiële regeringskandidaten. In de Volkskrant afficheerde sp-leider Marijnissen zich als een
«realist». Van het terugdraaien van alle marktwerking zal daarom ook in een sp-regering geen sprake zijn. «Regeren is geven en nemen. Het gaat er nu om dat we de steven wenden. We halen de scherpste kantjes af van de zorgwet, we beperken de hypotheekrenteaftrek, we regelen dat generaal pardon voor die 26.000 asielzoekers, we maken een eind aan die schandelijke herkeuringen voor de wao en we stoppen onmiddellijk met de generaliserende toon die het integratiedebat nu beheerst.»

Maar is die «realistische» koers van de linkse oppositie wel zo realistisch. Want feit is dat de riante positie van pvda, GroenLinks en sp in de peilingen gebaseerd is op de onvrede bij de kiezer over de huidige neoliberale hervormingsoperatie. Maar juist die hervormingen staan in grote lijnen niet ter discussie voor de oppositie. Het gevolg is dat de kiezer zich straks wel mag uitspreken, maar niet over de zaken die hem blijkens alle peilingen aan het hart gaan.

Niets minder dan een nieuw trauma dreigt voor de linkse partijen, die zich nu al een jaar rijk rekenen. Want als de verkiezingen niet gaan over de thema’s waar de burger boos over is, waarom zou die dan nog stemmen op pvda, sp of GroenLinks?

In zijn pamflet Dit land kan zoveel beter wijt Wouter Bos de electorale afstraffing die de pvda kreeg na de opkomst van Fortuyn in 2002 aan de verloren aansluiting met de kiezer. «De meeste mensen waren niet geïnteresseerd in onze oplossingen, omdat ze niet eens zeker wisten of we hun problemen wel begrepen. Dus waren we niet geloofwaardig en kregen we geen vertrouwen. Politiek die niet op de een of andere manier aansluit bij de angsten en zorgen, maar ook de hoop en idealen van mensen, is ongeloofwaardige politiek.»

Toen de woede over de maatregelen van het kabinet-Balkenende groeide, had de pvda de electorale wind in de zeilen. In haar streven regierungsfähig te zijn, is al in een vroeg stadium de nadruk op nieuw beleid en oplossingen gelegd. In plaats van het vuurtje eerst nog op te stoken over zaken als zorgstelsel en huurbeleid, heeft de pvda de discussie geopend over de aow en de hypotheekrenteaftrek. Hoe heroïsch ook, dat is niet alleen licht ontvlambare materie, het zijn ook «nulissues»: nieuwe ronde, nieuwe kansen voor alle partijen. Daarmee geeft de pvda haar opgebouwde oppositiebonus uit handen.

Ook de sp en GroenLinks dreigen uit regeringsdrang in die valkuil te lopen. Het schip lijkt nu met de haven in zicht voortijdig tot stilstand te komen. In de peilingen – toegegeven, een weinig betrouwbaar instrument – daalt de pvda gestaag, terwijl het cda en vvd zich langzaam herstellen. Daar komt straks nog alle budgettaire honing overheen. Wie zal zich dan nog herinneren dat het juist aan het bezuinigingsbeleid van deze regering te danken is dat, terwijl de wereldeconomie aantrok, Nederland nog een paar jaar doorsukkelde?

Zo kunnen pvda, GroenLinks en sp de sociaal-economische slag alsnog verliezen. Dat is spijtig, aangezien zij op het «culturele» vlak al helemaal niet in staat zijn een vuist te maken. De oppositie heeft, anders dan een morele houding, geen pasklaar antwoord van minder dan vijf zinnen in discussies over integratie, criminaliteit en asielbeleid. Ze is er niet in geslaagd om bijvoorbeeld veiligheid uit het louter etnische hoekje te halen en te presenteren als een «sociale quaestie». Ze heeft ideologisch nog altijd het nakijken.

Ongeacht de uitkomst van een specifieke discussie, zijn het de huidige regeringspartijen die de spelregels bepalen. Die ideologische hegemonie manifesteert zich het duidelijkst in de wijze waarop de tegenstellingen gedefinieerd worden: het gaat niet om arm tegen rijk of racisme tegen een open geest, maar om recht door zee versus een soft pleidooi voor de «zwakkeren». Dat bleek ook in de kwestie waarover dit kabinet struikelde. Het was de harde, consequente Verdonk tegen de softe oppositie. Uiteindelijk verloor de minister het pleit op humane gronden, niet op het feit dat haar naturalisatiebeleid niet goed is. Dat is het huidige beeld van de politiek: rechts maakt het beleid, links dringt enkel aan op een humanere uitvoering.

Een paar electoraal veilige onderwerpen om stevig op te hameren is voor de oppositiepartijen dan ook geen overbodige luxe. Het zou niet verbazen als de pvda uit het pakket hervormingen van Balkenende II ten minste één «symboolissue» licht, waarmee de onvrede over het kabinet gevangen kan worden. Verzet tegen de huurliberalisering ligt in dat kader voor de hand, temeer daar dit rond de gemeenteraadsverkiezingen al een zeer effectief thema bleek. Op een aantal andere punten, zoals de herkeuringen van arbeidsongeschikten of het asielbeleid, kunnen enkele beperkte humane gebaren al een gunstig beeld neerzetten bij grote groepen ontevreden kiezers.

Of het stilgevallen schip met dat beetje extra zeil nog tijdig voldoende vaart kan krijgen, blijft de vraag.