Films over wit geheugenverlies

Technologie van de rassenhaat

In vier nieuwe films lijkt het culturele moment op vergelijkbare wijze te worden geïnterpreteerd: er is nog altijd geen einde aan de klassenstrijd, racisme en fascisme tieren welig en rassenstereotypen zijn kennelijk onuitwisbaar. Over het witte geheugenverlies.

De Amerikaanse regisseur Spike Lee wekt in Bamboozled een vergeten verschijnsel van het racisme tot leven: de minstreel, een zanger met pikzwart gegrimeerd gezicht, rode lippen en grote, witte ogen. «Black-face» heette deze vorm van populaire cultuur in de volksmond, die ontstond aan het begin van de negentiende eeuw in de noordelijke Amerikaanse steden. Witte theateracteurs schminkten hun gezicht zwart met verbrande kurken teneinde rollen te vertolken van zwarte slaven. Deze vaudeville achtige shows grossierden in racistische stereo typen: de zwarte slaaf als luie, infantiele clown die alleen maar goed was om het witte publiek te vermaken.

Decennialang leefde dit beeld. Met de komst van televisie werd de belediging van zwarte Amerikanen pijnlijker in sitcoms als Amos and Andy en The Jeffersons. Pas in de jaren tachtig kwam hierin verandering met The Cosby Show. Nu waren zwarten ineens rijk, afkomstig uit de middenklasse en ook nog net als «echte mensen» in staat echte emoties tentoon te spreiden. Vraag: was de black-face als visuele pejoratief hiermee begraven? Allerminst, luidt het antwoord van Spike Lee, schrik van het leliewitte entertainment-establishment.
Bamboozled is een belangrijk werk. Als satire op de moderne multiculturele maatschappij heeft de film dezelfde energie als Network (1976), Sidney Lumets visionaire aanklacht tegen de televisiecultuur. In Bamboozled richt Lee zijn woede op de makelaars van het collectieve geheugen: machtige mediaconcerns die kijkcijfers boven alles stellen. Lee hekelt het witte geheugenverlies wanneer het gaat om de geschiedenis van de rassenhaat. Een teken aan de wand is voor hem het amorele karakter van leeg televisievermaak. De kernbegrippen van het ziektebeeld dat hij vervolgens schetst van de kapitalistische samen leving, liegen er niet om: het continueren van de klassenstrijd, welig tierend racisme en fascisme en kennelijk onuitwisbare rassen stereotypen.

Interessant is de wijze waarop deze thema’s in een breder kader terugkeren in andere actuele films, alsof verschillende cineasten bewust of onbewust het culturele moment op dezelfde wijze interpreteren.

In Tim Burtons Planet of the Apes en Jurassic Park III van Joe Johnston vormen de evolutietheorieën van Charles Darwin de basis van in beide gevallen magnifiek vormgegeven allegorieën over de oorsprong van de mens en zijn mogelijke uitsterven als gevolg van rassenhaat. En in het drugsepos Blow van Ted Demme, met een wederom uitstekende Johnny Depp in de hoofdrol, geldt eveneens het darwinistische principe van het overleven van de sterkste, maar nu in de vorm van het klassensysteem waarin je niets bent als je geen geld hebt.

In Blow is drugssmokkelaar George Jung (Depp) niet aan cocaïne verslaafd, maar aan geld. Zoals een klassiek Edith Wharton- personage is hij een slachtoffer van een maatschappij waarin de religie van het materialisme heerst. Op reis naar het dollarparadijs valt George ten prooi aan fascistische neigingen van het Amerikaanse opsporingsapparaat. Maar bovenal gaat hij, evenals Whartons Lily Bart in The House of Mirth, kapot aan valse dromen over hoe geld geluk betekent. Zijn vader (Ray Liotta) probeert vergeefs hem een waarheid bij te brengen: «Het is alleen maar geld; het heeft geen waarde…»

Vertel dat niet aan de hippe witte televisiebaas Dunwiddy (satirisch woordenspel, refereert aan dumb witted), die in Bamboozled gewetenloos op zoek is naar een hit wegens dalende kijkcijfers en reclame-inkomsten. De zwarte scenarioschrijver Pierre Delacroix (Damon Wayans) komt dan met Mantan: The New Millennium Minstrel Show, een vaudeville-sitcom waarin de traditie van de black-face herrijst. De stereotiepe uitbeelding van zwarten als zingende, dansende clowns op een slavenplantage scoort meteen bij alle rassengroepen — tot verbijstering van Delacroix. Met zijn scenario wilde hij zijn baas nu juist zo boos maken dat hij ontslag zou krijgen. Maar de populariteit van zijn als vulgaire, racistisch bedoelde serie is een wrange bevestiging van rassenhaat als alledaags verschijnsel.

1859! Sensatie! Want Charles Darwin zegt: «Man in his arrogance thinks himself a great work… I believe to consider him created from animals.» Mens en dier als volkomen gelijke organismen in de fysieke wereld — in de negentiende eeuw veroorzaakte dat een controverse die voortduurt tot op de dag van vandaag. Hieruit vloeide tevens Darwins stellingname voort over natuurlijke selectie en het overleven van de sterkste. Maar Darwin was niet alleen natuurkundige. In het boek Annie’s Box betoogt Randal Keynes dat hij ook een «evolutionaire psycholoog» was die theoretiseerde dat de menselijke moraliteit is geworteld in het sociale instinct: een geweten leer je niet aan, het is een erfelijke eigenschap.

Moraliteit staat bepaald niet voorop in de vele vervormingen van Darwins denkbeelden. De geschiedenis van de twintigste eeuw is doorspekt met tirannen die de evolutieleer zagen als een cruciaal rad in de technologie van de rassenhaat. Dat verbaast niet echt. Het idee dat bepaalde soorten mensen verheven waren boven «lagere vormen van het ras» was aan het begin van de vorige eeuw een populair-wetenschappelijk debatonderwerp.

