Techniek

Laatst ging ik eten met een vriend van vroeger. Altijd gevaarlijk.

Vriendschappen horen op een of andere manier meer bij het verleden dan bij het heden. Ik bedoel: ze hebben zo hun geschiedenis. Ik droom er wel eens van dat ik tegen iemand zeg dat ik graag vrienden zou willen zijn, tegen die ene columnist bijvoorbeeld, of die documentairemaker, en die ene schrijver met het droefgeestige hoofd, de lange zware armen, of dat ik het zeg tegen hoe-heet-ie, die acteur, die een hekel aan me heeft omdat ik ooit een negatieve recensie schreef van een boek van een goeie vriendin van hem. Zij wel. Met hem bevriend.

Het moeilijke van dat soort afgedwongen vriendschappen is dat ze misschien nooit helemaal een graad van ontspannenheid bereiken. Een graad die ik overigens niet echt ken, want bij oude vriendschappen gaat ontspannenheid naadloos over in iets anders. Wat dat precies is, misschien kom ik er zo nog op. Ach alles is een fase, zei een ooit-heel-goede-vriendin, vlak voordat ook zij tot een fase intrad.

Wanneer is een mens überhaupt ontspannen?

De vriend van vroeger en ik zaten tegenover elkaar zoals we vroeger tussen de college-uren door tegenover elkaar zaten, maar toch helemaal anders. Toen leek het alsof ons leven ervan afhing, de dingen die we bespraken. Hij wilde stoppen met de studie, ik wilde door. Hij gaf me Krishnamurti te lezen, het staat nog steeds in mijn kast. Nu konden we van elkaar het rijtje afgaan, de ouders, de aanhang, het werk, het was vertrouwd maar ook om gek van te worden. Ik had hem voor zijn laatste verjaardag Knausgard gegeven. Liefde. Hij vond het ‘wel erg somber’.

Ja, en met Tycho gaat het ook goed, al heeft hij wel een moeilijke tijd gehad, en m’n moeder, ach ja m’n moeder, je weet hoe ze is.

Ja ik weet hoe ze is, vertel mij wat.

Vertel me wat, je kunt het inwendig wel gaan uitschreeuwen, maar de bal ligt natuurlijk voor vijftig procent ook bij jou. Vertel gewoon wat, íets, iets echts.

Wanneer houd je op met vrienden maken? Ik heb zoveel vrienden laten zitten ook. Ze hoorden bij een ander leven. Misschien hebben ze mij wel laten zitten. Maar dat is niet voorstelbaar.

Het is zo’n spel dat je kunt spelen. Je ideale laatste avondmaal, wie zitten daarbij aan? Meestal wordt die vraag gesteld binnen de context van een of ander blad. Moet je op z’n minst aankomen met Bach, met Gertrude Stein, Salman Rushdie, allemaal van die mensen die in real life niet te pruimen zijn, vast. Wat ik zou willen bij zo’n laatste avondmaal is dat de mensen bij elkaar komen die ik ken, en zij kennen mij. Ze moeten het niet erg vinden dat ik de hele avond niks zeg, me niet verroer.

Ik word trouwens opeens een beetje zenuwachtig bij dat idee van het laatste maal, ik wil wel graag erna de gelegenheid hebben om sommige individuen nog apart te zien, ik bedoel: dit is toch geen afscheid, God?

De mensen die ik ken dus. Hoe geregelder ik mensen zie, hoe liever ze me zijn. Ik herinner me een uitspraak van Thomas Rosenboom, hoezeer hij, als schrijver-alleen, verlangde naar collega’s, dat hij ze op feestjes zag samenklonteren en dat ze blijkbaar nooit om gespreksstof verlegen zaten. En dat is het natuurlijk ook, je zit gezamenlijk in een schuitje, je hebt hetzelfde voor ogen, more or less, hoe vaker je elkaar ziet hoe minder je op elkaar uitgekeken raakt.

Mijn collega’s, die moeten aanzitten, en dan zijn er mijn buren. Ik heb mensen naast me wonen van wie ik de kinderen geboren heb zien worden, ik hoor ze dagelijks door de muren heen, ik kan alles plaatsen, het gepomp van hun wasmachine, de paniek van hun jongste, en omdat ik alles kan plaatsen kan ik het aan en ben ik ervan gaan houden.

Wat ik zou willen bij zo’n laatste avondmaal is dat de mensen bij elkaar komen die ik ken, en zij kennen mij

‘Even op m’n telefoon kijken’, verontschuldig ik me tegenover de vriend-van-vroeger.

Hij knikt, begrijpend. Hij was altijd al heel begripvol.

‘Heb je wel een backup gemaakt van je contacten?’ vraagt hij.

Hij vraagt eigenlijk wat anders, maar ik ben de terminologie vergeten.

‘Eh’, aarzel ik. ‘Weet ik niet.’

Hij is doorgegaan in de ICT. Dit klinkt nu niet zo, maar ik kijk daar niet op neer. Ik snap het wel. Hij had al tijdens de studie meer behoefte aan helderheid dan ik.

‘Het is heel eenvoudig’, zegt hij.

Ik zie aan zijn gezicht dat hij het liefst mijn telefoon even onder handen zou nemen.

‘Heb je wel je zoekfunctie aan gezet?’

‘Eh…’

‘Kijk’, zegt hij, en houdt zijn telefoon naar me op. ‘Ik kan precies zien waar iedereen nu is.’

‘O ja’, zeg ik. ‘Handig.’

Hij wil het me gaan uitleggen. Hij weet niet dat ik alleen ’s ochtends heel vroeg, tussen het opstaan en tandenpoetsen in, tegen technische innovatie kan. De rest van de dag eigenlijk helemaal niet.