Zo was het overleven van de sterkste een hoofdthema in theorieën over de eugenetica en raciale suprematie van de schrijver H.G. Wells. Hij was een notoire eugeneticus die Darwins evolutietheorieën toepaste zonder enige vorm van moraliteit. In zijn waanzinnige Anticipations betoogt Wells dat de zwakkeren in de samenleving — «zwermen zwarte en bruine en gele mensen» — dienen te worden geëlimineerd. Dat zien we terug in zijn fictie, bijvoorbeeld The Island of Dr. Moreau, waarin een schipbreukeling als enige weet te ontsnappen van het eiland waar genetisch gemanipuleerde mens/diermonsters heersen na alle mensen te hebben uitgewist.

Deze tekst vormt samen met Planet of the Apes en Jurassic Park III een allegorie van moderne dekolonisatieprocessen. Beide films draaien, net als Wells’ verhaal, om de strijd tussen twee intelligente wezens van verschillende «soorten»: aap en mens, mens en dinosaurus.

In Joe Johnstons briljante avonturenfilm zijn de vleesetende velociraptors intelligente wezens. Op dino-eiland ontbrandt een strijd tussen deze slimme dieren en de domme, boerse mensen — een schoolvoorbeeld van natuurlijke selectie. Maar Jurassic Park III maakt vooral een geraffineerd statement over het racisme en de koloniale conditie: in een van de laatste scènes zijn de menselijke indringers omsingeld door woedende velociraptors die «eisen» dat de «kolonisten» een gestolen dinosaurusei teruggeven. Een moeder (Tea Leoni) die op het eiland zoekt naar haar zoontje, geeft het ei terug. Uit vrees voor hun leven blaast een wetenschapper (Sam Neill) op een hoorn in de vorm van een nagebouwd plastic velociraptor-strottenhoofd, zodat hij precies het geluid maakt van deze dinosaurussen. Verrast kijken de dieren op. Ze sparen het leven van de mensen.

Darwin zou instemmend reageren: mens en dier als gelijken. Maar dat is een utopisch droombeeld, te oordelen naar onze eigen historie, onze dagelijkse werkelijkheid. Zie het geval Zimbabwe, waar de slachtoffers van het kolonialisme nu effectieve moordenaars zijn en de enige wet het overleven van de sterkste is. Zo wordt het plunderen van de Derde Wereld door het rijke Noorden — in Jurassic Park III gesymboliseerd door het stelen van het ei — met grof geweld afgestraft.

Kan het anders? In Zuid-Afrika lijkt zich een harmonischer scenario af te spelen. Op het abstracte vlak heeft dat te maken met een redenering van de Franse denker Julia Kristeva, namelijk dat westerlingen hun eigen vreemdelingschap zouden moeten onderkennen in hun relatie met «de ander», bijvoorbeeld met immigranten in West-Europa. Kristeva schrijft in Strangers to Ourselves: «Zullen we in staat zijn met de ander samen te leven, om als anderen te leven?» Dat witte Zuid-Afrikanen zich steeds meer Afrikanen voelen, en niet Europese kolonisten, nadert Kristeva’s paradigma. De onderdrukker transformeert zich als het ware tot «de ander», wat precies is wat de wetenschapper Neill doet wanneer hij op de plastic dinosaurushoorn blaast: hij onderkent zijn eigen vreemdelingschap.

«De ander» is een problematisch concept in Planet of the Apes, Tim Burtons leuke, campy hervertelling van de sciencefictionklassieker uit 1968. De planeet is nu gedekoloniseerd; mensen zijn de slaven — ze zijn «de ander». In een typisch darwinistisch scenario stevenen de geëvolueerde apen af op een ding: het verdelgen van het menselijke ras. Ondeugend voegt regisseur Burton een vleugje creationisme toe aan het evolutiediscours. De apen geloven namelijk dat ze geschapen zijn in de gelijkenis van Semos, een apen-godfiguur. De ferventste aanhanger van deze mythologie is de apen fascist Thade (Tim Roth). Het religieuze fundamentalisme leidt tot rassenhaat, aangezien Thade zichzelf en zijn volgelingen ziet als directe afstammeling van Semos. Anderen zijn dat per definitie niet en moeten worden uitgewist.

Hoe diepgeworteld de haat is, blijkt uit de onmogelijkheid van een interraciale seksuele relatie tussen de sensuele apenvrouw Ari (Helena Bonham Carter) en de astronaut Leo (Mark Wahlberg). In feite zijn ze onvoldoende in staat elkaars identiteit «aan te nemen», zoals Julia Kristeva voorstelt en zoals symbolisch gebeurt in Jurassic Park III. Maar zelfs in deze progressieve tekst ligt fascistisch geweld op de loer: uiteindelijk valt het leger het eiland binnen.

Zo kristalliseert zich het culturele moment: een tijd van haat jegens en angst voor de ander. De technologie van de rassenhaat sluimert onder het oppervlak, zodat racisme deel is van de psyche van de mens, een organisme dat nog steeds zoekt naar zijn plaats in het groter geheel. Het is wrang dat de black-face een mogelijk symbool van gelijkheid is doordat de «vorm» van de ander wordt aangenomen. Maar de zoete klanken van de minstreel van weleer veranderen in Bamboozled in de wrede minachting van een soort racisme dat bijna een automatisme is geworden. Het verhaal eindigt in een geweldsorgie — een bevestiging van de gestoorde psychologische conditie van het moderne leven.

Bamboozled (Spike Lee)

Jurassic Park III (Joe Johnston)

Planet of the Apes (Tim Burton)

Blow (Ted Demme)